Gods portret van Israël

1978-05-26
  • Jaargang 22
  • nummer 21
Oneerlijkheid?
Het boek Jeremia eindigt met de verovering en ondergang van Jeruzalem - dat zijn de harde feiten. Aan dat slot gaan vooraf een armvol oordeelsprofetieën over de Israël omringende vijandige volken - dat zijn de harde woorden. Maar woorden van God zijn even goed als glasharde feiten.
De laatste oordeelsprofetie, en verreweg de langste, geldt Babel. Babel en Jeruzalem staan, als zo vaak (bijv. in Openb.), weer eens vlak na en naast elkaar. Toch is er een groot verschil. De ondergang van Jeruzalem betekent voor Babel alleen maar nog een overwinning. De ondergang van Babel daarentegen betekent voor Jeruzalem en Israël vrijheid en herstel.
Niet de Babyloniërs maar de Israëlieten trekken aan het langste eind. Of dat redelijk, eerlijk is? Voor wie de geschiedenis kent, is het duidelijk, dat dit niet aan de religieuze kwaliteiten van Israël ligt.
De enige verklaring is: God heeft zich aan dit volk verbonden en wil via dit volk zijn heilsplan voor héél de wereld ten uitvoer brengen. Wie dit tracht tegen te houden, krijgt met Hèm te doen en is bij voorbaat verliezer.
Wat niet wegneemt dat Israël er steeds weer gevoelig van langs krijgt, hoeveel geduld God ook heeft.
Maar een verbond met God, het verkeren in de nabijheid van de Heilige, brengt zo z'n eigen risico's met zich mee (Ps. 129) - daar begrijpen jaloerse heidenvolken helemaal niets van. Israëls positie was al die eeuwen door die van "op het scherp van het zwaard." Al was 't meestal door eigen schuld, in feite waren zij het die als "uitverkoren volk" te lijden hadden vanwege Gods wereldwijde plannen: als God nu eens Babel had gekozen of Egypte? 't Bevreemdt eigenlijk niet, dat Israël zichzelf herkent in de lijdende knecht des HEREN van Jes. 53, en dat het zich tot op vandaag de zondebok van heel de wereld voelt. Breng dat ook maar in rekening, Als je hun de moord op de Messias exclusief in de schoenen wilt schuiven - en wat te denken van de rol van Pilatus en dus Rome? De ándere volken liet God hun eigen gang gaan. Met Israël had Hij bemoeienis, ten goede of ten kwade... Met tranen in de open Toch heeft een en ander ook zijn goede kanten: er is, als het dat wil, voor Israël altijd een weg terug! Dat blijkt ook uit Jer. 50 : 4-7. Als over Babel zich het oordeel voltrekt als eens over Jeruzalem (50 : 3; 9 : 10; 33 : 10); nu "in die dagen... zullen de Israëlieten komen, zij en de Judeeërs tezamen...' Uit de puinhopen en geblakerde ruïnes maken hun gestalten zich los.
Maar niet triomfantelijk en uitdagend, met de galmende zekerheid van "Israël gaat nooit verloren..."
Juist het tegendeel: "al wenend gaan zij voort en zoeken (vgl. Jes. 55 : 6) zij de HERE, hun God". Zoekend: tastend, aarzelend, schoorvoetend: "naar Sion zullen zij vragen, op de weg hierheen zal hun aangezicht gericht zijn, zij komen (en) zoeken gemeenschap met de HERE (Jer. 31 : 31-34!) in een eeuwig verbond, dat niet vergeten zal worden." Daar is dus niets vanzelfsprekends bij, zeker geen "verbondsautomatisme". Zelf moet Israël op zoek gaan, de weg teruggaan naar Jeruzalem - is het zoeken van Gods aangezicht niet de weg naar de tempel? Zeker, Gods Woord spoort hen aan (Jes. 55 : 1 v.v.). Maar als zij niet zelf gaan, blijven waar ze zijn, in den vreemde, komen ze nooit "thuis" - zij niet en hun kindertjes ook niet.
Met de tranen in de ogen gaan ze, zoeken ze, smeken ze, eindelijk, God om een verbond. Dat dééd je, als volk, als stad in die tijd: de machtige koning smeken om een verbond. Israël had dat gedaan, nu eens bij Egypte, dan weer bij Assur. En nu moesten ze terug naar Jahweh, met hangende pootjes. Naar een Koning, die zij niet eens, maar vele malen afvallig waren geworden, tegen wie zij hadden gerebelleerd. Ieder wist (lees bijv. Gen. 14) wat daar op stond ... En dan een nieuw verbond? Geen mens, geen koning die daar in zou trappen. Maar Israëls Koning bood het bij voorbaat aan... (Jer. 32: 31 v.v.).

Tranen in Gods ogen
Wat is zijn oordeel als ze met hangende pootjes bij Hem komen aankloppen?
Draait Hij hun verachtelijk de rug toe? Laat Hij hen van de poort van zijn paleis wegjagen? Stuurt Hij zijn legers op hen af om hen meedogenloos te vernietigen? Hoor Zijn oordeel: "een kudde verloren schapen was mijn volk (!)hun herders misleidden hen, naar de bergen voerden zij hen; van berg tot heuvel gingen zij, zij vergaten hun leger (kooi)" - verdoold, verdwaald. Het gevolg blijft niet uit: "allen die hen aantroffen, verslonden hen, en hun vijanden zeiden: wij laden geen schuld op ons; omdat zij gezondigd hadden tegen de HERE, de woonstede der gerechtigheid en de hoop hunner "aderen, de HERE..." 't Oordeel van Israëls vijanden is duidelijk. Maar Gods oordeel spreekt van meedogen: "hun herders misleidden hen..." Het tegendeel van wat je van een goede herder mag verwachten. Jezus' woord: "Ik ben de goéde Herder" is agressiever dan wij denken. 't Houdt ook een oordeel in over Israëls "herders": "toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben" (Mt, 9 : 36). Wat voor koningen en leiders had Israël merendeels gehad?
En van zulke herders waren zij afhankelijk, uitbuiters, lieden die de schapen niet scheren maar villen.
Maar waar moest Israël heen, naar wie konden ze toe? Wat gebeurt er als mensen van...mensen afhankelijk zijn? De bijbel staat er vol van. En verder behoef je maar om je heen te kijken...'

Portret door de eeuwen heen
Begrijpt u dat het zo niet langer kon?
Dat God iets anders, beters voor ogen stond? Mede dáárom zal later gezegd kunnen worden, dat "wet en profeten" al duidelijk maken dat dé Messias komen moest - Jezus' onderwijs moet daar (gezien Mt. 9 : 36 bijv.) vol van geweest zijn. Verwachte ook daarom niet een Simeon "de vertroosting van Israël"? (Luc. 2 : 25) Waarom zo angstvallig zoeken naar "teksten" die duidelijk de komst van de Messias melden? Is de tekening, het portret van Israël met zijn “leiders' en "herders" niet meer dan voldoende? Waarom die steeds weer brandende vraag naar "bewijsplaatsen"?
Israël zelf is bewijsplaats genoegen het had (als God een ándere keus had gemaakt) elk ander volk kunnen lijn... De ellende van de volkeren in deze wereld met hun "herders"
ligt er duimendik op. Het is om te huilen - Jezus zelf huilde er om toen Hij zijn oog liet gaan over Jeruzalem. Een verwoeste stad straks?
Erger, veel erger: mensen, schapen die geen herder hebben. En wat is een schaap zonder herder? Het is geen wonder dat God soms liever over een herder spreekt dan (als Israël deed) over een koning. Zegt David getroost: "de God des heils wil mij ten herder wezen" (Ps. 23), Jezus - het beeld van de onzichtbare God (Col. 1 : ] 5) - zegt nadrukkelijk: "Ik ben de goede Herder" Wéér een mens? Méér dan een mens. 'Vaar menselijke leiders op eigen eer en roem bedacht zijn, daar doet Hij wat je van een goede herder mag verwachten: Hij zoekt het verdwaalde en als het nodig is zet Hij zijn leven in voor de schapen. Niet voor niets benoemde God Hem tot opperherder.
Zodat ook wij nu met recht kunnen zeggen: de God des heiIs wil onze redder wezen. Onze God en Heiland: Jezus Christus.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief