Jeremia
1978-05-26
Vals dilemma- Jaargang 22
- nummer 21
Is er bij Jeremia dus toch sprake van een politieke positiekeuze? Is Jeremia revolutionair? Is het dan toch waar, dat het evangelie de kant kiest van de onderdrukkers en de grote machthebbers en dat het de status quo wil handhaven? Wie die conclusie trekt, heeft er niets van begrepen. Het evangelie staat niet aan de kant van de onderdrukkers. Het staat niet aan de kant van Babel.
Het is opvallend, dat van alle oordeelsprofetieën over de volkeren, die we aan het eind van het boek Jeremia vinden, juist die over Babel het uitvoerigst en verpletterend st zijn (hoofdst, 50 en 51).
Maar het evangelie staat ook niet zonder meer aan de kant van alle onderdrukten. Dat probeert men ons vandaag wel wijs te maken. Maar Jer. 27 laat duidelijk tien, dat het niet zo ongenuanceerd ligt. Het gaat om Jahweh die het grondgebied toedeelt aan wie het in zijn ogen recht is het te geven. Als Jeremia de gezanten der volken en de koning van Juda oproept zich te onderwerpen aan Nebukadnezar, kiest hij niet de kant van het imperialisme, maar van Jahweh, wiens oordeel over de wereld gaat en die Nebukadnezar gebruikt om dat oordeel te voltrekken. En alleen voor wie zich buigt onder het oordeel van Jahweh, is er leven (27: 11-13).
Voor ons als christenen ligt de situatie nog precies zo. Er wordt ons vaak een keuze opgedrongen tussen communisme en kapitalisme, tussen democratie en dictatuur of tussen revolutie en status quo. Maar dat zijn valse dilemata. Voor een christen is een democratie zonder God even verwerpelijk als een dictatuur zonder God. Hij kan zich met geen van beide vereenzelvigen.
En als hij het communisme verwerpt, betekent dat niet dat hij zich dan maar in de armen van het kapitalisme moet werpen. Want dat is ook een ideologie en drie brengt hem evenver van God af. En als hij huivert voor de revolutionaire negatie van alle gezag, kan hij zich uit reactie daartegen niet uitleveren aan de gezagsmaniakken.
Wie uit zulke tegenstellingen kiest, laat God en Christus buiten beschouwing.
Vreemdeling
Als christen zul je er steeds meer achter komen, dat je hier vreemdeling bent. Ik word hier telkens weer voor een keuze geplaatst, die ik niet maken kan en mag. Want welke keuze ik dan ook maak, het is een keuze tegen Christrus en een miskenning van zijn koningschap, De erkenning van zijn koningschap betekent heel concreet een stuk vreemdelingschap in deze wereld.
Dat gold ook voor Jeremia. De man hoorde gewoon nergens bij. Hij stond niet aan de kant van Nebukadnezar.
Hij was niet pro-Babel, zoals je hier vóór en tijdens de tweede wereldoorlog mensen had, die pro-Duits waren.
Dat was bij Jeremia beslist niet het geval. Maar hij stond ook niet aan de kant van de gekrenkte nationalisten, die kost wat het kost de politieke vrijheid en zelfstandigheid weer terug wilden. En dat werd hem niet in dank afgenomen. Het ging dan ook lijnrecht tegen het algemene gevoelen in, tegen de geest van verzet die wakker geworden was en die zei: weg met de Babyloniërs! De dood aan Nebukadnezar!
Het uur van de bevrijding slaat! Dat kon je overal horen. Het werd gezegd door de waarzeggers en de dromers en toekomstvoorspellers en tovenaars van de volken rondom Israël (27: 9). Het werd ook gezegd door de profeten in Jeruzalem (27: 14-17). Men had een duidelijke politieke keuze gemaakt. Maar het was een keuze tegen Jahweh. Het was verzet tegen zijn oordeel. Dat er sprake was van Jahweh's oordeel liet men hardnekkig buiten beschouwing, Maar wie zich verzet tegen Jahweh's oordeel, kiest voor de dood, voor het zwaard en de honger en de pest (27 : 8). Zo demonstreerde Jeremia. Niet tegen de onderdrukking, zoals alle profeten en waarzeggers toen deden. Ook niet voor Nebukadnezar, hoewel hem dat wel door alle nationalisten in de schoenen geschoven werd. Maar voor Jahweh, Voor een verootmoediging tegenover Hem en een bekering tot Hem. Want dat is de weg naar het leven. Geve de HERE, dat ook vandaag velen die weg nog vinden. De weg naar het vaderland waar alle vreemdelingschap vergeten is.
JEREMIA 28
Confrontatie
De gezanten van Edom en de andere volken zijn weer uit Jeruzalem vertrokken. De conferentie is voorbij en heeft niet tot concrete resultaten geleid. Maar toch blijft Jeremia met het
ossenjuk om zijn nek door de straten van Jeruzalem lopen. Dat onhandige juk is een vast kledingstuk geworden.
Want weliswaar was de conferentie nu voorbij zonder dat er iets uit de bus gekomen was, maar de geest van verzet was nog springlevend. En de' wil om het juk van Babel af te schudden, was nog levensgroot aanwezig.
Zodra de gelegenheid zich voordeed, zouden ze er gebruik van maken.
Dat blijkt wel heel duidelijk uit hoofdst. 28. Jeremia loopt met zijn juk op zijn nek op het tempelplein.
Hij is daar niet alleen. Er zijn heel wat mensen: priesters en anderen (vs. 1). En Hananja is er ook, een profeet, We moeten goed begrijpen dat Hananja geen dubieuze figuur was, van wie iedereen wel wist dat hij een charlatan was. Neen, hij was een profeet die algemeen geacht werd.
Met deze Hananja komt het tot een confrontatie. Twee profeten ontmoeten elkander. Hananja gaat tegenover Jeremia staan. En zijn stem schalt over het tempelplein: Zo spreekt Jahweh der heerscharen. Ik heb het juk van de koning van Babel gebroken. Binnen nog twee jaar breng Ik naar deze plaats terug al het vaatwerk uit het huis van Jahweh, en ook Jechonja, de koning, en verder :,Ue ballingen van Juda die vier jaar geleden naar Babel in ballingschap zijn gegaan. Zo luidt het woord van Jahweh. Want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken (vs. 4).
Vaatwerk
We moeten deze woorden van Hananja even goed proeven. Tot tweemaal toe benadrukt hij: wat ik hier zeg, heb ik niet zelf verzonnen, maar dat is het woord van Jahweh. Bovendien is het geen vage profetie, waarmee je alle kanten uit kon, Neen, er wordt heel concreet gezegd: binnen een termijn van twee jaar is de bevrijding een feit. En tenslotte gaat het Hananja blijkbaar niet alleen om een politieke vrijheid, maar ook Qm godsdienstvrijheid, Dat ligt opgesloten in wat hij zegt over het vaatwerk van de tempel.
Nebukadnezar had dat vaatwerk mee naar Babel genomen, o.a. de gouden en zilveren bekers die Belsasar later tijdens zijn drinkgelag zou gebruiken.
In het meenemen van dat vaatwerk sprak Nebukadnezar uit: mijn goden zijn sterker dan Jahweh. Jahweh is aan hen onderworpen. Zoals Zedekis schatting moest betalen als een teken van zijn onderworpenheid aan de koning van Babel, zo moest Jahweh schatting betalen aan de goden van Babel. Jahweh was schatplichtig gemaakt aan de afgoden. Dat deze gedachte achter het meenemen van het vaatwerk lag, blijkt ook uit de geschiedenis van Belsasar. Tijdens zijn drinkgelag worden de bekers die uitsluitend bestemd waren voor het gebruik in de dienst van Jahweh, tevoorschijn gehaald en de koning en de vorsten en de rijksgenoten dronken eruit. En dan staat er uitdrukkelijk bij: terwijl ze dat deden, roemden ze de goden van goud en zilver, koper, ijzer, hout en steen (Dan. 5 : 3, 4). Want zij hadden Jahweh immers bedwongen en aan banden gelegd. Dat was de gedachte die erachter lag. Natuurlijk was dat een onjuiste gedachte.
Het vaatwerk van Jahweh in je macht hebben is nog niet hetzelfde als Jahweh zelf in je macht hebben.
Dat blijkt ook wel duidelijk als in BeIsasars feestzaal die hand aan de muur verschijnt en iedereen in paniek brengt: Maar intussen werd het in Jeruzalem toch als een onhoudbare en onverdraaglijke zaak gezien. Dat kon gewoon niet zo blijven. Stel je voor: het vaatwerk van Jahweh in handen van heidense goden en vorsten! Dat was onduldbaar. Jahweh zelf zou het ook nooit lang tolereren.
Het is uw zaak, O Heer
Deze zaak zat ook Hananja hoog.
Daarom is het eerste dat hij zegt: het vaatwerk komt snel, binnen korte tijd, weer terug. Hananja komt QP voor de zaak van Jahweh. Het gaat in de eerste plaats niet om ons en om onze politieke zelfstandigheid, zegt hij, maar om Jehweh. Het is uw zaak, 0 HERE, die ons drijft en ter harte gaat.
Het was al eens eerder gebeurd in Israëls geschiedenis, dat iets dat in het huis van Jahweh thuishoorde, door vijanden was buitgemaakt. Toen was de ark in handen van de Filistijnen gevallen (1 Sam. 4). Toen hadden de Filistijnen dat ook gezien als een overwinning van hun god op Jahweh. Daarom plaatsten ze de ark in de tempel van Dagon (1 Sam. 4 : 2). Jahweh was aan Dagon onderworpen en door hem aan banden gelegd.
Ze hadden niet lang in die illusie geleefd. Ze merkten al gauw, dat beschikken over de ark niet hetzelfde is als beschikken Qver Jahweh. En binnen het jaar (1 Sam. 5: 1) was de ark weer terug in het gebied van Israël.
Jahweh is immers niet klein te krijgen. Hij laat zich niet ringeloren. Dat hadden de Filistijnen ondervonden.
En daarom hadden ze de ark weer prijs moeten geven.