Zo was het (17)
1978-06-02
Het is goed, dat we geld geven voor de Zending en ervoor bidden. Maar ons geven en bidden voor de Zending en voor een Evangelisatiecommissie is de HERE niet aangenaam, als we in eigen omgeving ons schamen voor het Evangelie en door onze daden geen levende brieven van Christus zijn. Het is veel gemakkelijker f 100,- te geven voor een en ander - voor eigen genoegen geven we waarschijnlijk meer uit - dan getuigen van de Heer te zijn. Door woord en daad. Ik heb het nogal eens beleefd, dat brs en zrs een kleur kregen als we op huisbezoek spraken van God en Zijn dienst. Men vond dat eigenlijk vreemd. Dát deed men in het gewone leven niet. Vandaar ook de angst bij sommigen - of bij velen? - voor huisbezoek.- Jaargang 22
- nummer 22
Dat soms meer een "bezoeking" leek dan een bezoek.
Eenvoudig en spontaan over de Here spreken behoort naar ik meen niet tot het levenspatroon van kerkmensen in het algemeen en van "ons gereformeerden" in het bijzonder.
We horen de Naam van de HERE als uit de Bijbel wordt voorgelezen. En bij het bidden, in de kerk en op de catechisatie en op school. Maar in het gewone leven van alle dag wordt er in alle talen gezwegen. Nu weet ik wel, dat er een vroompraterij die niet deugt. Het is mogelijk "Here Here" te zèggen, zonder de wil van de hemelse Vader te doen. In het bekende boekje van Bunyan komt de figuur van "mooiprater" ook al voor.
Maar dat is geen reden om, als er gelegenheid voor is en het pas geeft, de Naam van de HERE niet te noemen.
-Een christen is geroepen de Naam des HEREN te belijden!
Niet maar éénmaal openbaar in de samenkomst van de gemeente. Maar als het te pas komt ook in de omgang met onze medemensen. We zijn verplicht onze gaven "tot nut en ter zaligheid van anderen gewillig en met vreugde aan te wenden". Dat betreft niet alleen mede-christenen, maar vooral ook niet-christenen. Ook ongelovigen, moderne heidenen zal ik maar zeggen, moeten van de HERE horen spreken. Opdat zij zo mogelijk getrokken worden uit de duisternis tot het licht van Gods genade. In de kerk komen ze niet. Maar aan het woord en de daad van de christenen moeten zij merken, dat de gelovigen iets hebben wat zij missen: blijdschap en vrede en troost. Vrucht van het Evangelie van Jezus Christus.
Een paar ervaringen, die in m'n geheugen zijn blijven hangen, zal ik vertellen. Eens kwam ik op een zogenaamd Evangelisatiebezoek bij een man, die op de christelijke school was geweest. Hij was van gereformeerde komaf.
Vijandig was de man helemaal niet, maar hij "deed nergens meer aan". Naast hem woonde een gereformeerde ouderling. Een vooraanstaand man zal ik maar zeggen. In het gesprek vroeg ik of de buren veel met elkaar omgingen. Het bleek, dat ze dagelijks met elkaar in aanraking kwamen. Ze hielpen met het hooien, leenden gereedschap van mekaar en leefden als goede buren. Burenhulp was daar nog mode.
Toen zei ik: Dan zullen jullie ook wel eens over God de HERE spreken en over het geloof en de kerk. Zijn antwoord was beslist ontkennend. Hij had aan de ouderling een goede buur en ze konden best met elkaar opschieten, maar "over 'het geloof' hoor ik hem nooit". Ik weet en zie, dat hij zondags trouw naar de kerk gaat, maar dat hij afledag anders leeft dan wij en dat hij iets heeft wat ik mis, dat merk ik niet. Toen ik bij br. ouderling informeerde of dit verhaal juist was, klonk het wat bedeesde antwoord: "Jao doomnee, daorover praoten wullie nooit". Dat was dus een vooraanstaand lid van de kerkenraad.
Voor wie ik nogal respect had. Maar hij zweeg in alle talen van de HERE. De buurman Zal wel nooit erg gevloekt hebben. Anders zou hij daarover wel een opmerking gemaakt hebben. In de trant van: "Ho ho, buurman, kan dat niet wat anders?"
Ofschoon? Ook daarvan was ik nog niet zo zeker. Eens kwam ik in aanraking met een voorman zal ik maar zeggen, die een behoorlijk aantal arbeiders onder zich had, We kregen het over geloof en ongeloof, het Evangelie en het Socialisme, dat hij vurig verdedigde. In de loop van het gesprek vroeg ik of hij bij z'n arbeiders geen verschil merkte tussen gelovigen en ongelovigen, mensen van de wereld en mensen van een kerk. Hij zei weinig of niets te merken van verschil in woorden of daden. Ze vormden volgens hem één pot nat. Letterlijk zei hij: "Als een lid van uw kerk met z'n kruiwagen van de plank afraakt en in de modder terecht komt dan vloekt hij even hard als iemand, die in geen kerk of klooster komt".
Bij zo'n gelegenheid, die vaker voorkwam, was ik blij als ik de naam kon noemen van een broeder, waarvan- ik zeker was dat hij zich voor het Evangelie niet schaamde. Dan was het antwoord meestal: "Ja, die komt voor z'n geloof uit. Aan hem is wel te merken dat hij anders is". Voor zo iemand had men dan gewoonlijk ook wel respect.
Een beslist onverschillig mens zei eens tegen mij: "Als wij in de knoei zitten of hulp nodig hebben dan gaan we naar Albert. Want die méént het". Maar dat was uitzondering.
En ik vrees, dat het nog uitzondering is. Wij gereformeerden konden best debatteren over een of ander leerstuk, op een vereniging of een discussieavond. Maar om spontaan en heel gewoon uit te komen voor de HERE en ons geloof, dat behoorde niet tot de gereformeerde levensstijl. Of het bij anderen beter was weet ik niet, maar wij hadden dat van huis uit niet geleerd.
Niet alleen in ongelovige kring spreekt men over het algemeen niet over de HERE en Zijn dienst. Maar ook in de kring van het gezin gebeurt dat veel te weinig. Zelfs met eigen vader of moeder, of met broers en zusters durft men niet spreken. Bijvoorbeeld over geloofsmoeilijkheden.
Waarvan een voorbeeld in mijn herinnering is
gebleven. Een meisje kwam eens met mij praten over een geloofs- of levensmoeilijkheid. Ik vroeg haar of zij daarover wel eens met één van de gezinsleden had gesproken.
Met een vriendin had zij wel eens gepraat, maar met haar zuster bijvoorbeeld niet. Die was een jaar jonger, ze kon heel goed met haar opschieten en deelde met haar de slaapkamer. Ze sliepen waarschijnlijk wel in één bed. Ik vroeg haar waarom ze deze zaak nooit met haar zuster had besproken. Haar antwoord was: "Zij zou dat heel vreemd vinden. En zeggen: waar heb je het over!"
Zij meende, dat haar zuster over dergelijke zaken helemaal niet wilde praten. Mam wat gebeurt? Een paar weken later komt haar zuster over háár moeilijkheden spreken. Toen vroeg ik of zij met, "Marie" zal ik maar zeggen, daar wel eens over sprak. Ook haar antwoord was: "Ze zal me zien aankomen. Ze zou het wel heel gek vinden als ik haar daarmee lastig zou vallen". Het bleek, dat in dát gezin, bekend als zeer goed-gereformeerd, men als vreemden naast of langs elkaar heen leefde.
Tenminste wat betreft liet geloof in en het leven met de HERE. Zo ging dat dunkt mij in meer gezinnen,
Nog een geval staat mij levendig voor de aandacht. We waren op huisbezoek bij een man en vrouw, die beiden geen avondmaal vierden. Zij deed het woord: Ze hadden geen vrijmoedigheid om toe te gaan. Zij namen het zo gemakkelijk niet. Ze kende wel anderen, die het veel te licht opvatten. Ze kende broeders, die geregeld vloekten en toch maar avondmaal vierden. Anderen waren zeer onbetrouwbaar in handel en wandel. Ook waren er brs en zrs, die konden liegen alsof het gedrukt was. En dan toch maar nachtmaai houden. Dan deden zij toch veel beter door zich maar te onthouden. Zij waren tenminste bang zich een oordeel te eten en te drinken. Ofschoon zij nooit vloekten of logen en bedrogen.
Toen vroeg ik of zij bedoelde brs en zrs wel eens had gewaarschuwd? Haar antwoord was ontkennend. Daar had zij zo geen gaven voor. "Zij kon niet zo best uit haar woorden komen!" Ondertussen praatte zij als Brugman. Bovendien zouden ze wel kwaad worden en zeggen, waarmee zij zich bemoeiden. Ik weer: Maar die mensen zijn toch op zondige wegen, die naar de dood leiden. Moeten zij dan niet vermaand worden? Als jullie een kennis hebben die er ziekelijk uitziet, dan zeggen jullie toch ook, dat hij naar de dokter moet? Zij weer: dat kon allemaal wel waar wezen, maar zij kon het niet en deed het niet. Toen ik vroeg of zij dan met mij bedoelde brs en zrs wilde bezoeken of mij namen wilde noemen, beweerde zij, dat ze geen aanbrengster wilde zijn. De kerkenraad moest het maar uitzoeken. Daarmee was het punt, uit.
Zou het van dergelijke toestanden niet komen, dat er de tucht in de gemeente niets terecht kwam? Mogelijk nog niets terecht komt? Op huisbezoek en bij andere gelegenheden zetten de mensen een zondagsgezicht. Zij en hun kinderen hebben geen oortje versnoept. Hoe men zich in het gewone leven gedraagt daarover wordt gewoonlijk niet gesproken. Over het algemeen komt er van handelen naar Matth. 18 weinig terecht. U weet wel: als ge iemand ziet zondigen, ga heen en vermaan hem of haar. Bij geen gehoor neem een ander mee. En tenslotte: laat het de gemeente weten. Ik zeg niet, dat het nooit gebeurde of gebeurt. Mogelijk gebeurde het veel vaker dan ik vermoed. Als de vermaning hielp, dan had verder geen kerkenraad daarmee te maken. Maar ik kan op m'n vingers de gevallen natellen, dat iemand kwam zeggen: "Eerst ik, daarna wij hebben een br. of zr. vermaand, maar zij wilden niet horen. Nu is de beurt aan de kerkenraad, liever nog aan de hele gemeente".
Naar mijn ervaring waren wij veel te bang om in het gezin, of in de gemeente of in ongelovige omgeving uit te komen voor ons geloof in en onze hoop op de HERE. We waren traag in ons getuigen.
We hoorden vroeger ook al wel van groepen of kringen, waar men vrolijk getuigde van het heil in Christus. Tegenwoordig zien we het op de TV. We horen mannen en vrouwen getuigen van de verandering in hun leven, doordat ze met het Evangelie in aanraking kwamen en in Christus leerden geloven. Soms gaat een en ander samen met muziek en zang, "snarenspel en orgel" zal ik maar zeggen. Het is ons soms wel wat te uitbundig. We vragen ons af of dit allemaal wel echt is en of er geen sprake is van een zekere geestdrijverij. Die voor werk van de Heiige Geest wordt gehouden. Nu hoeven we niet alles prijzen wat van die kant komt. Er zal ook wel eens wat overdrijving bij zijn. Dat wel weer óver drijft. We hoeven niet alles aan de werking van de Heilige Geest toeschrijven.
Maar laten we wat voorzichtig zijn met onze kritiek. En ons afvragen of deze verschijnselen mogelijk mee een reactie zijn op onze gereformeerde nuchterheid en geslotenheid en wat wij dan noemen "schuchterheid in het heilige". Ik weet ook wel, dat de Here Jezus gezegd heeft, dat we geen parelen moeten werpen voor de zwijnen. Ik weet ook, dat Hij gezegd heeft dat "Here Here" roepen niet voldoende is. Het moet samengaan -met het doen van de wil van de hemelse Vader. Woorden en daden moeten samenstemmen.
Er was eens een NSB-er in de buurt van Voorthuizen. Hij kwam bij een familielid met uitgestoken arm en riep: "Houzee, kameraad", Waarop de neef tegen hem zei: "Och man, jij bent er één van 12 ambachten en 13 ongelukken. Jij hebt nog nooit zee gehouden. Houd nu maar op met dat Houzee-geroep. Van jou wil ik het niet horen". Had die neef geen gelijk?
Zo komt het ook wel voor, dat iemand heel vrome praatjes verkoopt en intussen "de kat in het donker knijpt". We lezen van Schriftgeleerden en Farizeeën, dat zij onder de schijn van vroom gebed, de huizen van weduwen opaten. Ze stonden wel openlijk op de straathoeken te bidden, maar hielpen ondertussen weduwen van hun centen af. Vroom gepraat zonder vrome daad is de HERE een gruwel.
Maar uit angst voor schijnvroomheid mogen wij niet zwijgen van het heil, als spreken geboden is.
Als het nodig is, zal niet alleen een dominee, ouderling of evangelist treurenden troosten, in de put zitters ophelpen, zwakken in het geloof sterken, afgedwaalden terechtbrengen en buitenkerkelijken trekken. Maar dat is de taak van ieder kerklid. Of liever van ieder, die het Evangelie gelooft en daarnaar leven wil. Ik zeg het zo, omdat helaas niet ieder kerklid christen is. Een moderne heiden heeft eens gezegd en geschreven: als alle christenen zo spraken en zo leefden als ze zouden moeten, dan zou dat in de wereld een omkering teweeg brengen. Die man had wel gelijk. Het officiële christendom heeft ontzettend veel kwaad gedaan, in strijd met het Evangelie. Het heeft grote schuld op zich geladen.
Laten wij die schuld niet vermeerderen.