Jeremia
1978-06-02
Het is uw zaak, oHeer (vervolg)- Jaargang 22
- nummer 22
Voor Hananja stond het als een paal boven water, dat het nu ook weer zo zou gaan, Het leek wel alsof Jahweh verslagen was en het onderspit had moeten delven, Maar Hij zou wel eens laten zien dat dat niet het geval was! Daarom kon Hananja zo zonder enige aarzeling zeggen: zo spreekt Jahweh, het vaatwerk komt weer terug.
Binnen twee jaar. Het was al ongeveer vier jaar in Babel.
Maar omdat vaatwerk natuurlijk toch niet van dezelfde importantie was als de ark, begreep Hananja best, dat de termijn ook ruimer genomen moest worden. De ark was binnen een jaar teruggekomen. Dat kon je van het minder belangrijke vaatwerk niet verwachten. Maar vijf of zes jaar was toch wel de maximumperiode waarin het in handen van de Babyloniërs kon blijven. Daar was Hananja heilig van overtuigd. Daarom zei hij: binnen twee jaar. Dat was zonder meer de uiterste termijn. Voordat die termijn om was zou Jahweh in actie komen. En daar zat dan onvermijdelijk ook een politieke bevrijding aan vast.
Tijdsverschil
Wat Hananja zei, was op zichzelf helemaal niet zo'n dwaas en ongemotiveerde gedachte. Het was niet zo maar in het wilde weg uit de lucht gegrepen. Hananja kon zich beroepen op de geschiedenis van Israël. In die geschiedenis bleek immers dat de HERE zich niet liet vangen. Hij had zich geopenbaard als een God die.
niet aan banden en niet aan een ketting te leggen is. Wat Hananja zei, klonk helemaal in overeenstemming met Gods openbaring aangaande ZIchzelf. En als hij zijn woorden inleidt met de formule: "zo spreekt Jahweh" en aan het slot nog eens herhaalt: "zo luidt het woord van Jahweh", klinkt dat helemaal niet vreemd en doet dat niet aan als een vlag op een modderschuit. Als je hem deze woorden hoort spreken, ben je onmiddellijk geneigd te zeggen: natuurlijk, dat is Gods Woord. Want God laat niet toe, dat zijn vaatwerk in handen van de heidenen blijft.
En toch staan deze woorden van Hananja vierkant tegenover de profetieën van Jeremia. Ook Jeremia had over het vaatwerk geprofeteerd in hoofdst. 27. Die profetie had ook hij ingeleid met de woorden: "zo zegt Jahweh der heerscharen, de God van Israël" (27: 4). Dat waren letterlijk dezelfde woorden die Hananja gebruikt in 28 : 2. Maar wat er bij Jeremia volgde, was heel anders dan bij Hananja. Jeremia zei: alle volken zullen Nebukadnezar en zijn zoon en diens zoon dienstbaar zijn (27: 7).
Hananja zei: binnen twee jaar is het gebeurd met Nebukadnezar. En in 27 : 16 v.v. zei Jeremia: in plaats dat het vaatwerk dat nu in Babel is, binnenkort naar Jeruzalem zal terugkeren, zal het vaatwerk dat nu nog in de tempel is, ook nog naar Babel gebracht worden. En daar zal het zijn tot de dag dat Ik er naar omzie en het haal en terugbreng. Daarom moet je je onderwerpen en je hals voegen onder het juk van de koning van Babel.
Als we deze beide profetieën met elkaar vergelijken, blijkt dat zowel Hananja als Jeremia beiden zeggen, dat het vaatweI1k weer uit Babel terug zal komen. In dat opzicht is er geen verschil.
Want het is inderdaad waar, dat God de sfgoden en de koningen en de volken niet eindeloos in de waan laat, dat ze Hem klein gekregen hebben. Het grote verschil tussen Hananja en Jeremia komt uit in de tijd die er volgens hen verlopen zal, voordat het vaatwerk weer terugkomt.
Volgens Hananja zal dat binnen twee jaar gebeuren, terwijl Jeremia zegt, dat het in Babel blijft gedurende de regering van Nebukadnezar, van zijn zoon en van zijn kleinzoon (27 : 7), een periode van zeventig jaar (25 : 11, 12).
Negatie van Gods oordeel
Dat verschil in tijdsduur zit vast op het feit, dat het oordeel van Jahweh over de ongerechtigheid van Juda bij Jeremia het volle pond kreeg, maar bij Hananja werd weggewuifd. Hananja leefde daar overheen. Hij erkende het niet. Daarom riep hij ook niet op rot onderwerping aan Babel, maar tot verzet. Hananja en zijn collega's hielden de geest van verzet onder het volk wakker. Capituleer nooit, zeiden ze. Dat doet Jahweh ook niet.
Dachten jullie soms, dat Hij aan de kant van de onderdrukkers staat? Natuurlijk niet. Hij staat aan onze kant, aan de kant van de. onderdrukten, God is niet tegen ons, maar voor ons.
Daarom moeten we elke gelegenheid aangrijpen om ons tegen Babel te verzetten.
Daar lag de kern. Er was bij Harranja sprake van negatie van Gods oordeel en daarom ook van verzet ertegen.
Er was een stuk zelfhandhaving en ongebrokenbeid tegenover Jahweh. En dat werd- bedekt en gecamoufleerd met de woorden: zo spreekt Jahweh. Dat was het gruwelijke ervan. Zoiets kan ook vandaag nog. Een mens kan een bijbelse waarheid aangrijpen om eigen zelfhandhaving op te vijzelen en om zichzelf te rechtvaardigen.
Dan wordt het Woord van God gehanteerd een slogan waarmee je anderen om de oren slaat.
Zo spreekt Jahweh, zei Hananja. Daarmee stijfde hij de ongebrokenheid van het volk. De naam van Jahweh werd gebruikt als een dekmantel om zich af te schermen tegen wat Jahweh werkelijk te zeggen had. Natuurlijk deed Hananja dat niet opzettelijk, met open ogen. Diepweg wist hij het wel. Maar dat inzicht had hij toegestopt en toegedekt. Daardoor was hij er voor zichzelf helemaal van overtuigd, dat zijn woorden waar waren enkon hij met overtuiging spreken. Karakter der profetie Als Jeremia Hananja's woorden hoort, zegt hij: Amen! Zo doe Jahweh.
Moge Hij de woorden die ge geprofeteerd hebt, vervuilen. Misschien vindt iemand het vreemd dat Jeremis zo reageert. Maar dacht u soms, dat hij plezier had in zijn eigen onheilsprofetieën en dat hij niets liever wilde dan dat zijn volk en Jeruzalem ten onder gingen en dat er niets van over zou blijven? Natuurlijk niet. Ook Jeremia zou het liefst willen, dat het juk van Babel gauw verbroken zou worden en dat de ballingen gauw weer terug zouden komen. Er is toch zeker niemand die in een hoera-stemming dood en verderf over zijn land en vollk ziet komen?
Ook Jeremia ziet dat niet grcag. Daarom zegt hij tot Hananja: Amen! Moge Jahweh dat woord vervullen.
Maar toch weet Jeremia wel, dat Haaanja's woorden zeer dubieus zijn.
En hij trekt ze ook in twijfel. Hij zegt: Hananja, jouw profetie valt uit de toon, Ze ademt niet de geest van de profetie. Het is wel prachtig wat je zegt. En ik zou voor een lief ding willen dat het waar was. Het is ook heel verleidelijk om het te geloven.
Want het sluit helemaal aan bij onze menselijke verlangens. Maar toch is het karakter van de ware profetie altijd anders geweest. Ze heeft de mensen nooit naar de mond gepraat. Ze heeft nooit het straatje van de mens schoon geveegd en nooit ingehaakt bij zijn verlangens en luchtkastelen.
Ze heeft de mensen altijd geconfronteerd met de werkelijke stand van zaken, ook als er sprake was van Gods oordeel over zonde en gerechtigheid. Natuurlijk wil Jeremia niet zeggen, dat Gods profeten nooit en te nimmer met onheilsprofetieën komen en dat hun woorden altijd oordeels- en onheilsprofetieën moeten zijn. Dan zou hij ook zichzelf veroordelen als een valse profeet. Want ook hij heeft geprofeteerd van het heil en de vrede die God zou geven (b.v. hoofdst, 30 en 31).
Maar Jeremia wil wel zeggen, dat profeteren van heil en vrede in een situatie waarin men weigert naar God te luisteren, niet in overeenstemming is met de profetische traditie, Dat is nog nooit vertoond, bedoelt Jeremia.
Waar men weigert God te gehoorzamen, daar is geen vrede. Daar kun je geen vrede toezeggen en uitdelen.
En als dat toch gedaan wordt, kun je een dergelijke profetie bij voorbaat in twijfel trekken.