Rondom de ambtsbediening

1978-06-09
  • Jaargang 22
  • nummer 23
Regelmatig worden verschillende broeders van de gemeente gekandideerd voor het ambt van ouderling of diaken. Dat is de laatste jaren met name geen sinecure! Soms gaat er meer dan één kerkenraadsvergadering voorbij aleer men verantwoord met een kandidatenlijst voor de dag kan komen. De gemeente wordt voordien ingeschakeld om namen te noemen van broeders, die men geschikt acht voor één van beide ambten. Niet altijd wordt daar druk gebruik van gemaakt Soms zijn het uit een grote gemeente maar enkele epistels, die binnenkomen. Is dat gebrek aan meeleven of heeft het te maken met een grenzeloos vertrouwen in de kerkenraad? Denkt men misschien: de oudjes komen er vast weer in, waarover zullen wij ons druk maken? Het schijnt de laatste tijd steeds moeilijker te worden mensen te vinden, die in aanmerking komen "oor het ambt van opzicht en tucht over de schapen van de kudde van Christus en voor het ambtelijk functioneren in de dienst der barmhartigheid.
Ettelijke lieden schermen vaak met het argument, dat zij geen tijd hebben. Nu kan het gebeuren, dat iemand net met een studie begonnen is, die vele avonduren per week opeist, zodat hij de tijd voor ambtsdienst absoluut het eerste jaar met kan vrijmaken. Het kan ook zijn, dat iemand pas van baan veranderd is en zich terdege moet inwerken, zodat hij vele overuren maakt. Men zal elk bezwaar moeten wegen en mag dus niet alles over één kam scheren!
Maar er is nog een andere zaak, die de aandacht vraagt. Je merkt bij broeders in de gemeente soms helemaal niet, dat zij zich op het ambt prepareren. Ze komen 's zondags naar de kerk, bezoeken een gerneentevergadering, maar verder ontplooien zij geen enkele activiteit. Men studeert niet in de Schrift en houdt de kennis van de belijdenis niet bij, terwijl het kerkelijk bijtanken via de pers op een uiterst laag pitje staat. Zij maken het de kerkeraad moeilijk de banken naast de kansel elk jaar weer te bevolken, Het komt ook herhaaldelijk voor, dat bepaalde gemeenteleden wel capaciteiten bezitten voor de vervulling van een ambtelijke taak, maar door ontrouw in de kerkgang daarvoor niet in aanmerking kunnen komen.
Je kunt toch geen ouderling op pad sturen om mensen te vermanen tweemaal per zondag de samenkomsten van Gods volk bij te wonen terwijl hij voor zichzelf eenmaal voldoende vindt.
Ik geloof, dat het een goed ding is, dat ook onze jeugdverenigingen en allerlei gespreksgroepen aandacht schenken aan de zin en de betekenis van de ambten.
Ik beweer niet, dat ze moeten functioneren als een soort opleidingsinstituut voor het ambt van ouderling of diaken. Maar in het verleden werd vaak op de J.V. de basis gelegd voor een meer dan platonische waardering van de ambten. Daar werden de jongens gevormd voor de toekomst en werd liefde voor de kerk gekweekt. Het is goed wanneer men in het jeugdwerk ook wat dat betreft de vinger aan de pols houdt. Dan wordt de begeerte naar het ambt gestimuleerd. En dat hebben we nodig als brood. Het gaat ten diepste om twee dingen: Het kennen van de Bijbel en het bijhouden van de tijd. Een ouderling en een diaken moeten weten wat de HERE in Zijn Woord belooft en van ons vraagt. Zx: alleen heeft hun ambtelijk optreden effekt in de gemeente.
Dat is de kracht van hun ambtelijk werk. Je merkt steeds weer, dat je in een tijd leeft, waarin ieder zijn eigen mening heeft. En uiteraard wil iedereen ook die eigen mening op een bepaalde manier tot gelding brengen.
Men eist volledige ruimte voor eigen standpunt. Daar zit ook het minpunt van het individualisme in. En via het individualisme gaat de beoefening van de gemeenschap der heiligen de mist in. Welke houdiln neemt men daartegenover aan? We dienen ons bewust te zijn, dat de ambtsdrager harmoniërend heeft bezig te zijn. Hij legt kontakten tussen de mensen onderling. Hij capitulerend niet voor een vurig verdedigde opinie van een paar broeders en zusters maar argumenteert vanuit het getuigenis van de Geest! Het gaat niet aan om met de mond vol tanden te staan als jongeren op huisbezoek informeren naar de zich opdringende Pinkstergroepen. Je kunt hen dan niet zonder meer verwijzen naar de dominee.
We hekelen in deze moderne tijd terecht de devaluatie van het ambt! Maar daarmee zijn we niet klaar. In de wijze waarop we ons ambt bedienen, hebben we de hoogheid van het ambt te laten voelen. En die hoogheid van het ambt schuilt niet in een autoritair optreden, maar wordt ervaren in het handelen en spreken uit dienende liefde. Het is zaak deze motivatie naar vermogen over te brengen op de leden van de gemeente. Dat kunnen we uit onszelf niet!
Maar ·de weg van het gebed heeft nog nooit een mens gefrustreerd! Integendeel, door regelrecht met deze zaken naar God te gaan komt er een duidelijke opening. Dat behoort inhoudelijk bij het evangelie van Jezus Christus, dat elke zondag verkondigd wordt en bij de mensen ook nog wordt thuisbezorgd. Waar het huisbezoek de vernieling ingaat, wordt tevens op reformatorisch vlak een enorm verlies geleden. Het is met name Calvijn geweest, die het 'ambt van ouderling in ere heeft hersteld. Hetgeen we boven memoreerden speelt op allerlei plaatsen in allerlei kerken. Als je uit hoofde van een bepaalde functie veel kerkelijke bladen hebt door te nemen, kom je het slag op slag tegen. Dan moeten we niet om strijd gaan roepen, dat het zo'n schandalige aangelegenheid is en dat we hollende achteruitgaan. Nee, dan zullen we tot bezinning moeten komen en via de bezinning tot bezieling! Dat heeft beide alles uit te staan met de doorbraak van de Pinkstergeest in de kerk, die te worstelen heeft met een geest van dorheid en doodsheid. De Here wil nog steeds het bijzondere ambt mede gebruiken om de gemeenteleden te prikkelen tot het bedienen van het ambt der gelovigen. We willen tot slot een gedeelte overnemen V3n een artikel, dat we aantroffen in de "Friese Kerkbode" va:n vrijdag 19 mei 1978. De titel luidt: PERSOON OF AMBT en het is van de hand van B. de Groot uit Drachten. Hier is het bewuste stuk, dat ons in het bijzonder aansprak.

"Wij ambtsdragers zijn ons ambt steeds meer gaan zien als een job. We leggen geen plechtige huisbezoeken meer af, die van tevoren worden afgekondigd van de kansel of tenminste afgesproken bij de deur, maar we komen zo nu en dan eens even aanwaaien. We encadreren het huisbezoek niet meer met gebed en bijbellezing, maar we babbelen gezellig over koetjes en kalfjes en als het mooi gaat zelfs over domineetjes en preekjes. Maar het moet gezellig blijven. We zijn geen herdershonden meer in dienst van de Goede Herder, maar gezellige kennis, misschien zelfs vriend en soms een beetje maatschappelijk werker. Maar het gevolg is, dat er steeds meer zijn, die steeds minder prijs stellen op huisbezoek.
Velen hebben er helemaal geen behoefte meer aan, ze hebben al kennissen genoeg en vrienden kiezen ze liever zelf. En naarmate het huisbezoek minder als zinvol wordt ervaren, wordt het voor de ambtsdrager moeilijker om het te brengen. En wordt het moeilijker om ambtsdragers te vinden. En wordt de kwaliteit van de gevondenen minder, want de kerkenraad is immers allang blij, dat er toch nog weer enkelen ingetuind zijn. En wordt het respect voor het mannetje, dat ons namens de kerkenraad een bezoek komt brengen, geringer. De vicieuze cirkel is allang gesloten. Ze is tot een draaikolk geworden, waarin het pastorale aspect van de kerk bezig is te verdwijnen.
Tussen haakjes, ik overdrijf natuurlijk. Er zijn nog altijd prachtige ouderlingen, die hun werk met ere en met blijdschap doen. Maar ik overdrijf enkel, ik spreek geen onwaarheid.
En wat dan wel? We moeten weer ouderlingen zoeken naar de eisen van 1 Tim. 3, mensen, die een goede naam hebben in de gemeente. Kunnen we de drie benodigden niet vinden, dan maar twee of één.
Het is beter, dat een vacature onvervuld blijft en dat de gemeente zich haar geestelijke armoede bewust wordt. Misschien schrikt ze. En laten de gekozen ambtsdragers zich in volle nederigheid omtrent hun persoon zich het gewicht van hun ambt bewust zijn. Ze komen op huisbezoek en spreken daar met gezag, niet als populaire vlotte jongens, maar als ambassadeurs van hun Koning.
Ouderwets, zegt U? Volkomen waar! Antiek zelfs, want al haast tweeduizend jaar oud. En wel waar. En ook noodzakelijk. Want één ding is duidelijk: zó gaat het niet langer. Als we niet terug willen naar het ambt, kunnen we het ouderlingschap als pastorale functie en ook het huisbezoek wel afschaffen. De predikant kan een spreekuur instellen voor hen, die hem wat te vragen hebben en een aantal ouderlingen of hoe men ze noemen wil, zorgen ervoor, dat de organisatie draaiende blijft. De organisatie, want de kerk is dan allang dood."

De "Friese Kerkbode is een (synodaal) gereformeerd persorgaan, dat wekelijks verschijnt. Het is één van de beste kerkbladen waarnaar ik elke week weer uitzie. Uiteraard biedt het geciteerde gedeelte dus een schets van actuele toestanden in de kring van de (syn.) gereformeerde kerken. Maar de teneur van het geheel is van die aard, dat ook wij er onze winst mee kunnen doen!
Van Augustinus is de opmerking: "Ootmoed is het eerste kenmerk van de christen en het tweede en derde ook." En in de Bijbel kom ik dit paulinische woord tegen: "Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle" (1 Corinthiërs 10 : 12).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief