Zie, hier is uw God (3)
1978-06-16
Bidt en u zal gegeven worden; - Jaargang 22
- nummer 24
zoekt en ge zult opengedaan worden.
Alles nu wat ge wilt, dat u de mensen doen,
doet gij hun ook aldus;
want dit is de wet en de profeten.
Hoe weten we dat God, de God van de bijbel, de God van Jezus, geen droom is? Hoe krijgen we iets van God te merken? Of moeten we de hoop maar op geven, dat we echt iets van God gewaar worden? Moeten we ons er maar bij neerleggen, dat we bij al ons zoeken toch nooit vinden, dat op ons kloppen, voorlopig tenminste, niet wordt open gedaan?
Volgens Jezus is zijn God wel degelijk iemand die voor de dag komt, als je bij Hem aanklopt. Die zich vinden laat als je Hem zoekt. Maar Jezus laat daarbij wel uitkomen dat je dan ook echt naar Hem op zoek moet gaan. Naar Hém, Niet naar "iets". Zoeken naar God, - dat is niet: overal eens rondkijken of je Hem misschien ook in het vizier krijgt. Zo zoek je naar een verloren schaap, of een verloren armband, of een verloren bril. Maar zoeken naar God, naar déze God, - dat is een beroep doen op Hem zelf. Bij Hem aankloppen. Hem uit zijn tent lokken.
Hem vragen om te voorschijn te komen. Hem houden aan dat, waarvoor Hij zegt te staan
Waarvoor staat God dan?
Jezus beweert heel nadrukkelijk dat Hij daarvoor staat: Hij zal je geven wat je van Hem vraagt. Net zo min als een vader zijn kind in de kou laat staan als het hem vraagt om wat het nodig heeft, net zo min, nee, nog veel minder zal God het goede onthouden aan hen die Hem daarom bidden (vers 11).
Het goede. Brood dus? En kleren?
Een huis en een goede baan? Genezing en uitredding?
Dat zal wel. Jezus heeft in hoofdstuk 6 niet voor niets ,gesproken over Gods zorg zelfs voor de bloemen op het veld en voor de vogels die langs de hemel vliegen. Die worden door Hem ook gekleed, ook gevoed. Hoeveel te meer dan wij! Maar Jezus noemde dan ook al dát soort levensbehoeften alleen maar, om duidelijk te maken, dat we ons dáárom eigenlijk helemaal geen zorgen hoeven te maken. Waar het om gaat, wat het eigenlijke is, - dat is het koninkrijk van God. Als het je daarom begonnen is, dan komen al die andere dingen vanzelf wel. Die zijn het voornaamste niet, het beslissende niet. Wat centraal staat voor ons mensen, dat is dit ene: dat we burgers zijn van Gods rijk. Dat we leven als kinderen van onze Vader die in de hemelen is.
En wat dat inhoudt, - daarvan staat de "bergrede" vol. Dat heeft ':ezus op allerlei manieren duidelijk gemaakt, toen hij sprak over zachtmoedigen en barmhartigen en vredestichters. En toen Hij zei: doe als God. Vergeef je vijanden, bidt voor hen die je de das om doen, zegen degenen die jou wegschoppen.
Je kunt dat ook samenvatten met de woorden van de apostel Johannes: zó wandelen als Jezus gewandeld heeft.
Als je één ding van de God van Jezus verwachten mag, dan is het dat.
Dat, en dan komt de rest vanzelf.
Dan kómt de rest: brood, kleren, genezing, voorspoed, geluk. Die rest kómt: vroeg of laat. Maar ze komt.
Want dat alles zit vast aan dat ene: kind zijn van het rijk; wandelen zoals Jezus het deed.
Jezus heeft het koninkrijk verkondigd.
Hij heeft gezegd: zó leeft een kind van het rijk. En toen heeft Hij zelf het ons voorgedaan. En als Jezus dat gezegd heeft en dat gedaan heeft, dan zegt Hij: zoeken jullie nu dat rijk. Ga als kinderen van God leven.
Zoekt het rijk daar, waar het te vinden is. Bij God. Bidt Hem er om, en je zult het ontvangen. Klopt bij de God van dat rijk aan, en God doet zijn deur voor je open. Dat is zijn goede gave, die Hij gegarandeerd heeft als je Hem er om. vraagt. Dat is de heilige Geest. (Luk. 11 : 13).
Dat het daarom gaat bij ons bidden en zoeken en kloppen, dat we leven als Jezus geleefd heeft, - dat blijkt nog eens ten overvloede uit vers 12: alles nu wat gij wilt wat u de mensen doen, en doet gij hun ook aldus, want dit is de wet en de profeten.
Je vraagt je, als je dat woord hier leest, even af: wat heeft dat nu te maken met zoeken en vinden, bidden en ontvangen, kloppen en opengedaan worden? Zo met de mensen omgaan, als je graag wilt dsr ze het met jou doen, dat is nog wel iets anders dan: van God krijgen wat je van Hem vraagt. Iets heel anders dan: merken dat God er echt is.
Is dat iets anders? Nee, daar gaat het nu juist om. Als je ooit merkt dat God geen sprookje is, dan hieraan, dat je gaat leven zoals Jezus geleefd heeft. Want juist daaraan onderken je - zegt alweer de apostel Johannes - dat je werkelijk in Hem bent. En dat Hij in jou is.
Is God er wel? De God van Jezus?
Door die vraag worden we allemaal vroeg of laat overvallen. Zeker op die momenten dat we door de loop die ons leven neemt, door de dingen die ons overkomen, de crisis waarin we geraakt zijn, tot de laatste ernst worden teruggedrongen. Als we geen weg meer vooruit zien en, doodmoe, niet meer verder kunnen of verder durven.
We zouden er misschien nog wel de moed toe hebben, we zouden misschien toch n08 wel weer een stap vooruit willen zetten, als we maar wisten dat het waar was: van God en van Jezus, van het heil en van het leven. Van Gods nabijheid, nu. Van Gods hand die ons vasthoudt en ons meeneemt. Van Gods liefde die voor niets staat. Van God zelf, die ons leven doet, is het moet midden in de dood en de ondergang. Als het maar waar was. Als we maar iets van -Hem merkten.
Weet je, zegt Jezus, - daar kun je uren over praten. Daar kun je nachten over tobben. Maar ~s je nu eens bij Hem aanklopte. Als je Hem nu eens hield aan dat waarvoor Hij zegt te staan. Als je Hem nu eens vroeg, niet om die dingen die bovenaan jouw verlanglijstje staan en die ook zo verschrikkelijk belangrijk voor je zijn, die je leven kunnen maken of breken.
Toch Hem dáárom niet vragen. Maar Hem vragen om dat ene: God, laat het merken dat U er bent. Laat me vinden wat ik bij U zoek. Ik wil zo graag wandelen als Jezus gewandeld heeft. Kapot misschien en onmachtig.
Opbotsend tegen de onmogelijke mensen om me heen en verscheurd van ellende. Met duizend vragen zonder antwoord. Maar toch: wandelen zoals Jezus gewandeld heeft.
Want als je dat vraagt aan God, als je Hem daarop aanspreekt, dan gebeurt het. Aarzelend misschien. En met de ene inzinking na de andere. Maar het gebeurt. Dan wordt je meegenomen door de onweerstaanbare liefde waarmee God zijn rijk vervult. Dan sta je toch op uit de dood en dan ga je leven. En dan merk je het, dat God bestaat. En dat Hij is zoals Jezus het heeft laten zien. En dut zijn heil triomfeert over alles. Zelfs over jouw onmacht en over jouw twijfel.
Dan gebeurt het. Dat kan niet anders.
Zo waarachtig als de Heere leeft. Die God, antwoordt, echt antwoordt, als we roepen tot Hem. Hij is er echt. En zou Hij ons dat niet laten merken, als we dit ene teken van Hem verwachten: dat we geloven als Jezus, dat we gaan wandelen zoals Jezus, dat we toch - tegen alles in - gaan lijken op Hem, onze Vader?
Kan dat, dat déze God, de God van Jezus, niets van zich merken laat?