De brief van Paulus aan de Galaten.

1977-01-07
  • Jaargang 21
  • nummer 1
Nieuwe vertaling met korte uitleg door W. K. Grossouw.
Katholieke Bijbelstichting, Boxtel. 1965. f 1,90.

In het in de titel genoemde werkje, dat circa 70 bladzijden telt, valt veel te waarderen. De vertaling laat zich goed lezen; het commentaar is, hoewel beknopt, indringend. En beide doen recht aan de levendigheid van Paulus' schrijfwijze.
Voortreffelijk is - om maar een paar dingen te noemen - de bespreking van de pericoop 5: 13-24, en de exegese van 'de elementen van het heelal' in 4: 3, Over vele details kan men natuurlijk twisten. Zo b.v. over de vraag, of de vertaling 'zelfzucht' voor 'sarx' (= vlees) in 5: 13 vlgg. helemaal gelukkig is - de schrijver attendeert overigens zelf op het onvolmaakte van die weergave, blz. 62 - en of die dan niet reeds in 3: 3, waar dezelfde tegenstelling ('vlees - geest') aan de orde is, had behoren gekozen te zijn. In 1: 16 acht ik 'in mij' (niet 'aan mij') de juiste weergave. (Grossouw laat dit alternatief weer uitdrukkelijk open.) De formulerinq van de grondtekst pleit hier voor; en zakelijk kan men verwijzen naar 2 Cor. 5 : 19: God heeft in Paulus de boodschap der verzoening gelegd; zo wordt in hem Christus openbaar. Maar bij zulke kleinigheden zullen we niet te lang stilstaan.
Soms laat het commentaar - dat in 't algemeen meer op het geheel dan op de onderdelen van de tekstpericopen ingaat - niet onbelangrijke détailproblemen ten onrechte geheel liggen, b.v. t.a.v. 2: 17, 18. Deze verzen, over de betekenis waarvan menigeen zich het hoofd heeft gebroken, behoren nog wel tot een stuk dat volgens Gr. “het hart van de brief" is "en de spil waar alles om draait", en waarbij hij uitstekende opmerkingen maakt over de samenhang met het voorafgaande autobiografisch-apologetische deel van de brief. M.i. zinspeelt Paulus ook in het weer opbouwen van wat eerst was afgebroken' op de wending in Petrus' gedrag. Eerst had deze (na een openbaring, Hand. 10) in het voetspoor van Christus de muur die onder de oude bedeling scheiding maakte tussen jood en heiden, nl. de wet, neergehaald (Ef. 2 : 14). Later, als er wetticistische christenen uit Jeruzalem komen, bouwt hij die weer op.
Maar daarmee gooit hij zijn eigen glazen in. Zodra men nl. iemand onder de wet brengt, gaat diens zonde als overtreding tellen (vgl. Rom. 5: 13, 20 en Gal. 3: 19); sterker nog: de wet prikkelt den mens tot overtreding (Rom. 7!).
Dus niet (het geloof in) Christus (vgl. Rom. 6: 1-14), maar (het vasthouden aan) de wet werkt de zonde in de hand.
In het commentaar had in verband daarmee m.i, sterker beklemtoond kunnen worden, dat het in Galaten bijzonder om een waarschuwing gaat tegen terugval in het oude, reeds afgelegde leven (vgl. ook b.v. 3: 3). De schrijver heeft zich hier m.i, even laten meeslepen door zijn neiging tot theologiseren. (Hij excuseert zich aan het slot van deze passage overigens (met een in dit werkje vaker te constateren en zeer te waarderen zelfkritiek) over de "te lange en toch nog onvoldoende uitleg", blz. 28).
Die neiging speelt hem trouwens meermalen parten. Zo al dadelijk in het commentaar bij de eerste pericoop (1: 1-5), dat vragen oproept. De openbaring van Gods genade in Jezus Christus wordt daar geschetst als de realisering (het zich voltrekken) ervan in "de mens Jezus van Nazareth", die weliswaar een bepaalde, historische mens is, maar toch "voor het christelijk geloof de Christus, ... de universele mens": "dat is de zin van zijn 'verheerlijking'. En in het zicht van dit geloof kan men dan weer zeggen, dat elke mens juist als zodanig bij Jezus hoort, in een zekere zin Jezus is" (blz 11) Op z'n minst zou men hier toch i.p.v. "elke mens" willen schrijven "elke (christen) mens", zoals elders (blz. 28) gebeurt .. Het is echter de vraag, of men daarmee deze uitspraak van de auteur niet zou verminken; m.a.w. of hij niet werkelijk de volle ruimte opeist die het blote 'mens' biedt. Dat de christenmens "als zodanig" (d.w.z. als christen) bij Jezus hoort, is nl. een zo voor de hand liggende waarheid, dat ze niet dit betoog behoefde. Het lijkt mij dus, dat "als zodanig" inderdaad wil zeggen: als mens, krachtens zijn mens-zijn. En het zal niet zonder opzet geweest zijn, dat Gr., sprekend van "de realisering van Gods genade in de mens Jezus van Nazareth" het woord 'mens' liet curiveren.
Als ik dit betoog goed begrepen heb, maakt Gr hier Jezus tot 'model' van den begenadigden mens. Maar Jezus is volgens de Schrift inhoud, geen voorwerp van Gods' genade (vgl. b.v. 1 Cor. 1 : 4). Hij is wel zijn broeders verder in alles gelijk geworden, maar is hierin van hen onderscheiden, dat aan Hem geen zonde kleeft (Hebr. 4: 15). Gods genade aan mensen bestaat juist daarin, dat Hij Jezus Christus voor hen tot zonde gemaakt heeft (2 Cor. 5: 21). Het komt mij voor, dat Gr. de woorden "openbaring van Gods genade in Jezus Christus" verkeerd uitlegt. Als God Zijn genade toont in Jezus Christus (Ef. 2: 7), dan verschilt dat “in" principiëel van het "in" in b.v. 1 Tim. 1 : 16, waar Paulus zegt, dat Jezus Christus in hem al zijn' lankmoedigheid betoonde. Beide, Christus en Paulus, zijn weliswaar blijk van Gods genade, doch Paulus als een begiftigde, Jezus Christus daarentegen als' het geschenk. En als gever tevens, zoals uit de laatst aangehaalde tekst blijkt. Wanneer het om verlening van genade gaat, staat Jezus Christus niet aan de menselijke (ontvangende), maar aan de goddelijke (schenkende) kant, vgl. b.v. Rom. 1: 7, 1 Tim. I : I.
Als tweede punt, waarop ik fundamentele kritiek heb, noem ik Grossouws oordeel over Paulus' qebruik van het O.T. (blz. 31 vlgg). Of dit "over de hoofden van de brave Galatische hoorders-lezers heen" is gegaan, van wie Gr. zich "moeilijk kan voorstellen dat zij hem beter konden volgen dan de meeste moderne lezers", waag ik te betwijfelen.
Mozes had sinds vele generaties van stad tot stad predikers en werd elke sabbat gelezen (Hand. 15: 21).
Dat gold met name van Klein-Azië, waar de Joden zich een niet onbelangrijke plaats in de toenmalige wereld hadden verworven. Veel meer dan wij gewend aan geheugen training zullen zij veel beter dan de doorsnee moderne lezer in het O.T. thuis zijn geweest. En hoe intensief de apostelen, bij die kennis aansluitend, de eerste decennia van het Christendom hebben gearbeid in het (naar Christus' voorbeeld, Luc, 24: 27) doorlichten van het O.T. als sprekend van Christus, kan blijken uit een mededeling als in Hand. 19 : 8-10.
Grossouw wil weliswaar Paulus' vertolking van het O.T. niet als louter willekeur bestempelen, maar de Joodse interpretatie evenmin. "Hier botsen twee geloofsvisies op elkaar in een conflict, dat wezenlijk tragisch is, omdat beide eerlijk steunen op dezelfde grondslag, hetzelfde 'Oude Testament''' (blz. 32). Zo wordt echter Paulus' exegese in de subjectieve sfeer getrokken ("eerlijk"; vlg. even verder: "hij heeft bereikt dat de Christelijke kerk... op haar wijze 1) trouw is gebleven aan het oude boek"), en daarmee het waarheidsgehalte ervan gerelativeerd. Met volledig begrip voor de moeilijkheden die alle serieuze exegeten uit onze dagen op vele plaatsen ervaren waar ze Paulus het O.T. zien hanteren, zou ik willen opmerken, dat b.v. de interpretatie van de tegenstelling Izak-Ismaël in Gal. 4 : 21-31 een onmiskenbare voorloper heeft in Jezus' eigen twistgesprek met de Joden in Joh. 8 : 30-36.2) Men kan dus niet staande houden, dat Paulus "op een eigenzinnige manier de Schrift van het Oude Verbond hanteert" (blz. 54). Hij doet dat integendeel naar de stijl van zijn Heer 3) (van Wien we nog wel meer dergelijke, ons op het eerste horen vreemd voorkomende uitleggingen van oudtestamentische passages kennen, b.v. Matth. 26: 31). En van Zijn leer (dus ook van Zijn exegese van het O.T.). hoe nieuw ook, geloven we toch, dat ze gezaghebbend is (Marc. 1: 27), zulks in tegenstelling tot die der Joodse schriftgeleerden (Matth. 7 : 29).
Dat de bewuste methode van uitlegging "meer steunt op geïsoleerde teksten (zinnen) of zelfs bepaalde woorden dan op de wijdere samenhang, in historisch verband gezien" (blz. 31), waag ik te betwisten. Veeleer is het tegendeel waar: onze moeite om deze exegese te aanvaarden vindt juist vaak haar oorzaak in ons niet in rekening brengen van de context in zijn volle breedte en diepte. Zo zou b.v. Grossouw over het beklemtonen van het enkelvoud 'zaad' door Paulus in 3: 16 zich niet zo arrogant-misprijzend hebben uitgelaten ("een bedenkelijk soort redenering (Rom. 4, 13-16 is alweer beter, hoewel ook nog niet smetteloos)" ... "dit grammaticale spelletje, blz. 41), als hij gelet had op Rom. 9: - vreemd, dit verzuim; elders betrekt Gr. terecht herhaaldelijk Romeinen in de exegese van Galatenen op wat straks volgt in Gal. 4: 21-31 (waarbij Gr. N.B. zelf de aardige uitspraak van Burton citeert: Paulus heeft "de bedoeling de Galaten te laten zien, dat zij bezig zijn zich aan te sluiten 'bij de verkeerde tak van de familie''', blz. 54): uit Abraham kwamen twee (of eigenlijk nog meer, vgl. 25: I, 2) geslachten voort; doch slechts voor Izak, het zaad dat een geschenk van God was. gelden de beloften, nièt ook voor Ismaël, het zaad dat Abraham om zo te zeggen zijn eigen prestatie kon noemen.
Ten onrechte noemt Gr. Paulus' methode van uitleg in hfdst. 4 'allegorie'. Die is principieel anders, omdat ze naar willekeur voor historische feiten geestelijke grootheden substitueert. Paulus daarentegen stelt de geestelijke motieven in het licht die God in de feiten van (o.a.) Abrahams geschiedenis tot uitdrukking bracht. En hij doet dat, zoals gezegd, in het voetspoor van Jezus Christus, èn als enige onder de mensen Abrahams geschiedenis achteraf recht kon duiden, omdat Hij zelf die vooruit bepaald had: "eer Abraham was, ben Ik", Joh. 8 : 58.

1) Cursivering van mij (D.H.).
2) Zie over dat gedeelte mijn bijdrage in dit blad, 7de jrg., blz. 140.
3) Ik heb de indruk, dat de apostelen vaker dan wij vermoeden woorden van hun Heer uitwerkten. Enige tijd geleden wees ik op het verband van Openb. 6: 12 vlgg. met Matth. 24: 29 vlgg. (Opbouw 19de jrg., blz. 354). Dezer dagen trof me bij de Schriftlezing aan tafel, hoe Paulus in 1 Cor. 1': 18 vlgg. een motief van Jezus uit Matth. 11 : 25 overneemt en uitspint. Het zou de moeite waard zijn, dunkt me, dit punt eens nader te onderzoeken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief