Wat is wetticisme niet en wat is het wel?

1977-01-14
  • Jaargang 21
  • nummer 2
Nogmaals de rand
Verleden maal hebben we onze aandacht gegeven aan het voorschrift van Lev. 19: 9 "Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, zult gij de rand van uw veld niet geheel afmaaien ... ".
We hebben toen ook gezien, dat de latere joodse uitleggers dat voorschrift kennelijk te vaag vonden en dat zij in hun kommentaar hebben vastgelegd, dat men één zestigste van zijn land en dus van zijn oogst voor de armen moest reserveren.
Dat "verbeterde" voorschrift bespaarde het volk een "heilige moeite". Men behoefde zich nu niet meer te stellen voor het aangezicht van de HERE om vervolgens de armen van de omgeving in de ogen te zien. Neen, 't eindbedrag was nu bekend. De som behoefde niet meer gemaakt te worden. Men kon zich nu houden aan een vast getal.
En daar komen wij nu aan de weet wat wetticisme eigenlijk is.
Het is bepaald niet een nauwkeurig overwegen van wat de HERE van ons eist. Het is ook niet de vaste wil om het gehele leven in zijn dienst te stellen tot in de verste uitlopers. Was dat bij ons allemaal maar veel méér het geval! Neen, het heeft te maken met een algehele omkering van de wet van God. Die wet is niet meer de onderwijzing van 'de HERE die wij gelovig horen, maar ze is geworden een apparaat in onze handen waarmee wij ons veilig stellen tegenover de HERE. Gehoorzaamheid... een middel om Gods heil te bemachtigen.
En daarbij blijft - hoe kan het anders - het hàrt voor de HERE gesloten.
We worden om dat duidelijke beeld nog eens te herhalen de belastingbetalers, die korrekt het gevraagde éérst invullen en dàn betalen ... niet om ons aan onze overheden te qéven, maar om van hen àf te zijn. Zo loopt er èen weg van het voorschrift van die oude uitleggers door de eeuwen heen. Op die weg staat als een hoogte- en dieptepunt de aflaathandel die we kennen uit Luther's geschIedenis. Weer vroegen de mensen om het eindbedrag. Ze wilden hun belasting betalen om van God àf te zijn. Ze hadden er heus veel voor over. Maar ... wat ze afkochten, dat was in feite de overgave van hun hart en leven aan de HERE! Deze afschuwelijke omkering van de wet, dat némen van de wet in onze eigen hand om zo God te bemachtigen terwijl ons hart voor Hem
gesloten blijft ... dat is de kern van het wetticisme.

De tégenpool van het wetticisme
Het wetticisme is koud en doods.
Dat is zijn tegenpool eigenlijk ook. Te zou kunnen denken aan de Noord- en de Zuidpool van onze aarde. Tégenpolen, maar even doods en even koud! Laat ik voor de duidelijkheid verwijzen naar het bekende verband tussen de boom en de vruchten zoals ons dat in Matth. 7: 16-20 wordt voorgehouden. Het wetticisme stelt zich de hopeloze taak goede vruchten voort te brengen aan een boom die dood is. Zijn tégenpool maakt zich bezorgd om de boom zonder evenwel van vruchten te willen weten! Ik denk aan de mensen, die in de prediking het "evangelie" willen horen maar die het direkt "wettisch" vinden als de lijn wordt doorgetrokken naar hun konkrete levensvoering , naar hun wandel en handel. naar hun geldbeheer, naar hun zorg voor de naaste. Zij achten dat eigenlijk "ongeestelijk" en vinden dat zulke zaken in de preek en op het huisbezoek niet thuishoren, al geven ze toe, dat wij toch "ergens" (dat beroemde misselijke modewoord) in al onze levensverbanden God moeten dienen. Ergens wel, maar maak het nooit "hard"!
Op die manier wordt nog altijd ontzettend veel van het leven aan de HERE onttrokken en wordt zijn Woord nog steeds maar al te vaak gezien als een mooie rose wolk, die bóven ons bestaan zweeft maar die in dat bestaan niet landen kan. Wat is nu de ellende? Dat pool en tegenpool elkaar zo akelig goed in leven houden. Een wetticist roept uit, dat die vaagheid van de tegenpartij nooit Gods bedoeling kan zijn en dat de HERE in konkréto gediend wil zijn. Zeer wáár. Maar ... alleen als kritiek op de àndere kant. Niet als zelfverdediging!
Zo waarschuwt ook de man die zijn beurs er buiten wil houden met kracht tegen het gevaar van het wetticisme. dat de dienst van God in uiterlijkheden laat verlopen. Al weer zeer waar.
Maar weer alleen als kritiek op de tegenpartij en niet als zelfverdediging!
De "vrucht-zonder-boom" vecht de eeuwen door tegen de "boom-zonder-vrucht" en ze vegeteren beide op de 'fout van de ander. Ze hebben elkaar nodig om de eigen naaktheid te bedekken.
"Feindliche Brüder" noemen de Duitsers dat. ' En de satan vertoont zich daarbij als de duistere jongleur die de balletles van het ene uiterste naar het andere werpt. Telkens weer worden we uitgenodigd te kiezen tussen twee dwaalwegen. Ze zijn elkaars tegengestelde en daarom denken we dat er toch wel één goed zal zijn.

De goede keus
. Als we dan toch willen kiezen, laten we dan kiezen tussen de Farizeeër van Lukas 18: 9-14 en de bekeerde tollenaar Zeeheus van Luk. 19 : 1-10.
Het merkwaardige is, dat ze allebei konkrete getallen noemen: De farizeeër vast twee maal per week en geeft tienden van al zijn inkomsten.
terwijl Zacheüs de helft van zijn bezit aan de armen zal geven en viervoudige vergoeding belooft van wat hij heeft afgeperst.
Toch ging de farizeeër naar huis zonder gerechtvaardigd te zijn. terwijl Zacheüs het evangelie van de redding van zijn huis mocht horen.
De farizeeër gebruikte zijn getallen om zich tegenover de strenge eis van de HERE te beveiligen en daarbij gebruikte hij zijn naaste als een donkere achtergrond voor het licht van zijn eigen voortreffelijkheid. Daarom ging hij leeg naar huis.
Zacheüs ontdekte zijn getallen op de weg waarop hij door de genade van Christus was gebracht, op de weg van de overgave aan de HERE. Daarom "gebruikte" hij zijn naasten ook niet meer maar gaf zich ook aan hèn over. Dáár hebben wij het verschil tussen de echte dienst van de HERE en het wetticisme.
Het zit hem niet in de konkreetheld en in de getallen. De vraag is alleen: Waar komen die getallen vandaan? Worden ze ontdekt in het licht van Gods genade ... dan is het goed. Worden ze uit Gods handen gerukt om het leven tegen zijn eisen te garanderen, dan is de wet omgekeerd en dan wordt God de grote buitenstaander tegen wie men zich beveiligen moet. De boom is dood.
het hart gesloten.
U moet eraan denken ... Zacheüs is niet "los" verkrijgbaar.
Maakt u hem los uit het verband van Christus' genade en maakt u zijn leven tot een navolgenswaardig ideaal. dan eindigt u... bij de farizeeër van het vorige hoofdstuk!
De genade van God in Zacheüs' leven. dat is juist het eigenlijke licht en de eigenlijke kracht.
We kunnen slechts handelen in het licht van die genade. En men kan ons slechts oproepen tot handelen "met beroep op “de barmhartiqheden Gods" (Rom. 12 : 1).
U moet geen wetticist zijn. Maar u moet vanuit Gods genade toch wèl de konkrete getallen ontdekken.
En u mag niet achteroverslaan als uw beurs in het gesprek betrokken W91'dt.
Boas kende het voorschrift van een zestigste niet... gelukkig niet! Anders was Ruth misschien wel "te laat" gekomen. Maar hij heeft voor Gods oog een konkreet getal volgemaakt. al heeft hij het bepaald niet angstvallig becijferd.
Kies niet uit twee dwaasheden.
Het wetticisme is 'n kwaad. Niet om het konkrete en niet om 't getal.
Maar omdat zijn konkretiseringen en getallen aan God worden ontnomen en in mènsenhand gesteld.
Niet omdat het eerbied heeft voor de dienst van God. maar omdat het in een radikale oneerbiedigheid die dienst vervormt tot een apparaat waarmee God "onschadelijk" wordt gemaakt .... althans zo denkt de mens het.
De boom èn de vruchten --- dàt is de waarheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief