JEREMIA

1977-01-14
  • Jaargang 21
  • nummer 2
Geef Mij uw hart. Wanneer je het tekstverband en de achtergronden wel in rekening brengt, krijg je een heel ander beeld. Dan hoef je niet te tomen aan het feit dat God offervoorschriften gaf in de woestijn. Natuurlijk gaf Hij toen zulke voorschriften.
En natuurlijk waren die voor Israël ook belangrijk. En natuurlijk wilde Hij ook dat ze zouden worden nageleefd.
Maar als Israël in de dagen van Jeremia in de veronderstelling leeft -dat her met de verhouding tot de HERE goed zit als die offervoorschriften maar gehouden worden, zonder dat er van een echte bekering in de levenswandel sprake is, dan zegt de HERE: De heilige manier waarop jullie offeren, kan Me geen lor schelen. Zulke voorschriften waarbij je rustig offerpraktijk en levenspraktijk van elkaar kunt scheiden, heb Ik nooit gegeven. Ik heb nooit gezegd, dat de verhouding tot Mij gebaseerd is op een stipte naleving van offervoorschriften. Integendeel.
Alle wetten die Ik gaf, hebben slechts één centraal thema: Geef Mij uw hart.
En daar mankeerde het bij Israël aan (7 : 24).
Ge hebt nooit uw hart aan Mij willen geven. Daarom hebt ge nooit mijn wetten gehoorzaamd.
Israël bracht wel offers. Het deed dat zelfs stipt en nauwkeurig volgens voorschrift. Maar dat is iets dat je kunt doen zonder dat het hart er wezenlijk bij betrokken is.
Daar kun je je zelfs in beijveren, zodat iedereen je een serieuze en vrome kerel noemt, terwijl je je in werkelijkheid niets aan de HERE gelegen laat liggen.
Zo was het hij Israël. Waar het in de wet tien diepste om ging had het nooit gedaan. Ook niet toen Jahweh zijn profeten stuurde, de een na de ander (7: 25-27). Zij hadden zich nooit ten aanzien van dit kernpunt bekeerd. Daarom kan de HERE in 7 : 28 van Israël zonder meer deze karakteristiek geven: Dit is het volk dat niet luistert naar de stem van Jahweh, zijn God, en dat zich zelfs niet door de oordelen van Jahweh op de goede weg laat brengen. Het is een door en door ongezeglijk en hardnekkig volk. De oprechtheid is verdwenen en teloorgegaan uit hun mond.

Corruptie
Van dat laatste geeft Jer. 9 : 1-9 een navrante uitwerking. Er wordt daar nogal wat opgesomd. Echtbrekers zijn het allemaal. Het is een trouweloze bende. Ze spannen hun tong als een leugenboog. Oneerlijkheid heerst in het land. Ze vervallen van kwaad tot erger.
Mij willen ze niet kennen (vs. 2, 3). De hele samenleving, de omgang met elkaar, is verziekt. Dat is er nu geworden van de gemeenschap der heiligen. Want daarover gaar het hier: over broeders onder elkaar. Niet een ieder is te vertrouwen.
Elke broeder is een aartsbedrieger (vs. 4). Ze groeten elkaar vriendelijk. Maar intussen belagen ze elkaar (vs.8).
Dat is het exacte tegenbeeld van wat de gemeenschap der heiligen volgens Ps. 133 zou moeten zijn.
De gemeenschap der heiligen is hier tot een aanfluiting geworden.
Zo door en door corrupt zijn de verhoudingen geworden, dat Jeremia het er zeker erg moeilijk mee heeft (vs. 1). Wist ik maar ergens ver weg in de woestijn een nachtverblijf voor reizigers. Dan maakte ik dat ik wegkwam. Dan verliet ik mijn volk (vs. 2). Je kunt nog beter in de woestijn zitten dan in de kerk, zegt Jeremia.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief