Op bezoek in de kampong
1977-01-14
(Soemba-Borneo 99) - Jaargang 21
- nummer 2
Gastvrij is de Soembanees en hij zal met veel woorden zijn bezoekers hartelijk welkom heten. Het contact is niet moeilijk.
Er is altijd wat te praten en tijd speelt geen rol.
Het samen gebruiken van een maaltijd mag je niet afslaan. Het wordt je niet eens gevraagd, het spreekt vanzelf en de kip is gauw geslacht, de rijst is spoedig bereid.
En als je dan niet bij een van je broeders komt, dan kan het gebeuren dat enkele veren van de kip in de kap van het huis gestoken worden en er straks ook een hapje rijst verhuist naar de nok van het huis. De marapoe krijgt óók zijn deel en die veren zijn daarvan een bewijs.
Vindt U het een kleine gave? Nee toch?
De marapoe krijgt toch als eerste de geur van het bereide? En eerst daarná eten de anderen. Nee, hij ontvangt ~ in de ogen van de Soembanees ~ alle eer. Hij mag tevreden zijn.
Zou dat zo niet gebeuren dan kan hij boos worden en je merkt dat soms veel later als ziekte de veestapel teistert of in je gezin komt. Het 'offer' lijkt voor ons ~ westerlingen ~ een premie, een afkoopsom, om een rustig en voorspoedig leven te hebben. Maar dat is het voor de Soembanees niet. Hij 'gelooft' dat hij deze traditie in stand moet houden en op goede voet moet blijven met zijn voorvaderen (marapoe). Zij zijn immers machtig?
In het gesprek komt naar voren, dat de christenen hun heil zoeken bij de HERE, Schepper van hemel en aarde. Er is er maar Eén, die àlles regeert, Hij wil ook de Soembanees tot Zich trekken. HIJ IS de Al-machtige, bij Hem vergeleken zijn alle marapoes niets waard. Luister toch naar Zijn boodschap! Vanzelfsprekend is hiermede een gesprek van enkele uren weergegeven. Dat alles kan slechts heel eenvoudig en rustig verteld worden. De gastheer echter luistert, beleefd en misschien wel bedoeld en er zijn zelfs andere luisteraars bijgekomen.
En hij vraagt nadere uitleg aan zijn bezoeker.
Hoe is dat dan wel en hoe merk ik dat? Wat moet ik dan doen om die gróte Marapoe van U, van de blanke mensen te vereren? De vertelling gaat verder, de boodschap wordt gebracht.
En eindelijk komt de grote vraag: maar kunt U dan de verzekering geven, dat als wij Uw Heer gaan dienen, dat er dan nooit meer hongersnood komt? Zal er dan altijd voorspoed zijn voor ons en onze kinderen? Zullen onze tuinen grotere opbrengsten geven dan tot nu toe?
En hebben we bij het baden in de rivier dan ook een beveiliging voor de krokodillen?
Waar het op neer komt is: worden we ei beter van? en is dat zeker?
Want als dat niet zo is, waarom zullen we dan de marapoe, die in onze kampong al van oude tijden offers ontvangt en die ook ons huis bezoekt, vergeten of inruilen tegen de Uwe?
Dit is één van de grote moeilijkheden, waarvoor de predikers van het Evangelie op Soemba staan. Hoe het hárt van de Soembanees te raken? Hoe hem te onderwijzen, zodat hij er iets van leert verstaan dat er geen vergelijking mogelijk is van de 'wereldqeesten' met onze Vader, in de hemelen.
Dat kan- niet in één bezoek. Dat kunnen ook mensen niet van zichzelf. Dat kan enkel de Geest, die harten opent. En Hij gebruikt de dienst van mensen daarvoor.
En dat is in de situatie op Soemba dan - naar wij geloven - de dienst van de goeroes. Zij toch zijn stamgenoten, mede-kampongbewoners; Zij hebben eenzelfde huidskleur en kunnen hun landgenoten 'in hun eigen taal' vertellen van Gods grote werken. Zij zijn daar, in dat donkere land, samen met de gemeenten als een licht op een kandelaar. Door woord en daad. En zij ontvangen onderwijs, om uit-de-Schriften het brood des levens uit te delen. Daarop zijn alle cursussen gericht. Parai Puluhamu: plaats van de goede boodschap.
Bidt voor deze evangelisten, dat zij bekwaam zijn om het rijke evangelie te brengen, om daar rusteloos mee voort te gaan. Bidt ook dat het Koninkrijk van onze Heer dáár kome en dat Hijzelf Zich spoedig openbare aan de hele wereld.