JEREMIA
1977-01-21
De woestijn in- Jaargang 21
- nummer 3
Laten we eerlijk zijn: vandaag zeggen velen dat Jeremia nog na.
Hoevelen hebben hun kerk (ook de onze) niet verlaten zonder dat er bij hen sprake was van een direct verzet tegen Christus, maar omdat ze het in die kerk niet meer konden handen. Ze werden wanhopig door de dodelijke kilte die er heerste of door een eindeloos geharrewar.
Er zijn er geweest die week aan week niets anders meemaakten dan heftige woordenwisselingen als er over de kerk of over een preek gepraat werd. Ze werden geconfronteerd met venijnige roddelpartijen over broeders en zusters.
Ze leefden in een sfeer van vijandschap tussen broeders en zusters van een en dezelfde gemeente.
's Zondags zaten ze nog quasi eendrachtig bij elkaar in de kerk en knikten ze vriendelijk naar elkaar.
Maar de dienst was nog niet uit of ze spuugden hun gal over elkaar uit.
Toen zijn er heel wat geweest, die het niet uithielden en die zeiden: je kunt nog beter in de woestijn zitten dan in de gemeenschap der heiligen. En ze hebben de daad bij het woord gevoegd. Ze hebben de kerk verlaten en zijn de woestijn ingegaan. Echt de woestijn.
En ze deden het heus niet omdat ze de woestijn op zichzelf zo aantrekkelijk vonden, maar omdat de gemeenschap der heiligen nog verschrikkelijker geworden was dan de woestijn.
Dwaas
Ook bij Israël was de gemeenschap der heiligen verziekt. Intussen brachten ze wel hun offers in de tempel. Dat gebeurde zelfs nauwkeurig naar de voorschriften in de wet. Daar waren ze nog wel een beetje trots op ook. Er leefde bij hen weer een zeker bewustzijn: wij zijn het volk van Jahweh.
Hadden ze niet onlangs het verbond met Hem hernieuwd (2 Kon. 23 : 3)? Waren ze niet besneden?
En dan die teruggevonden wet!
Die hadden ze dan toch maar weer (Jer. 8: 8). Nu hebben we de wijsheid weer in pacht, zeiden ze.
Maar de HERE zegt: Ze kennen Mij niet. Ze weigeren Mij te kennen (Jer. 9 : 2, 6). U moet bij deze verzien weer even goed op het verband letten. Daaruit blijkt dat de weigering om Jahweh te kennen uitkomt in het feit dat het in de gemeenschap der heiligen zo heidens toegaat.
We denken walk: als het in de gemeente met de onderlinge verhoudingen niet deugt, kan de verhouding met Christus toch nog wel goed zijn. Maar de HERE zegt hier: als de gemeenschap der heiligen verziekt is, bewijst dat dat de verhouding tot God ook niet goed is. Waar men elkaar het leven als broeders en zusters zuur maakt en waar het klimaat in de gemeenschap der heiligen zo onleefbaar wordt dat je nog beter in de woestijn kunt leven dan in de kerk, daar weigert men God te kennen. Dan kan men wel trots zijn en pochen op het bezit van Gods Woord en beweren de wijsheid in pacht te hebben, maar dan zegt de HERE: Wat een dwaze gedachte. Niet het bezit van mijn Woord is voldoende. Het komt erop aan dat het gedaan wordt.
En dat doen ze nu juist niet. Terwijl ze pochen op het bezit er van, hebben ze het feitelijk verworpen.
Wat voor wijsheid hebben ze dan nog (Jer. 8 : 9)! Met mijn Woord op zak zijn ze dan dwaas geworden.
Ware wijsheid
Als contrast met die dwaasheid staat er in Jer. 9 : 23, 24 iets over de ware wijsheid, Die bestaat niet in het roemen op wat wij hebben en bezitten en bereikt hebben. Dat doen wij, mensen, wel vaak. Dan geven we op van onszelf, van onze gemeente, van wat wij allemaal kunnen en doen en presteren.
Laat dat maar, zegt de HERE.
Roem maar in Mij. Jahweh, die goedertierenheid en recht en gerechtigheid op aarde doet. Goedertierenheid en recht en gerechtigheid zijn allemaal woorden die thuis horen in de sfeer van het verbond. Ze geven aan dat Jahweh loyaal is aan zijn verbond: en dat Hij zijn verbondsbeloften honoreert, maar ook de verbondsdreigingen als het volk het verbond verbreekt door niet te leven naar Gods Woord.
Het volk ging er prat op dat het verbond hernieuwd was. Maar dat roemen had geen inhoud. Roem in Mij, zegt Jahweh. Dat is roemen op de goede manier. Ken Mij zoals Ik werkelijk ben. In mensen die dat doen, heb Ik behagen.