Is de kerk wel werelds genoeg?

1977-01-21
  • Jaargang 21
  • nummer 3
Het boek "De Kerk-winkel van weinigen of supermarkt voor velen?", waarin mr. Schelhaas zijn lekenoverpeinzingen over een kerk, die boeit, werft en herkenbaar is heeft neergelegd, is een vlot geschreven geschrift, dat je het liefst in één ruk uitleest.
Alleen maar, dan moet u dat niet doen, zoals ik het deed, nl. op statenvergadering van Overijssel. Ik was zo verdiept in dit boek, dat een vraag van een statenlid mij ontging. Als gedeputeerde kun je dan moeilijk zeggen, dat je bezig bent het pas verschenen boek van mr. Schelhaas, hoofd Voorlichting van de provincie Overijssel te lezen. Ik heb toen, niet helemaal naar waarheid, gezegd, dat ik de vraag niet goed begrepen had.
"Schelhaas is een vlotte spreker en schrijver. Zijn woordkeus is vaak prikkelend. Nu eens om het gelezene te overwegen, dan weer om het tegen te spreken.
De bedoeling van schrijver is, als gewoon kerkmens, te laten zien, waarom de kerk momenteel weinig werfkracht heeft, met name bij de jeugd. Waarom komt de kerk niet over, terwijl zij toch een brengster is van een blijde boodschap? Een vraag, die ons allen moet bezig houden.
Hij wil discussiestof aandragen "niet door een kerkprelaat of kerkdiplomaat. maar een gewoon-vrijuitsprekende-leek-in-het-diensthuis-voor-de-wereld."
Een typisch Schelhaziaanse zin, zoals u er velen in dit boek kunt aantreffen. Overigens vraag ik me wel af, of Schelhaas wel een echte leek is. Ik zou hem eerder een amateur-theoloog willen noemen.
Schelhaas noemt vele oorzaken, waarom de kerk in haar verschijning "niet aan-trekkelijk" is.
Hij vraagt zich af, of de kerk wel gevoelig is voor wat deze "wereld" beweegt en beroert. Is de kerk wel werelds genoeg, zo formuleert hij nogal prikkelend.
Veel bezwaren, die hij tegen de kerk naar voren brengt, zijn ons niet onbekend. Zo wijst hij op de logge struktuur van de kerkorganisatie, het hoogkerkelijk denken van velen, het overheersen van de theologen en de theologische wetenschap, de verwaarlozing van het ambt aller gelovigen, het spreken van een taal, die de jongeren niet meer aanspreekt, de verdeeldheid van de gereformeerde gezindte, het er buiten laten van de jeugd in de kerkelijke organisatie.
Vele van zijn opmerkingen zouden zo maar uit de pen van een "buitenverbander" gevloeid kunnen zijn.
Het is ook duidelijk, dat zijn vader, wijlen dr. Schelhaas, grote invloed op zijn denken heeft gehad, al wijkt hij in andere opzichten nog al van zijn vader af. Treffend is daarbij, dat Schelhaas, evenals in zijn vorige werk "Een en al oor" laat zien, hoe zeer hij zich met zijn vader verbonden voelt.
Voor ons zijn wellicht minder sprekend zijn opmerkingen over gebrek aan gebundelde publiciteit en de vaak ineffeciënte besteding van de inkomsten van de kerk.
Als je dit boek leest heb je de neiging de ene keer te applaudisseren. Hij zegt het toch maar raak. Even later schud je dan weer je hoofd en zegt: neen, Schelhaas nu overdrijf je. En een volgende maal: neen, man, hier sla je de plank mis.
Scherp, maar terecht is zijn kritiek over het kerkelijk organisatiepatroon met zijn talloze deputaatschappen.
Hij laat daarbij het woord "Radenrepubliek" vallen.
Terecht wijst hij op het vergeten ambt in de kerk, het ambt aller gelovigen. Ook zijn pleidooi tegen het gebruik van kansel taal sprak mij aan. Jezus sprak ook niet de "tale Kanaäns".
Wanneer een vreemdeling in de kerk komt, hoort hij vaak een taal, waarvan hij weinig begrijpt en die hem weinig aanspreekt.
Mijn vader beweerde eens, dat hij zo trachtte te spreken in de kerk, dat kinderen van 12-14 jaar hem konden begrijpen. Dan is er kans, zo voegde hij er wat kryptisch aan toe, dat ook de ouderlingen en diakenen mij kunnen volgen, Overigens wordt het gebruiken van de normale omgangstaal op de kansel wel steeds moeilijker. Die omgangstaal moet nl. wel de taal van de Bijbel zijn.
Het wordt steeds lastiger de woorden van de Bijbel weer te geven in de taal, die wij in het dagelijks leven hanteren. De taal op de kansel zal daarom soms helaas. wel eens wat afwijkend moeten zijn.
Dat was ten tijde van de totstandkoming van de Statenvertaling anders. Deze Statenvertaling sloot ook niet in alle opzichten bij de volkstaal aan, maar de invloed van deze Statenvertaling was zo groot:, dat ze de volkstaal zeer beïnvloedde. Van een dergelijke invloed kan in onze tijd geen sprake meer zijn.
Schelhaas toont zich nog al. ontzet over het feit, dat er in Nederland mensen zijn, die oproepen de weg terug te gaan naar de Statenvertaling, de enige echte vertaling.
Ik zou die oproep niet willen ondersteunen, maar wel moet erkend worden, dat de Statenvertaling als vertaling van de grondtekst huizenhoog boven alle andere vertalingen uitsteekt.
Zeer goed kan ik me vinden in zijn opmerking, dat men zich op de kansel moet hoeden voor de theologenvaktaal.
Daarom begrijp ik niet, dat Schelhaas zelf in zijn boek bij voorkeur uitdrukkingen gebruikt als "de Gans Andere" en “de Grote Bevrijder". Dat zijn ook theologisch gekleurde vaktermen. Niet alleen, dat de kleur mij niet aanstaat, ze lijken me ook bepaald ongeschikt om een vreemdeling in Jeruzalem duidelijk te maken wie God is.
Schelhaas is verder bewust of onbewust nog al eens eenzijdig.
Zo wijst hij erop, dat Jezus in alles van het gewone, het geregelde afweek. Dat lijkt me minder juist. Zo lezen we van Jezus, dat hij niet afweek van de gewoonte om op de sabbathdag naar de synagoge te gaan. Jezus maakt onderscheid tussen goede en slechte regels en gewoonten. Alleen de laatste kegelt hij ondersteboven.
Enige malen trof mij de opmerking, dat het bij het Evangelie niet gaat om het praten, maar om het doen.
Is het wel juist om zo'n scheiding tussen beide aan te brengen. Ik weet wel, dat soms te eenzijdig de nadruk gelegd wordt op het belijden. Dat mag ons er echter niet toe brengen, in reaktie daarop, het beleven eenzijdig te benadrukken.
Het hebreeuwse woord "dabar" betekent zowel woord als daad. Voor de Joden viel heel dat begrip van spreken en doen samen. Wat dat betreft kunnen we nog wel iets van de "tale Kanaäns" leren.
Belijden en beleven behoren bij elkaar en laten wij ons ervoor wachten een van beide eenzijdig naar voren te schuiven. Tegen hen, die hoog opgeven van de kinderdoop, zegt hij met een beroep op ds A. G. Luiks, dat zij wel moeten bedenken, dat doop door onderdompeling van ouderen geen onbekend gegeven is. Luiks laat in zijn boek over de bediening van de doop in de oud christelijke kerk echter zien; dat de doop door onderdompeling al in de oud christelijke kerk plaats vond bij kinderen. Luiks voert juist sterke argumenten aan voor de kinderdoop. (Ter vermijding van misverstand: Schelhaas is zelf ook voorstander van de kinderdoop.) Schelhaas pleit ervoor, dat de leek een inbreng krijgt bij de Woordverkondiging. Eventueel samen op de preekstoel: de dominee, de arts en de archeoloog.
Hij vindt samenspel van de predikant met mensen, die op andere gebieden deskundig zijn, geboden.
Achter deze suggestie wil ik toch een groot vraagteken plaatsen.
Wat zullen de preken dan vervelend worden!
In de prediking zal ons het Evangelie gebracht moeten worden.
Dat betekent niet, dat we in een preek pasklare antwoorden krijgen voor allerlei praktische problemen.
Dan zou de prediking ook het nodige gezag missen.
Schelhaas vindt, dat de kerk niet werelds genoeg is.
In bepaald opzicht val ik hem hier bij. Maar laat de kerk toch vooral kerk blijven, verkondiger van het Evangelie alleen Al die deskundigen, die Schelhaas noemt, kunnen en moeten ons wel helpen bij de praktische problemen.
Maar als 't u blieft niet vanaf de kansel. Het zo belangrijke facet, de Woordverkondiging, komt er bij Schelhaas toch wat te karig af. Ik zeg Schelhaas na.
dat dit moet gebeuren in de taal van onze tijd, eenvoudig enz., maar het belangrijkste is toch, dat het onvervalste Evangelie gebracht wordt.
AI het andere is, hoewel van betekenis, tenslotte secundair.
Schelhaas constateert, dat de geref. kerken een modaliteitenkerk geworden zijn. Laten we elkaar nu maar aanvaarden en niet gaan twisten, zo meent hij.
Kuitert zegt het wel anders. Wiesinga spreekt zijn taal. Maar nuances moeten we kunnen verdragen.
De vraag is echter, of er in de geref. kerken geen fundamentele verschillen openbaar zijn geworden. De synode sprak toch uit, dat Wiesinga een essentieel bestanddeel van de confessie aantast en dat hij tekort doet aan de rechte prediking van het Evangelie?
Is de klacht, dat men vaak stenen in plaats van brood krijgt, helemaal ten onrechte Wanneer Schelhaas vermaant, dat de boodschap van de Heer niet met harde uitspraken moet worden belegd, is dat in het algemeen juist.
Kijkt hij daarbij echter niet teveel naar een bepaalde kant?
Kuitert komt er bij hem nog al goed af, al wijst hij erop geen Kuitert-fan te zijn.
Mij persoonlijk komt wat Kuitert schrijft vaak als vrij hoogmoedig over, met verachting voor de schare, die de theologie niet kent.
Tenslotte, het verbaasde mij, dat Schelhaas, hoewel hij vele organen noemt, die op kerkelijk gebied voorlichting geven het Friesch Dagblad niet noemde. De uitstekende voorlichting van dit blad kan juist hem toch niet onbekend zijn.
Nu ben ik de discussie met Schelhaas al begonnen.
Ik hoop, dat velen de handschoen opnemen, want de zaken, die hij noemt zijn de moeite waard om te overwegen en door te praten.
Maar leest u het boek zelf.
Het zal u niet vervelen.
Het is geschreven in begrijpelijke taal. Ook voor jeugdorganisaties is het als studieboek een nuttig geschrift.
Een behoedzaam predikant zou er aan toevoegen, dat je het boek kritisch moet lezen. Naar mijn opvatting moet je dat echter met elk boek doen.
Voorts bedenke de lezer van dit artikel, dat hierin de ene "leek" de andere "leek" bekritiseert.

1 dec. 1976. J. Meulink

Mr. H. Schelhaas, "De Kerk, winkel voor weinigen of supermarkt voor velen".
Prijs f 11,50. 84 blz. Uitg. Kok, Kampen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief