Vlammen aan de horizon (4)
1977-01-28
Mink van Rijsdijk vertelt in haar boek – zo zagen we vorige keer – boeiend over haar land. Maar ook over de Soembanezen zelf. Grit vindt het maar moeilijk om aansluiting bij hen te vinden.- Jaargang 21
- nummer 4
Ze bezoekt een oud echtpaar. Hij is emeritus-predikant. Heel vroeger was hij opgenomen geweest in het gezin van Grits grootvader, “de pendita”. “Het vrouwtje was klein en schriel, haar ingevallen borstkastje had iets aandoenlijks versletens. De tandeloze mond liet donker verkleurd tandvlees zien, gevolg van het sirih pinang kauwen, dat ze kennelijk veel jaren had gedaan. (... ) Haar man moest ongeveer even oud zijn, maar zijn kleine gestalte was zo martiaal.
zijn manier van kijken zo onverschrokken en heerszuchtig dat het vrouwtje, dat een paar passen achter hem stond, er nog kleiner en kwetsbaarder door leek te worden. (... ) De stramme, blote benen van de oude Liku waren vuil en stoffig, de kain, die hij om zijn lendenen droeg was vaal en versleten, zijn overhemd in nog slechtere staat. Emeritus dominee, dacht ze, de weldoorvoede en goed geklede weleerwaarde heren in Holland moesten hun collega eens zien." En dan laat Liku haar de brieven zien, die pake hem vanuit Holland schreef. "In iedere brief vermaande hij mij. Dat was goed, want ik ben een verstokte zondaar.
Daarom was het goed dat hij mij vermaande. Hij was hard, maar zo moest hij ook zijn. Ja, hard waren zijn woorden, maar hard was hij ook voor zichzelf. Je moet slaaf zijn Liku, schreef hij, slaaf van de Heer,"
Moeilijk is voor haar de omgang met haar eigen hulpen, de usi’s uit de kampong. Als er eens een inheemse vrouw langs komt, blijkt deze de moeder van een van de meisjes te zijn. Maria zal binnenkort moeten vertrekken, want ze gaat trouwen en dan blijkt ze, 16 jaar, de derde vrouw te zullen worden van een 70 jaar oude, rijke man. Een oemboe, iemand van adel. De bruidschat, mbelis, is al geregeld. Ze vraagt haar dan “Geloof je dat het goed is te trouwen met een oude man, die niet in God gelooft?" en krijgt als antwoord "Ik geloof wat ik geloof. De oemboe eert mij en mijn familie door mij te huwen. (... ) Ik zal zeker naar de kerk gaan en luisteren naar de genade die God over mij uitstort,"
En als ze dan na een poosje Maria nog eens opzoekt ontdekt ze dat "van de vrijmoedige, frisse usi niet veel meer over was dan een schimmig vrouwtje met een dikke buik, dat zwijgend en schuw op haar hurken zat en met neergeslagen ogen een nauwelijks verstaanbaar ja of nee liet horen op pogingen tot een gesprek." Dat ze dan daar kapot spreekt ze er één van de Soembanese predikanten over aan en die zegt duidelijk "Ik ben tegen de adat, die de mbelis voorschrijft. Maar ik heb mijn lestje al geleerd. Mijn vrouwen ik zijn uit liefde getrouwd, het was haar vrije wil ja tegen mij te zeggen.
Ik heb mijn vrouw tegen de wil van haar ouders in en zonder bruidschat te betalen tot de mijne gemaakt en heb dus met de adat gebroken. En weet u wat dat voor gevolgen heeft gehad? Toen ons kind nog geen maand oud was, werd het door de familie van mijn vrouw weggehaald. Begrijpt u?” En wat zeiden de collega’s? “Dat Filippus dom is, dat Filippus er beter aan deed de bruidschat te betalen en dat daarna vanzelf alles goed komt.” En wat gebeurt er met een meisje, dat zich verzet tegen de wil van haar ouders? “Haar vader sluit haar op in een tuinhuis, iedere dag zal hij langskomen om haar af te ranselen net zolang tot ze toegeeft. Als ze wijs is, zal dat vlug zijn, maar als ze volhoudt - ach dan krijgt hij haar ook wel murw en daarna mag de bruidegom komen. Zo gaat dat. Ik schaam mij diep dat ik u dit vertellen moet. De mbelis is een vloek voor mijn volk."
Zulke verhalen vertelt ds Goossens in zijn correspondentie ook. Niet alle zijn ze even hard. Er is in de gemeenten ook bij velen een buigen voor Gods Woord. Maar soms ook steekt het heidendom de kop op.
Bezit van vee is voor de Soembanees zo iets geweldigs, het verschaft hem aanzien. En daar doe je wat voor!