Prediking en geloof

1977-01-28
  • Jaargang 21
  • nummer 4
Misschien wel meer dan ooit is momenteel de prediking in discussie.
En dan de prediking in al haar aspecten. Zelfs wordt de vraag gesteld of de prediking op de wijze waarop zij tot nu toe in praktijk werd gebracht niet verouderd is en door nieuwe vormen van “verkondiging", met name door de "dialoog", moet worden vervangen.

Aan prof. Oosterhoff werd gevraagd iets te schrijven over de relatie van prediking en geloof. Hij voldeed aan dat verzoek. uitgaande van een referaat van prof. Wisse. gehouden in 1941 op een predikantenconferentie, over het thema “Plaats en betekenis van het geloof in de bediening des Woords", Uit het artikel van prof. Oosterhoff neem ik het volgende over.
Het heeft God behaagd door de prediking het geloof in onze harten te werken.
Maar dan is wel belangrijk wat als prediking gebracht wordt. In zondag 7 van de katechismus wordt gezegd. dat de Heilige Geest het geloof in het hart werkt door de verkondiging van het evangelie. Dus moet de prediking. zal door haar geloof worden gewerkt.
evangelie zijn. de blijde boodschap van genade en verlossing voor verloren zondaren.
Een verkeerde prediking kan het werk van de Heilige Geest tegenstaan en zelfs verhinderen. Daarom is de verantwoordelijkheid van de prediker zo groot. Het gaat niet om zijn stokpaardjes.
ideeën of inzichten. Het gaat om de verkondiging van het evangelie. Door dat evangelie wordt het geloof gewerkt en ook steeds weer versterkt. We hebben de verkondiging van het evangelie nodig om tot het geloof te komen. maar ook daarin te blijven en uit het geloof te leven. Zie zondag 25 van de Katechismus.
In het evangelie komt God tot ons met rijke beloften van zijn genade. De rechte prediking is belofte-prediking. En nu geef ik prof. Wisse het woord.
Hij wijst er op dat de bediening des Woords geschiedt temidden van een gedoopte gemeente Gods. Dat houdt in dat de prediking zal “moeten doorweven zijn van de verbondsgedachte", Wij komen - aldus Wisse - met de prediking "tot een volk (de gemeente van Christus). jegens hetwelk God zich in een bijzondere en genadige verhouding heeft gesteld. reeds vanaf het verloren paradijs; daar was het reeds een opzoekende God. die de heerlijke moederbelofte schonk uit het verbond der genade."
"En al nader en omlijnder en gedetailleerder heeft. God dit verbond bekend gemaakt bij Abraham; en hetzelfde nog eens klaar bevestigd in de Petruspreek op den Pinksterdag; in het: U komt de belofte toe."
"In dat verbond komt de Heere tot Zijn volk en hun zaad niet slechts (dat óók) als de gewillige om te behouden; maar bepaald als de gewillige die zichzelf aan dat volk wegschenkt. De inhoud luidt niet maar: Ik wil uw God worden; maar Ik ben uw God. Het "Ik wil" is een boodschap. die tot alle menschen komt; gelijk de apostel zegt: God wil dat alle menschen tot kennis der waarheid komen. Maar het "Ik ben" is de speciale inhoud van de verbondsboodschap aan de gemeente Gods."
Het verbond der genade komt tot ons ..met een volzalige belofte. waarop het geloof zich moet richten. om dezelve hartelijk te omhelzen."

En wat houdt die belofte dan in? "Men kàn antwoorden: Christus en al Zijn weldaden.
Of ook: de belofte van genade; van volkomen vergeving en het eeuwige leven." "Er is geen belofte of Evangelieboodschap van schuldvergiffenis dan in Christus. En Christus is niet anders dan in het gewaad der belofte."
En dan wijst Wisse er vervolgens op dat belofte meer is dan toezegging.
Christus wordt "weggeschonken als een acte Gods. als een daad door God alleen volbracht. een daad van verlossing."
Het is bijzonder belangrijk wat Wisse hier zegt. Men zegt wel eens. dat Christus in de prediking in al zijn dierbaarheid.
genoegzaamheid en gewilligheid de gemeente moet worden voorgesteld.
En dat is ook zo. En heerlijk als dat gebeurt. Maar toch is de prediking meer. Christus moet niet alleen worden voorgesteld. Hij wordt, zoals onze Katechismus het zegt, geschonken. De prediking is meer dan een etalage. waarin de dingen worden uitgestald. Dan klemt de vraag: maar hoe kom ik er aan? De prediking is de hand van God. die ons Christus en al zijn weldaden schenkt.
En het is het geloof waardoor wij er deel aan ontvangen. Het geloof is als het ware de hand. waardoor wij wat God ons schenkt aannemen. Dat wordt zo prachtig geformuleerd in het dankgebed van het avondmaalsformulier: Wij danken u. dat Gij ons Uw eniggeboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden geschonken hebt en dat Gij ons geeft een waarachtig geloof, waardoor wij zulke uwe weldaden deelachtig worden.

Juist voordat ik dit artikel van prof. O. las hadden mijn vrouwen ik "aan tafel" het aangrijpende hoofdstuk 20 van de profetieën van Ezechiël gelezen. Dat bevat het vernietigend requisitoir dat God uitsprak over het doen van zijn volk Israël door alle eeuwen heen. van de uittocht uit Egypte tot aan de ballingschap .
De HEERE begint dat met te herinneren aan het grootste van alle wonderen waarvan de historie van Israël gewaagt.
namelijk de uittocht uit Egypte. Daarop ziet niet alleen Israël maar ook God zelf later steeds terug.
In zijn requisitoir zegt de HEERE dat de Israëlieten in Egypte de afgoden hebben gediend. Hij noemt die de "afschuwelijkheden" en de "schandgoden" van Egypte. Maar de HEERE koos - om redenen die niet in dat volk maar in Hem gelegen waren - Israël uit om zijn volk te zijn. Hoe dat toeging zegt God door Ezechiël zo: "Ten dage dat Ik Israël uitverkoos. zwoer ik hun - er staat letterlijk: met opgeheven hand heb ik hun gezworen - zeggende: Ik BEN de HEERE uw God." Vier maal komt die uitspraak in dit hoofdstuk voor.
Dit woord: Ik BEN de HEERE uw God is een van de geweldigste. wonderlijkste en rijkste woorden uit de hele Bijbel. Want in en door dit woord MAAKT God Zich tot de God van het nog in afgoderij verstrikte volk! En MAAKT Hij dat volk tot Zijn volk.
sluit Hij het verbond met Zijn volk.
Het volk dat vlak nadat God dit gezegd heeft toch nog weer gaat dansen om het gouden kalf!
God zegt niet: als je dit en dat doet zal Ik je God zijn. Of: je moet er maar vurig om bidden dat Ik je God word. Of: wat zou het heerlijk zijn als Ik je God was! Neen, Hij zegt kort. duidelijk en zonder meer: “Ik BEN de HEERE uw God," Met die woorden begint God zijn verhouding. Zijn verbond met het volk.
Met die woorden verkiest Hij zijn volk uit de vele volken der wereld tot het Zijne.
En nog eens: dit betekent dat God Zich in ondoorgrondelijke genade aan dat volk geeft. dat Hij Zich tot de God aller genade van zijn volk maakt. Dit woord omvat alle heil voor de tijd en de eeuwigheid.
En dat woord van God meent Hij! Het is "serieus"! Aan dat woord hebben we genoeg in leven en sterven.
Wat zou God nog méér kunnen zijn.
geven en doen dan in dit woord besloten ligt? En God vráágt niets anders dan dat we geloven dat HIJ dit woord meent. om er daarna uit te leven, en ernaar te handelen, Deze uitspraak. deze "toezegging" van God is de korte formulering van de belofte die God aan zijn volk geeft. Die belofte is niet. wat ze gewoonlijk in de omgangstaal tot uitdrukking brengt.
een toezegging van wat in de toekomst door God zal worden gegeven of gedaan - al ligt dat er ook in! Neen, die belofte is vóór alles de vertolking van wat God hier en nu voor zijn volk wil zijn en daarom IS. Zij is kort en goed zijn liefdesverklaring. zijn genade-openbaring aan zijn volk.
In deze belofte is als “kern" daarvan.
de beloofde Verlosser, Jezus Christus, besloten. Hij zelf met de volkomen verlossing die Hij door zijn zelfofferande aan het kruis en zijn opstanding tot stand gebracht heeft. Jesaja noemt Hem kort en goed het verbond des volks. In Hem is de belofte van God ja en amen.
Jezus Christus is om zo te zeggen het verpersoonlijkte verbond. En in de belofte van het Evangelie geeft HIJ zich aan allen die in Hem geloven. Bekleed met de belofte van het Evangelie, zo zegt Calvijn. is Jezus Christus onder ons en schenkt Hij zich weg met alles wat Hij voor de zijnen verwierf.
Ik ervaar het altijd als een - zo niet het hoogtepunt in de kerkdienst als God, door de mond van de dienaar van Zijn Woord, tot de samengekomen gemeente zegt, verzekert: ..Ik BEN de HEERE, uw God die u uit het diensthuis van de afgoderij en de slavernij heb uitgeleid."
Dat woord meent God toch?
Ik geloof dat een dienaar van het Woord van God deze belofte nooit ernstig en nadrukkelijk genoeg kan lezen. Want kan de gemeente ooit méér van God ontvangen dan het onbeschrijfelijk vele en grote dat God in dit woord om zo te zeggen heeft "verpakt" en aan de gemeente aanbiedt?
Ik ben - om meer dan één reden! - blij dat Oosterhoff op zo'n voortreffelijke wijze over dit wonder geschreven heeft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief