Een goed tegenwicht
1977-02-04
Vóór mij ligt een boek, waarover ik graag in de rubriek Kerkelijk Leven iets wil zeggen, omdat er zich rondom de gedachte die erin wordt voorgedragen, inderdaad een stuk kerkelijk leven afspeelt en dat niet alleen bij ons. Ik bedoel het boek van dr W. J. Ouweneel "De ark in de branding" (Buijten en Schipperheijn, Amsterdam 1976). In het afgelopen najaar heeft de schrijver in Amsterdam een reeks avonden belegd, waarop hij, met name voor de jeugd op de middelbare scholen, gesproken heeft over het onderwerp dat hij ook in dit boek behandelt en dat ik nu maar aanduid als de verhouding tussen Bijbel en natuurwetenschap. Die avonden zijn een succes geworden. Wat heb ik daar veel jeugd gezien. Collega's trof ik daar met heel hun catechisanten-klas. Dr Ouweneel is een meeslepend spreker, die zijn zaken heel boeiend weet te brengen en een overvloed van gegevens voorschotelt. In de pauze een van mijn eigen catechisanten tegen het lijf lopend, vroeg ik hem, een jongen van vijftien jaar nog, naar zijn mening en verbazend evenwichtig kwam er uit wat ik in de titel hierboven verwerkt heb: Het is in ieder geval een goed tegenwicht tegen wat we op school horen.- Jaargang 21
- nummer 5
Een goed tegenwicht, zo denk ik er ook over. Er wordt buiten onze kring, maar ook wel onder ons, vrij fel gereageerd tegen de aanpak van dr Ouweneel en zijn medestanders.
Dat kan ik, zodra we in details treden, ook wel begrijpen, want ik heb dan zelf ook mijn bedenkingen. Maar toch geloof ik dat dr O. in hoofdzaak een goede zaak bepleit, namelijk dat Bijbel en wetenschap het over dezelfde werkelijkheid hebben en dat we dus mogen zoeken naar overeenstemming tussen beide.
De neiging bestaat bij velen om de Schrift, en dan wel vooral de eerste hoofdstukken van Genesis, niet langer op de geschiedenis, op wat gebeurd is, te laten slaan.
In dat geval bestaat er dus helemaal geen conflict tussen Bijbel en wetenschap. Zelfs de mogelijkheid er toe ontbreekt, want ze raken elkaar niet eens. Maar met die voorstelling kan ik het on~ mogelijk eens zijn. Want het mag dan waar zijn, dat -- om maar iets te noemen -- de hoofdfiguur uit het paradijs-verhaal na-adam, 'de mens', heet en dus eigenlijk een verzamelnaam draagt waarin iedereen, 'elkerlîck', onverschillig uit welke tijd afkomstig, zich kan herkennen, -- het is tegelijk waar dat deze 'ha-adam' in Gen. 5 de persoonsnaam 'Adam' draagt, waardoor hij inderdaad een van anderen te onderscheiden persoon is, de eerste van de zeer lange rij die na hem gekomen is. De Bijbel bedoelt wel degelijk óök historische berichtgeving te doen in de beginhoofdstukken van Genesis.
Dat ben ik met dr Ouweneel gloeiend eens.
Maar ik treed natuurlijk weer te vlug in de beoordeling. Laten we eerst eens een stukje proeven van de kost die dr O. ons voorzet.
Eigenlijk heeft hij 't in zijn boek niet eens zo over de schepping, maar over de zondvloed. Door de bijbelse gegevens over de zondvloed als historische berichtgeving serieus te nemen meent hij veel verschijnselen in de aardkorst te kunnen verklaren zonder de hulp van een evolutie-theorie.
Hij komt daarbij tot opmerkelijke stellingen, die ik op z'n minst interessant vind. Ik laat 'n aanhaling volgen, die ik om twee redenen koos. In de eerste plaats geeft ze een indruk van de kenmerkende dingen die dr O. te berde brengt.
En in de tweede plaats komt er een zin in voor, naar aanleiding waarvan ik een schijnbaar futiele, maar toch scherpe vraag wil stellen.
Het citaat is genomen uit een verband, waarin de schrijver nadenkt over de vraag hoe alle diersoorten tot Noach in de ark hebben kunnen komen. Het is duidelijk dat hij met deze vraag tot zijn liezen toe door de spot en hoon heen moet waden. Maar dit dapper en opgewekt doende komt hij dan op pag. 103/4 te schrijven: "Maar de vraag rijst, hoe we dan wèl uit deze impasse geraken. Ik geloof dat de hele kwestie berust op een verkeerde vooronderstelling, en wel dat het aardoppervlak er vóór de zondvloed in grote lijnen net zo uitzag als vandaag.
Dit is namelijk ondenkbaar. Als de zondvloed inderdaad wereldwijd was en verliep op de wijze zoals de Bijbel die beschrijft, dan moeten de uitwerking en gevol~ gen ervan zo immens katastrofaal geweest zijn, dat het totale aardoppervlak tot in zijn 'fundamenten' (de stollingsgesteenten) werd omgewoeld. Ik geloof dat die creationalistische geologen (dat zijn aardkorstdeskundigen, die in 'creatie' d.i. schepping, in plaats van in evolutie geloven, H.d.J.), die tot ge conclusie gekomen zijn dat een aanzienlijk deel van de afzettingsgesteenten in en kort na de zondvloed moeten zijn gevormd, in hoofdlijnen gelijk hebben ... En als zij inderdaad gelijk hebben, dan kan er nauwelijks enig verband zijn tussen de geografie van vóór en die van ná de zondvloed. -- Als zij bovendien daarin gelijk hebben, dat er vóór de zondvloed inderdaad een dicht watergewelf op de onderste luchtlagen rustte (ongeveer vergelijkbaar met de dampkring van Venus) dat moet er toen een zeer gelijkmatig klimaat geweest zijn over de hele aarde, zodat er waarschijnlijk helemaal geen poolstreken of woestijnen bestonden. Als we dan bovendien nog aannemen dat alle tegenwoordige continenten toen nog één continent vormden (en ook daarvoor zijn aanwijzingen), dan begrijpen we dat alle hierboven genoemde bezwaren tegen èen wereldwijde bijeenverzameling der dieren geheel vervallen ...
Zoals gezegd, hier staan enkele kenmerkende ideeën bij elkaar, die in de rest van het boek natuurlijk breder uitgewerkt worden: de gedachte dat de wereldwijde zondvloed aansprakelijk moet worden gesteld voor allerlei onregelmatigheden in de aardkorst; de gedachte dat een soort waterkussen rond de dampkring (= 'de wateren die boven het uitspansel zijn' van Gen. 1: 7) vóór de zondvloed zorgde voor een zeer gelijkmatig en zeer behagelijk klimaat, waarbij de mensen zeer oud konden worden. Bij de zondvloed is dan dit waterkussen als het ware leeg gelopen, doordat de 'sluizen des hemels' geopend werden (Gen. 7 : 11). De gedachte dat er aanvankelijk één aaneengesloten continent bestond, met de oceanen daarom heen, waar opnieuw de zondvloed verandering in zou hebben gebracht. Zeer kenmerkend is ook dat zo'n bijbelse term als de 'fundamenten der aarde' door dr O. verklaard wordt met een modern geologisch woord als 'stollingsgesteenten'. Dat doet mij uit de verte wat denken aan de gelijkstelling van het bijbelse 'naar zijn aard' (Gen. 1) met de 'soorten' in de biologie. Men is daar mee vastgelopen, als ik me niet vergis, en het voorbeeld zou daarom misschien een baken in zee kunnen zijn.
[Ik heb wel eens gedacht: zou dat 'naar zijn aard' uit Genesis 1 niet verklaard moeten worden in verband met het 'naar Gods beeld', dat van de mens gezegd wordt?
Terwijl planten en dieren 'naar hun aard' zijn geschapen: zij hebben hun betekenis in zichzelf, is het bij de mens zo, dat hij met heel zijn bestaan verwijst naar God, zodat er zonder de Here God erin te betrekken geen zinnig woord over hem te zeggen valt -- een aanwijzing hoe hachelijk het met de zgn. neutrale menswetenschappen gesteld is?] Maar nu die schijnbaar onbeduidende vraag. Die stel ik naar aanleiding van de zin, dat er nauwelijks enig verband kan zijn tussen de geografie van vóór en die van ná de zondvloed: Een ogenblik van de juistheid hiervan uitgaande, denk ik nu aan een verklarende opmerking die we in het paradijsverhaal tegenkomen. In Gen. 2: 14 wordt van de Tigris gezegd, dat die ten oosten van Assur stroomt. Dat Is exact de situatie zoals Israël die kende.
toen het met de Assyriërs te maken had: oostelijk van de stad Assur stroomde de Tigris. Daarvan zegt de Bijbel dus dat dat vóór de zondvloed ook al het geval was. Moeten wij nu aannemen, dat enerzijds de zondvloed een zo diep ingrijpende gebeurtenis is geweest dat in de aardkorst op vele plaatsen werkdijk de onderste steen is boven komen te liggen, terwijl anderszijds zo iets oppervlakkigs als een rivierbedding intact gelaten is? Ik kan dat moeilijk geloven. Loopt dus dr O.'s werkwijze (de bijbelse gegevens op gelijke voet met de natuurwetenschappelijke behandelen) op dit détail niet vast?
Er is natuurlijk meer in te brengen tegen dr O. dan dit kleine punt. Maar het gaat niet om de veelheid, maar om de kracht van de argumenten. Daarom, uitgaande van deze bedenking, geloof ik te kunnen zeggen, dat dr O. bij heel zijn goede strijd om aan de historiciteit van de aanvangshoofdstukken in het boek Genesis vast te houden, te veel wil weten en daarom over zijn doel heen schiet. Hij zoekt naar overeenstemming tussen Bijbel en »retenschap en daarin val ik hem bij.
Ik geloof ook dat hij zeer terecht inziet, dat het in de wetenschap en in 't bizonder ter zake van de evolutie-theorie allemaal niet zo objectief toegaat als je dat misschien zou denken; dat er achter de natuurwetenschap wel degelijk een geloof, een ideologie als drijfveer zit, die bijvoorbeeld met behulp van een evolutieleer korte metten wil maken met een verantwoordelijk begin van ons mensengeslacht, waarin niet maar iets fout gegaan is met ons, maar fout gedaan is door ons.
Aan de andere kant geloof ik dat dr Ouweneel te weinig rekening houdt met een manier van werkelijkheidsvoorstelling, een wijze van geschiedenisbeschrijving in de Bijbel, die wij weliswaar nog steeds niet precies kunnen omschrijven, maar waarvan wij wel kunnen zeggen dat de aanduiding ‘zintuigelijk waarneembaar' ervoor op z'n minst ontoereikend is. Dat is behoedzaam gezegd. Ik hoop 't een volgende maal wat uit te werken.