De wetenschap en Genesis
1977-02-18
Het vorige artikel nog eens doorlezend, stuit ik op drie dingen, waarop ik nog wat nader in wil gaan. Dat is in de eerste plaats mijn gebruik van het woord 'symbolisch', (dat bijvoorbeeld de namen van de twee paradijs-rivieren symbolisch zouden kunnen zijn). Verder heb ik geschreven, dat het karakter van de bijbelse werkelijkheidsvoorstelling wel eens zodanig zou kunnen zijn, dat wij daaraan geen gegevens kunnen ontlenen voor een wetenschappelijk doel, tenzij dan in een zeer algemene en tamelijk vage zin. Het gaat me daarbij om die schuin gedrukte bijzin; die wil ik wat nader uitwerken. En tenslotte de zin: “Mij schijnt het toe, dat de Bijbel in haar werkelijkheidsvoorstelling, in vergelijking met die van de wetenschap, met een dimensie meer, met een soort vierde dimensie dus, werkt". Wat bedoelde ik daar precies mee?- Jaargang 21
- nummer 7
Laat ik met deze laatste vraag maar beginnen. Voorop stel ik dat het spreken over een vierde dimensie voor mij een verlegenheidsspreken is. Ik weet niet eens goed, wat daaronder verstaan moet worden. Zoals alle mensen ben ik slechts vertrouwd met de driedimensionale wereld, die van lengte, breedte en hoogte.
Maar in het afgetrokkene weet ik met een tweedimensionale werkelijkheid - het platte vlak "van enkel lengte en" breedte ook iets aan te vangen, zoals een schooljongen die zich met een planmetrisch vraagstuk bezig houdt. Wat we dus zonder veel moeite kunnen doen is de tweedimensionale en de drie-dimension als werkelijkheid met elkaar vergelijken en dan als het ware de overgang van de ene in de andere werkelijkheid ondergaan. Aldus kunnen wij er misschien een heel vaag vermoeden van krijgen hoe ingrijpend de werkelijkheid zou veranderen, wanneer er aan de driedimensionale wereld een dimensie toegevoegd zou worden.
Laten we bijvoorbeeld eens een globe, een papieren wereldbol die driedimensionaal is. uit elkaar halen. We weken de opgeplakte wereldkaart eraf en leggen die neer in een tweedimensionaal plat vlak. We krijgen dan een eigenaardige figuur: een soort ceintuur van de evenaar, met aan weerszijden een reeks gelijkbenige driehoeken, basis aan basis naast elkaar. Stel je nu eens voor; dat je op die plat neergelegde bol metingen gaat verrichten. Je meet met een duimstok de afstand tussen Amsterdam en Tokio en je telt de open stukken tussen de driehoeken mee. Dan krijg je een aanmerkelijk hoger getal dan wanneer je op de bol vóór de sloping diezelfde afstand met een centimeter had opgenomen. Het is een beetje een gek voorbeeld, omdat iemand niet zo gauw die open stukken zal meetellen. Toch, je kunt 't je indenken. En de fout die je bij het meten van de afstand gemaakt hebt, wordt pas gecorrigeerd, als je de bol weer in elkaar hebt gezet.
Welnu, met dit verhaal voor ogen heb ik wel eens de neiging, misschien wel een erg domme neiging, aan een wetenschapsman die de ouderdom van de aarde tracht te meten, de vraag te stellen: weet u eigenlijk al, wat u aan het meten bent? Zou het misschien kunnen zijn dat u in de werkelijkheid waar het boek Genesis van vertelt: een door God geschapen wereld, te maken hebt met een werkelijkheid, die els het ware een dimensie meer bevat, zodat al uw berekeningen in de werkelijkheid van Gods openbaring correctie en mogelijk drastische correctie behoeven, wil er aan het totaal recht gedaan worden?
Natuurlijk, wanneer men de fout maar consequent begaat en alle metingen in het platte vlak van de uitgelegde wereldbol verricht, dan krijgt men een systeem van gegevens dat op ons de indruk van orde en zelfs geslotenheid kan maken, maar aan het geheel ligt dan toch een gezichtsbedrog ten grondslag. Zo zou het wel eens kunnen zijn, dat er aan de basis van het hele wetenschappelijke bedrijf van een optisch gebrek gesproken moet worden, dat maakt dat we de werkelijkheid niet dan vertekend kunnen bezien.
Dat betekent zeker niet dat alle gegevens waar de wetenschap mee komt, fout zouden zijn of nergens op zouden slaan, maar voor werkelijke wereldverklaring zijn ze ontoereikend. Slechts als werk ... hypothese zijn ze bruikbaar en bewijzen ze ook hun bruikbaarheid - tot op zekere hoogte.
Zo heb ik dus nu naar twee kanten een vraag gesteld. Naar de zijde van hen, die de gegevens van Genesis als wetenschappelijk bruikbare gegevens beschouwen.
heb ik de vorige maal gevraagd: weet u al van welke soort de werkelijkheidsbeschrijving is. die de Schrift met name in de eerste hoofdstukken van Genesis hanteert?
En naar de kant van de wetenschap, die haar werkelijkheidsbeschrijving aanbiedt als een juistere dan de bijbelse, stel ik nu de vraag: bent u er wel zeker van, dat u de volle werkelijkheid beschrijft? Of ziet u voor volle werkelijkheid aan, wat in feite een vertekening is? Is er voor u geen reden om al uw getallen en stellingen onder een reuzegroot voorbehoud aan te bieden?
Maar als ik zo naar twee kanten vragen stel, wat blijft er dan nog over van mijn stelling in het eerste artikel van deze reeks, dat namelijk beide, Bijbel en wetenschap, zich met dezelfde werkelijkheid bezig houden? Heb ik nu immers niet een kloof aangebracht met dat verhaal over die dimensies?
Hier kom ik toe aan de tweede verduidelijking die ik wil maken.
Dat er namelijk slechts in een zeer algemene en tamelijk vage zin naar overeenstemming tussen Bijbel en wetenschap gezocht kan worden. Niet alle details van Bijbel en wetenschap kunnen als stukjes van een leqpuzzel in elkaar worden gepast.
Maar wel zal een bijbelgelovige hartstochtelijk nèe zeggen tegen 'n evolutieverhaal dat met miljarden jaren rekent. Ik kan dat van een christen-geleerde altijd moeilijk begrijpen. dat hij vredig met zulke fabelachtige hoge getallen kan werken en die voor laatste waarheid kan houden. De wereld verliest door die onmeetbaarheden voor mij haar 'huiselijkheid' en 'overzichtelijkheid'. die ze in Genesis 1 bij alle grootheid en majesteit (vgl. Joh. 37 en 38) onmiskenbaar heeft: een huis met een dak er op (uitspansel) , gestoffeerd met gras. groen en bomen, verlicht door lampen (zon, maan en sterren). bewoond door huisdieren en dan ook door de mens.
Er verandert kwalitatief iets met de wereld. wanneer je in tijd en ruimte met onoverzichtelijkheden werkt. "De oneindige ruimten verschrikken mij", zei Pascal. Is dat de bedoeling van de Schepper?
Is onze wereld een wereld om van te schrikken? Jesaja zegt van de aarde: "niet tot een baaierd heeft Hij haar gemaakt, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd." (45: 18). Dat uitspansel bijvoorbeeld van Gen. 1. dat dak boven ons hoofd, zou dat voor de bewoonbaarheid van de wereld niet van het allergrootste belang zijn? Alles goed en wel, zegt iemand, maar die onmeetbaarheid is er nu eenmaal, zeker in het ruimtelijke, maar waarschijnlijk ook in het tijdelijke, -of we dat nou fijn vinden of niet. En inderdaad, dat maakt de aarde waarop we wonen tot een nietigheid en een toevalligheid.
We hebben het toch zelf voor de t.v, gezien: dat blauwe bolletje, drijvend in een zwarte zee van oneindigheid? - Toch zou ik willen opmerken, dat we onszelf ook toen met een aards beperkt oog hebben gezien. Zeker, we hebben dat oog de ruimte in geschoten, zodat het de schijn had dat we onszelf door de ogen van een ander zagen, maar het was een aards geconditioneerde waarneming van de aarde. Zoals altijd nog van alle waarnemingen geldt dat ze aards geconditioneerd zijn.
(In die zin is de aarde nog steeds het middelpunt van het heelal.) Dat zou ons bescheiden moeten maken. "Voor zover wij zien"zouden we bij al onze wetenschappelijke beweringen moeten zeggen, "voorzover wij met aards beperkte en beslagen ogen zien".
Er is dus wel degelijk, in mijn opvatting, een bijbelse stem, waarnaar de wetenschap moet luisteren.
Ik bedoel dat niet zo, dat de wetenschap gebonden is aan die zesduizend jaar, die door sommigen wordt voorgesteld als de bijbelse tijdrekening van de wereld, want voor zulk rekenen lenen zich de bijbelse gegevens niet.
Maar in een meer algemene zin gaat er van de bijbelse voorstelling van schepping en geschapen wereld een aandrang uit, ook tot de wetenschap, om de zaak overzichtelijk te houden en niet mee te werken aan een wereldbeeld dat angst verwekt. Een wereldbeeld ook, waarbij het onzinnig wordt om uit te zien naar de wederkomst van Jezus Christus.
Want er is, zoals Klaas Schilder al zei, een eigenaardig verband tussen de leer van de eerste dingen en de leer van de laatste dingen.
Wie achteruit in miljarden jaren heeft leren denken, heeft naar voren toe moeite met het 'Zie, Ik kom spoedig'. En wanneer nu de wetenschap op soliede gronden toch meent met zeer hoge getallen te moeten komen, laat ze dan de eerbied en de bescheidenheid opbrengen om onder voorbehoud te spreken en het bij werkhypotheses te laten. Over 'n poosje immers kijken we misschien weer totaal anders tegen de werkelijkheid aan. Niet dat we dan van ons optisch gebrek afgeholpen zullen wezen - dat blijft wel zo in deze bedeling maar het zal zich weer anders manifesteren.
Volgende week nog iets over dat moeilijke woord 'symbolisch', niet minder een verlegenheidsterm.