In memoriam Herman Dooyeweerd

1977-02-18
  • Jaargang 21
  • nummer 7
Met een schok van ontroering zullen zij die hem echt gekend hebben het overlijdensbericht van prof. dr Herman Dooyeweerd hebben ontvangen. Want Dooyeweerd ontmoeten en kennen betekende een levenservaring die tot in het hart ging en daarom heel het leven doortrok.
Dooyeweerd was een geleerde van ongewoon formaat. Met nagenoeg iedere man van wetenschap kon hij als gelijke discussiëren. Maar hij was véél meer dan dat! Hij was vóór alles een denker, een wijsgeer, die volgens een competent beoordelaar de meest oorspronkelijke filosofie heeft ontwikkeld welke in ons land ooit werd voortgebracht.
Maar dit alles raakt niet de kern van zijn leven en werk. Dat alles was voor hem middel, geen doel. In een zware levensworsteling was het voor hem een heel het leven beheersende realiteit geworden dat ieder mens en met name iedere wetenschapsbeoefenaar, beheerst wordt door een religieuze, d.w.z. aan alle denken en handelen voorafgaande in het hart worstelende stellingname, die alle levensuitingen voluit beheerst. En hij zag daarbij met ongewone klaarheid dat die religieuze stellingname altijd is: öf een door Gods openbaring overwonnen worden door de machtige realiteiten van de schepping der kosmos door God, de fatale afval en verdorvenheid van de mensheid en de radikale en integrale verlossing der wereld door Jezus Christus - óf door een of ander afvallig religieus pagaan grondmotief. En zo werd Dooyeweerd de filosoof van de antithese en juist dáárdoor een reformatorisch filosoof.
Het enige populaire boek, dat hij ons over de door hem gepropageerde filosofie gaf, begint dan ook met een meer dan honderd pagina's tellende hoofdstuk over de antithese. *)
Wanneer Dooyeweerd in gesprek kwam met andere denkers - en hij deed dat heel graag - dan werd zo'n dialoog steeds een aangrijpende geestelijke worsteling om de gesprekspartner tot het Inzicht te brengen dat ook diens denken beheerst werd door een religieuze positiekeuze, welke die ook mocht zijn. En meermalen slaagde hij daarin en bracht zo zijn opponent tot een zelfkennis die hij voordien niet bezat. Zo'n dialoog was een gebeuren dat men nooit vergat.
Want vooral ook daarin openbaarde Dooyeweerd zich als een aristocraat naar de geest.
Als een reformatorisch christen nú de levensworsteling van Dooyeweerd overziet wordt hij bevangen door groot verdriet.
Dooyeweerd zag - met Vollenhoven - scherper dan wie ook de verschijnselen in de kuyperiaanse wereld die bij de doorwerking daarvan tot haar ineenstorting moesten lijden. Met name de scholastieke denkmotieven en de pogingen met niet- of antichristelijke levensopvattingen die daarin leefden en hun ontbindende werking uitoefenden.
En hij zwoegde om die aan het Licht te brengen en de ogen van hen die er in verstrikt waren daarvoor te openen.
Maar het is hem slechts ten dele gelukt.
De scholastiek behaalde in de jaren veertig binnen de gereformeerde wereld - in concreto door een stel “leeruitspraken" - een Pyrrusoverwinning, die het begin van het einde van de Kuyperiaanse aera inluidde. Zoals in de na-reformatorische tijd hebben ook in die jaren de epigonen de destructieve motieven in het werk van de grote voorgangers gecultiveerd in plaats van geëlimineerd en hun wezenlijke "Anliegen" niet verstaan en vruchtbaar gemaakt in de nieuwe constellatie van de na hen komende tijd.
Deze gang van zaken wordt helder gedemonstreerd door Dooyeweerds intense relatie met zijn grote voorganger Kuyper.
Dooyeweerd was allerminst een "kuypertaan" en het volstrekt tegengestelde van een "epigon" van Abraham de geweldige.
Er is niemand die Kuyper zo diepgaand heeft gekritiseerd als hij. Hij zag de zwakke zieke plekken in diens oeuvre tot op de bodem. Maar hij stelde die in het licht als geestverwant van wat Kuyper ten diepste bewoog, namelijk de erkenning van de souvereiniteit van de levende God over heel het leven en het koningschap van Jezus Christus in hemel en op aarde. En hij deed dat opdat het Schriftuurlijke, het reformatorische in het levenswerk van "de klokkenist der kleine luyden" niet verstikt, maar dienstbaar gemaakt zou worden aan de voortgang en bloei van het door God geschonken reveil van de vorige eeuw.
Deze instelling van Dooyeweerd is mij nooit duidelijker geworden dan bij de herdenking van Kuypers honderdste geboortedag.
In het weekblad "De Reformatie" publiceerde hij toen het eerste concept van zijn kritiek op Kuyper. Ik schreef daarin een opstel over Kuypers opvatting omtrent de "souvereiniteit in eigen kring". Dat werkte ik later om voor - een afzonderlijke publicatie. Ik vroeg Dooyeweerd de copy daarvan door te nemen. Hij deed dat en toen hij mij die na enkele dagen terug gaf zei hij - ik vergeet dat nooit: "Ik wist niet dat ik zo weinig origineel was! Het essentiële van wat ik zeggen wil heeft Kuyper al vóór mij gezien en gezegd."
Maar, globaal genomen, werd Dooyeweerd - en Vollenhoven - niet ernstig genomen. Met name niet door de theologen.
Ik heb dat nooit begrepen. En Kuyper èn Bavinck hadden meermalen betoogd dat de bloei van de gereformeerde wetenschap en het gereformeerde leven in beslissende mate van het ontwerpen een authentiek-reformatorische filosofie afhing. Was een intense kennisneming van Dooyeweerds pogen in deze niet het minste wat men kon doen? En was hij daarbij niet één van de sieraden van de Vrije Universiteit?
Neen, men heeft globaal genomen niet naar Dooyeweerd - en Vollenhoven geluisterd. En - naar mijn stellige overtuiging - is mee daardoor het gereformeerde leven een prooi geworden van allerlei synthese-theologie en filosofie: is de Vrije Universiteit als gereformeerde universiteit ten onder gegaan en beleven we "op alle terreinen des levens" de liquidatie van wat Algra het "wonder der negentiende eeuw" heeft genoemd.
En dit alles maakt het verdriet over het heengaan van Herman Dooyeweerd te dieper.


*) Deze antithese heeft niets te maken met een hoogmoedige opsplitsing van de mensheid in christenen en paganisten.
Ze gaat ook dwars door het leven van een gelovige heen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief