Over de "onsterfelijkheid der ziel" 1)
1977-02-18
Een van de kwesties waarover onder de gereformeerden nog steeds wordt gediscussieerd is die van de zogenaamde "onsterfelijkheid der ziel."- Jaargang 21
- nummer 7
Wij willen daarom ook daarover iets zeggen.
Om daarmee te beginnen: in de Europese kultuurwereld werd daarover, voor zover we weten, het éérst gesproken in de vroege historie van Griekenland.
Enkele eeuwen vóór Christus ontstond daar een religieuze opwekkingsbeweging die, naar een legendarische dichter-zanger Orpheus, de orphiek werd genoemd.
Die orphische religie gaat uit van een scherpe tegenstelling tussen het duistere aardse leven, dat zich in de kringloop van geboorte, sterven en opstanding beweegt, èn het bovenaardse leven in de lichtvolle sterrenhemel.
Deze scherpe tegenstelling komt nu ook en speciaal tot uitdrukking in de mens.
De mens heeft namelijk volgens de orphiek een "onsterfelijke ziel", die uit de boven-aardse lichthemel stamt. Die "ziel" is evenwel uit die hemel afgevallen naar die duistere aarde. En daar is zij nu in een stoffelijk lichaam als in een kerker opgesloten. Als gevolg daarvan wordt ze ook opgenomen in de kringloop van geboorte, sterven, wedergeboorte.
Telkens komt ze in een ander lichaam. Pas als zij zich van de besmetting van het materielichaam heeft gereinigd, kan die ziel, na haar kringloop in andere lichamen te hebben volbracht, weer terugkeren naar haar eigenlijke tehuis: de goddelijke lichtwereld met zijn onvergankelijke, lichtende bolvorm. In een orphische inscriptie heet het: "Ik ben een kind van de aarde, maar mijn afkomst is van de hemel."
Een andere griek, de grote denker Plato, hij leefde van 427-347 voor Christus, predikte eveneens met grote nadruk de "onsterfelijkheid van de ziel". Volgens hem bestaat de ziel uit drie delen: een "redelijk" deel, een “moedig" deel waarin o.a, de neiging tot zelfbehoud zetelt, en een "strevend" of "begerend" deel, de neiging der algemeen menselijke begeerten.
Het komt er voor een mens op aan een harmonie tussen deze drie zieledelen na te streven. Lukt dat niet, dan moet het “redelijke" deel de beide andere delen in toom houden, overheersen.
Volgens Plato is, evenals bij de orphici, het lichaam dekerker, de gevangenis van de ziel. In zijn beroemde dialoog, de Phaedo, spreekt hij herhaaldelijk over de "onsterfelijkheid van de ziel" in tegenstelling met de vergankelijkheid van het lichaam. In paragraaf 9 laat hij Socrates zeggen, dat de ware filosoof begeert te sterven. Dan kan de ziel de kerker van het lichaam ontvluchten en zich van de bezoedeling daarvan bevrijden.
Socrates noemt dat proces een "katharsis", een reiniging. "De ziel", zo betoogt Plato "gelijkt op het goddelijke, het lichaam op het sterfelijke".
In een ander geschrift de Timaeus spreekt Plato over de formering van de mens.
Daarbij is de Demiurg, de wereldvormer, betrokken. Zelf schept hij de mensen niet. Daarvoor is hij te hoog. Dat moeten de lagere goden doen! Plato laat dan die Demiurg dit zeggen: "Het gedeelte van de mensen, dat naar de onsterfelijken moet heten, daar het goddelijk genoemd wordt, en dat de leiding heeft (d.i. de ziel of liever het denkend deel der ziel dat volgens Plato alléén onsterfelijk is) zal ik zaaien en er het principe van leggen; maar wat het overige aangaat, moet gij de levende wezens formeren, door het sterfelijke aan het onsterfelijke vast te weven."
Er zouden nog meer griekse denkers te noemen zijn die de "onsterfelijklheid der ziel" leren. Maar dat is in een artikel als dit niet nodig. Ik wil alleen nog een paar romeinse filosofen noemen en citeren.
De Stoïcijnen - ook in de bijbel genoemd (Hand. 17: 18) - beschouwden evenals vele griekse denkers - de ziel van de mens als onsterfelijk. Zij noemen die het hegemonikon (het leidende principe) of wellogikon (het rationele principe) in de mens. Die ziel is een deel of fragment van de godheid. Eén van de stoïcijnse wijsgeren Seneca schreef in een brief: "Verwondert gij u, dat de mens naar de goden gaat? De godheid komt tot de mensen, neen, wat nog nader is, hij komt in de mensen.
Goddelijke zaden zijn in de menselijke lichamen gestrooid."
Een andere stoïcijnse filosoof. Epictetus, zegt: "Gij zijt een deel (elk een aftreksel. een apospasma) van de godheid. Gij hebt een deel van hem in u (namelijk de ziel). Waarom kent gij dan uw adeldom niet? Weet gij niet dat gij, wanneer gij eet, dat gij een god voedt.
een god met u omdraagt? Gij denkt, dat ik een zilveren of gouden godenbeeld bedoel. Neen, gij draagt hem in uzelf en merkt niet, dat gij hem bezoedelt door vuile gedachten en vuile daden."
En om er nog één te noemen de grote redenaar Cicero verklaart kort en goed: "De ziel is. naar ik zeg. onsterfelijk.: En even daarna: "De ziel is onsterfelijk.
omdat ze hemels en goddelijk is." Waarop hij laat volgen: "dat de zielen uit het lichaam als uit een kerker ontvlucht zijn."
De idee van de onsterfelijkheid der ziel die in de griekse filosofie geheel onafhankelijk van de godsdienst van het volk Israël en eeuwen vóór Christus werd gepredikt, is altijd door en allerlei vorm blijven voortleven.
Een geheel nieuwe fundering kreeg zij bij de grote duitse wijsgeer Immanuël Kant (1724-1804). Ik moet met het ook op wat ik in laatster instantie daarover zeggen wil, omtrent wat hij daarover leerde, iets meedelen.
Kant betoogt dat men omtrent God niet echt iets “weten" kan. Alle "bewijzen" voor het bestaan van God heeft hij afgekraakt.
Toch blijft hij in een God "geloven" en van een God spreken.
De kern van Kants filosofie is een zedeleer, een ethiek. Die zedeleer is een autonome. Dat wil zeggen: niemand,
geen God en geen andere macht. schrijft ons voor wat wij moeten doen. Dat doet de mens zèlf. Als men iets doet, gedreven door een bepaald doel, of een gevoel. b.v. sympathie, uit welwillendheid of uit nog andere motieven is dat wat men doet nooit meer dan "legaal". Zedelijk goed is alleen wat uit pure plicht en niet op grond van welke andere motieven wordt gedaan. Kant omschrijft dan die plicht met deze woorden: "Handel steeds zó, dat het richtsnoer van uw daden tegelijk ook als het voorschrift van 'n algemene wetgeving gelden kan." Deze stelregel noemt Kant de categorische imperatief. Ze, is een imperatief, omdat die regel gebiedend optreedt. objectief geldend is (imperare = gebieden). En ze is categorisch omdat ze zonder meer,
absoluut geldt.
Deze stelregel eist nu dat wij er volkomen naar zullen handelen. Maar dat is in het korte mensenleven. ook bij de besten, niet mogelijk. Een mens kan in zijn leven op aarde wel “deugdzaam" maar nooit volmaakt, nooit "heilig" worden. En daarom moeten wij “aannemen", "stellen". Kant zegt "postuleren", dat er een voortdurend. dus ook een na de dood voortgaand, bestaan van de mens moet zijn. Op die wijze kunnen de mensen hoe langer hoe meer en ten slotte volkomen aan het zedelijk ideaal beantwoorden. En zo komt Kant er toe te “postuleren", dat de ziel van de mens onsterfelijk is.
Op dezelfde wijze “postuleert" Kant dat er een God - omtrent we niets "weten" - moet bestaan. Deugd en geIuk, zo zegt hij, horen bijeen. Maar in het leven op aarde zien we dat nooit. En daarom moeten wij weer "postuleren" dat er een al-wijs, al-qoed, al-machtig wezen moet bestaan dat de natuur geschapen heeft, de zedelijke wereld regeert, recht zal doen en de juiste verhouding van de deugd en het geluk der mensen zal verwerkelijken.
Zo bouwt Kant op het zedelijk bewustzijn van de mens - hij noemt het de "praktische rede" - drie grote religie beginselen, namelijk God, deugd en onsterfelijkheid.
De moraal rust bij Kant niet op de godsdienst, maar, omgekeerd, de godsdienst op de moraal.
Deze trits: God, deugd en onsterfelijkheid werd door en na Kant. voor miljoenen de kern van hun godsdienstig geloof.
Speciaal van de godsdienstige liberalen.
Ze was ook de “hoofdsom" van het “christendom boven geloofsverdeeldheid" waar Thorbecke van sprak. En het was ook dat “christendom" dat bedoeld werd toen in 1857 in de onderwijswet werd vastgesteld dat het openbaar onderwijs onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt moest worden. . . aan de "opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden."
Ik kom nu aan het eigenlijke van wat ik zeggen wil. Namelijk hoe volgens de Schrift over die "onsterfelijkheid der ziel" moet worden gedacht.
Bij de begrotingsdebatten uit het jaar 1869 kwam in de Tweede Kamer ook die onsterfelijkheid der ziel ter sprake.
Een paar radikale kranten hadden betoogd, dat het "dogma" van 's mensen persoonlijke onsterfelijkheid op de staatsschool niet mocht verkondigd worden.
De eis dat die school neutraad moest zijn. bracht met zich mee dat men daarover op de openbare school zou zwijgen.
Door Mr. A. Heemskerk Az. een “conservatief" Kamerlid werd de minister daarover geïnterpelleerd. Hij achtte het te ver doorgedreven neutraliteit, het “Godsbegrip" en het "onsterfelijkheidsbegrip" als punten van verschil te beschouwen.
En hij hoopte dat de minister (Mr. Fock) het met hem eens zou zijn en een verklaring in die zin zou willen geven. opdat ook de schoolopzieners zouden weten wat ze moesten doen als ergens geschil over deze kwestie zou ontstaan.
Mr. Fock gaf een ontwijkend maar toch duidelijk antwoord! Hij reageerde namelijk op Heemskerk's opmerking met de vraag: "Is het wensdijk hier de vraag te behandelen of op een school met kinderen van 6 tot 12 jaar de “onsterfelijkheid" al of niet als een dogma moet worden behandeld?"
De conservatieve en de roomse pers was zeer gebelgd over dat ministeriële antwoord en gaf daarvan zeer duidelijk blijk.
Ten slotte mengde ook dr. Kuyper zich in dit debat. Hij schreef er een uitvoerig artikellover in "De Heraut" van 24 dec. 1869. En gaf dit artikel later ook afzonderlijk uit onder de titel: “De Leer der Onsterfelijkheid en de Staatsschool" (Amsterdam 1870). 2) In deze brochure betoogde Kuyper dat het volgens de geldende schoolwet volkomen consequent was de leer van de onsterfelijkheid der wel op de staatsschool als contrabande te beschouwen.
In die school moest immers alles geweerd worden wat andersdenkenden kon ergeren. En aangezien velen het geloof aan die onsterfelijkheid bestreden, moest op de neutrale scholen ook over deze leer worden gezwegen!
Vooral tegen de conservatieven richtte Kuyper zijn scherpe kritiek. Ze hadden geholpen de Christus te weren van de volksschool! Zij hadden er In toegestemd dat zijn opstanding. waarin alle hoop op onsterfelijkheid rust op die school zou worden doodgezwegen. Maar nu er een aanval werd gewaagd. "niet op het Christendom. maar op de rationalistische trias van "God, deugd en onsterfelijkheid", nu wordt men wakker, nu smeedt men wapenen ter verdediging, en erkent dat het zedelijk karakter der natie wordt bedreigd."
En dan schrijft Kuyper het volgende:
Voor de "onsterfelijkheid" als voor het ene nodige strijdt men.
Maar onze lezers althans zullen gevoelen dat die leer der onsterfelijkheid niet ons. maar de rationalisten ontnomen wordt.
Slaan we de Schrift op, dan vinden we het woord onsterfelijkheid slechts tweemaal gebezigd, en geen der beide keren in de zin van de onsterfelijkheid der ziel. Zij leert ons alleen, dat er buiten dit rijk des doods. waarin WIJ thans leven, nog een andere wereld is waar "alihanasie" d.i. onsterfelijkheid heerst, en ze zegt op de éne plaats (1 Cor. XV: 53. 54). dat ons lichaam die onsterfelijkheid zal aandoen, en op de andere (1 Tim, VI : 16) dat "God alleen onsterfelijkheid heeft".
"Onsterfelijkheid der ziel" is een uitdrukking, die voor het Evangelie niet kan bestaan. Onsterfelijkheid is wat “niet sterft", en het Evangelie leert juist, dat de ziel dood is, en dood blijft, zolang ze niet door Christus ten leven gewekt wordt.
Daarom weet ook de Apostolische belijdenis van geen onsterfelijkheid.
Daarom vindt mén ook in onze Psalmen van geen onsterfelijkheid. (Wel in sommige gezangen.) Daarom wordt ook in geloofsbelijdenis wel van "onsterfelijk worden" gesproken, maar de leer der onsterfelijkheid in de gewone zin gemist.
Wat de rationalist "onsterfelijkheid" niet, dan dat men haar de ongerijmdheid van "ONsterfelijke STERVELINGEN" mag opdringen." 3) Dit was iets over de idee van de "onsterfelijkheid der ziel".
En ik kan me moeilijk voorstellen dat iemand die zich strikt naar de Schrift wil richten 'in denken en handelen daartegen enig bezwaar kan hebben.
Later misschien hierover nog wat meer.
1) Een zeer gewaardeerde lezer schreef mij in verband met wat ik over de "zaak-Telder" een brief over de onsterfelijkheid der ziel. Hij beschouwe dit artikel als mijn antwoord.
2) Reeds voor veertig jaar besprak ik deze brochure van Kuyper met wat daarmee annex was.
3) Ook prof. Lindeboom keerde zich in een brochure tégen de idee van de "onsterfelijkheid" der ziel.