Symbool en werkelijkheid

1977-02-25
  • Jaargang 21
  • nummer 8
We zouden nu nog apart letten op het moeilijke woord 'symbolisch' als kenschetsing van de wijze waarop de Bijbel de werkelijkheid kan voorstellen. Het woord Is daarom zo moeilijk, omdat ik er het tegengestelde mee bedoel uit te drukken van wat men zou denken. Het symbool geldt in ons denken als werkelijkheidsarm, terwijl ik er een werkelijkheidsvolheid mee wil aangeven. Pas hoorde ik iemand de volgende zinnen zeggen: "we kregen van die aardige meneer het zomerhuisje voor een paar weken aangeboden, waarvoor we niets behoefden te betalen. We vonden dat toch te gek en nu aanvaardt hij een symbolisch bedrag als vergoeding." Het symbolische staat hier duidelijk in tegenstelling tot de realiteit en het reële.
Daarom kan ik heel goed begrijpen, dat de mensen zich knollen voor citroenen in de handen veel en gestopt als ze horen zeggen, dat de eerste hoofdstukken van de Schrift symbolisch zouden moeten worden opgevat. Ze vinden dan, dat hun iets wordt afgenomen. En toch bedoel ik dat niet.
Juist integendeel.
Het is ons rationalisme dat ons ten aanzien van het symbool en de goede omgang er mee in de weg staat. Met rationalisme bedoel ik de eenzijdig-begripmatige benadering van de dingen. Dit rationalisme is sterk ontledend, het denkt de dingen uit elkaar, vaak zozeer uit elkaar dat ze stuk raken. Maar in het woord 'symbool' wordt juist een tegenovergestelde richting aangegeven: niet uit elkaar, maar in elkaar. In het symbool komen ver uiteen liggende dingen bijeen, worden als onder één hoofd samengebracht.
Daarom leidt in een rationalistische cultuur het symbool een armetierig bestaan. Het is op z'n best alleen nog maar teken en verwijzing naar de werkelijkheid.
Op zichzelf genomen is het ijdel en leeg.
De reformator Zwingli was in dezen een verstokte rationalist.
Dat bleek uit zijn avondmaalsleer.
'Dit is mijn lichaam', het woord van Jezus bij de uitreiking van het brood, legde Zwingli uit als: 'dit betekent mijn lichaam'. Hij zette zich daarmee af tegen het roomse bijgeloof van de transsubstantiatie-
leer, dat een wezensverandering aannam van het lichaam van Christus in het brood. Maar hij ging in z'n reaktie te ver en hield van het avondmaal alleen maar een teken over, geen zegel, zoals kerkelyke.., en wij er graag en terecht bij zeggen.
Zwingli stuitte met deze opvatting op fel verzet van Luther, die verstond dat we in het avondmaal niet maar met een slechts verwijzend teken te maken hebben, maar juist omgekeerd met geconcentreerde werkelijkheid. Hierin viel Calvijn Luther bij. Inderdaad, zei de reformator van Genève, we hebben in het avondmaal te doen met geconcentreerde, geestelijke werkelijkheid.

In de leer van Zwingli ontmoeten we een denken dat eigenlijk met het symbool geen raad weet. Bij de latere vrijzinnigen, die sterk onder zijn invloed stonden, merk je dat ook. Die schaften in de vorige eeuw het avondmaal zelfs af.
Daar móet het rationalisme wel toe komen. Dat denkt de dingen stuk en dat denkt zeker het symbool stuk. Het eigenaardige is nu, dat je dat niet alleen bij de vrijzinnigen vindt, maar ook wel in de orthodoxie. Natuurlijk, de dingen die de vrijzinnigen en de orthodoxen bedenken, zijn verschillend, maar de wijze van denken komt toch soms sterk overeen.
Beide zijn aangetast door het rationalisme, dat als een chronische ziekte de europese cultuur aankleeft (en waar we in het materiële vlak tegelijk ook weer ontzettend veel aan te danken hebben - laten we dat niet vergeten!). Het rationalisme denkt ontledend.
het demonteert de werkelijkheid.
Terwijl in het symbool een tegenovergestelde beweging zit. 'Symbool' is een grieks woord en komt van simi-bellein. 'bij elkaar gooien', het symbool zet in elkaar en bij elkaar, het vat samen, het geeft uitdrukking aan een geheel. Een prachtig voorbeeld van een bijbels symbool vinden we in de voorstelling van het duizend-jarig rijk in de Openbaring van Johannes (hfst. 20).
Werkelijkheden, die verstrooid en versnipperd over heel de geschiedenis verspreid liggen, worden daar bij elkaar geveegd tot één samen gesteld geheel. Het gaat daar over de Christus-regering in de geschiedenis, de kracht en de invloed van het geloofsgetuigenis, dat onder lijden en martelaarsdood wordt afgelegd en dat dank zij de levende Heer de duivel bindt, zijn werking beknot; èn het gaat daar over het telkens weer opnieuw ontbonden worden van de duivel. wanneer namelijk de geloofskracht verslapt en de band van de gelovigen aan Christus losser wordt. Dan herwint de boze weer verloren terrein. Dit dubbele gebeuren zet zich in de hele geschiedenis voort, tot aan de einden der aarde, waar Gog en Magog wonen. Het is waar te nemen bij de enkele gelovige, bij groepen van christenen en zelfs bij evangelisch beïnvloede culturen, zonder dat "t zich daartoe beperkt.
Want het is een werkelijkheid, die als de verspreide stukjes van een legpuzzel door de hele geschiedenis heen te vinden is, soms zeer incidenteel. soms in meer duurzame, aanééngesloten vorm (zoals van een niet gelegde legkaart sommige delen ook niet in stukjes uiteengevallen zijn; ze zitten voor kleinere of grotere gedeeltes nog aan elkaar).
Maar in Openb. 20 is alles tot één tableau bij elkaar gezet, één schilderij met een lijst van duizend jaren erom heen, een getal (tien maal tien maal tien) dat volkomenheid suggereert en ons troostend zegt dat het met Christus' koningschap in een tumultueuze wereld toch echt helemaal goed komt. Hij komt in de geschiedenis volledig aan zijn trekken als koning.

Hier stuiten we dus op het symbool in de zin waarin ik ervan sprak. Niet zo maar een leeg beeld dat naar de werkelijkheid verwijst, maar geconcentreerde werkelijkheid. Maar als je nu vraagt, wat onze wetenschap der geschiedenis hier mee kan, dan wordt het moeilijk. Want met haar uitéénstellend denken is zij ongevoelig voor het symbool, haar computers geven het terug als onverwerkbaar. Wat de wetenschap op z'n best vindt, zijn gedeeltelijk aanééngelegde stukken van de legkaart, zoals b.v. in de europese kerkgeschiedenis het tijdperk van paus Gregorius de Grote (eind zesde eeuw) tot de franse revolutie, welke periode wel bepaalde trekken van het duizendjarig rijk heeft. Maar het is het duizendjarig rijk niet. Dat onttrekt zich aan de greep van het rationalistische denken. En het is zeer kenmerkend voor de fundamentalistische orthodoxie, dat ze dat niet inziet. Inderdaad tracht die het duizend-jarig rijk te plaatsen en in het jaartallen-briefje in te voegen: het duizend-jarig rijk als een soort sabbat, die op de wereldgeschiedenis volgt. Zo verklaart zich de chiliastische dwaling als een vrucht van orthodox-rationalistisch denken pur sang. Ook dr Ouweneel, van wiens boek we uitgingen, denkt sterk chiliastisch. Dat moeten we niet zo maar voor het gemak vergeten, wanneer we hem over Genesis horen spreken.

Laten we terugkeren tot Genesis.
Natuurlijk weet ik ook wel. dat Genesis het boek Openbaring niet is. Ik moet ook eerlijk zeggen, dat ik, op zoek naar het symbool, duidelijker in de Openbaring terecht kan dan in Genesis. Ben ik ten aanzien van de Openbaring vrij zeker van mijn zaak, wat betreft Genesis ben ik, zoals ik al gezegd heb, niet veel verder dan vermoedens.
Maar ik geef voor de eerste hoofdstukken van de Bijbel de samenvattende, op totaliteit uit zijnde, symbolische werkelijkheidsvoorstelling een kans. Het zou kunnen zijn dat wij, het verhaal van de torenbouw van Babel in Gen. 11 lezend, in de werkelijkheid, waarnaar onze geschiedenis-wetenschap - uitéénstellend - zoekt, met meerdere van zulke torens moeten rekenen, zoals dan ook de archeologie daarvan schijnt te spreken. In het bijbel-
verhaal zijn dan trekken bijeen gezet, die voor önze werkelijkheidsbeleving meer verspreid in ruimte en tijd zijn voorgekomen.
Het zou verder kunnen zijn dat wat de Bijbel over de zondvloed vertelt, verdeeld zou moeten worden over meerdere rampvloeden die samen de aarde door een geweldige crisis hebben doen gaan. De symbolische voorstelling, die de Bijbel daarvan geeft, zou dan in de werkelijkheid, die wij met onze beperkte middelen onderzoeken, slechts zeer vaag en als in een weerschijn terug te vinden zijn. Dat is misschien voor onze weetgierigheid een tegenvaller. Maar daar staat tegenover dat wij de Bijbel moeten prijzen om het wonder van zijn didactisch vermogen om aan een ingewikkelde werkelijkheid een zo eenvoudige, handzame en trefzekere uitdrukking te geven. Een kind kan het bevatten en heeft dan ook nog de kern van het gebeuren te pakken.

Dit betekent ook, dat wij wat de Bijbel vertelt onbekommerd kunnen doorvertellen aan kleinen en aan groten. Wij behoeven daarbij geen slecht geweten te hebben.
Alles wat nu gezegd is kan ongezegd blijven, wij behoeven er de eenvoudigen niet mee te vermoeien.
Omdat wat de Bijbel ons over het begin van de geschiedenis vertelt, werkelijk betrouwbaar is en ruimschoots voldoende is voor onze plaats- en taakbepaling in de tegenwoordige tijd.
Slechts dient er over deze dingen gesproken te worden, wanneer er een wetenschappelijk misbruik gemaakt dreigt te worden van de Bijbelse werkelijkheidsvoorstelling.
Zoals er ook gesproken moet worden, wanneer er een wetenschapsoverschatting opstaat die zegt als wetenschap aan de Bijbel geen enkele boodschap te hebben.
Het eerste euvel lijkt minder erg dan het tweede, dat geef ik toe. En toch doe ik daar geen definitieve uitspraak over. Dat zou in een verkeerde zin geruststel~ lend kunnen werken. Het rationalisme is een gevaarlijke vijand, of het zich vrijzinnig dan wel rechtzinnig aandient. Wel geloof ik, dat vele rechtzinnigen op dit punt te goeder trouw dwalen, met grote en warme liefde voor de Schrift, waardoor ze me altijd weer lief zijn. Zegene de Here daarom deze bijdrage aan het gesprek met hen. Het is geen gemakkelijke stof geweest. Mijn excuses aan de lezers voor de vermoeiing des geestes die ik hun er mee aangedaan heb. Ik hoop dat ze door alle uiteenzettingen heen de eerbied voor de Schrift hebben geproefd. Want wat voor vragen wij ook stellen over en aan de Bijbel. ze moeten gedrenkt zijn in de vreze des Heren. Ontbreekt die, dan is alle wederzijdse herkenning onmogelijk. Is die er, dan zijn we het in het belangrijkste eens, sterker: dan zijn we in Christus één.
P .S. Mijn excuses tenslotte nog aan de lezers voor de wijze waarop ik in een vorig artikel even over Abel, over zijn al of niet bestaan, heb gesproken. Behalve dat ik daar de juiste toon niet heb getroffen (die ontmoeting op de nieuwe aarde), ging ik ook te ver toen ik het deed voorkomen alsof ik aan zijn bestaan niet geloofde. Maar -- zoals de redeneergang ook uitwees -- ik wilde slechts beweren, dat wij Abel vanwege het mogelijk symbolische karakter van zijn naam met de middelen van onze wetenschap der geschiedenis moeilijk kunnen plaatsen. Dat is iets anders. Jammer, dit struikelen in woorden!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief