Een beetje plagiaat (3)
1977-02-25
De vorige keer zijn we geëindigd met de ontmoeting, waarin de existentie-theologen het gebeuren van de godsbeleving hebben soms en voor een ogenblik. Dat is wel een heel andere gedachtenwereld dan het wandelen met God, dat we uit de Schrift kennen.- Jaargang 21
- nummer 8
Dát houdt een vaste koers in, georiënteerd op de Thora, de lering. Dat wandelen is daarom door vaste kaders bepaald.
Voor de moderne mens, die pas dan zichzelf is, als hij alle kaders kan doorbreken, al is het ook maar voor een ogenblik, is zo'n levenshouding van wandelen in de kaders "oneigenlijk". En wie zich de geest van het moderne denkpatroon heeft eigen gemaakt, krijgt het moeilijk met de leerstof, met de vaste inhoud van het geloof, met de inhoud, die we geloven. De fides, quae creditur.
Want in het moderne denkpatroon speelt de natuurwetenschap een grote rol. Die heeft alleen te maken met wat men kan meten en wegen. Haar patroon is overgenomen in de geschiedeniswetenschap. Dus ook bij de Schriftuitlegging. En in de H. Schrift komen we veel dingen tegen, die niet passen in een natuurkundeboek of een artikel over biologie. Want dáár is voor het wonder geen plaats. Maar de heilsopenbaring hangt om zo te zeggen van wonderen aan elkaar.
Voor de moderne mannen van wetenschap schreeuwt de Schrift derhalve om zuivering. Wat niet past in hun wereldbeeld, moet weggeschift.
Dat klemt nog te meer, omdat die H. Schrift uit een andere, verouderde tijd stamt. En niet eens uit één tijdperk komt, maar zo'n tweeduizend jaar ontstaanstijd heeft. Dus heeft de historische kritiek daar heel wat werk te doen!
En er zit ook echt wel wat in die gedachte! Prof. Holwerda heeft indertijd nadruk gelegd op de ontplooiing van de Godsopenbaring in de heilsgeschiedenis. Wij leven niet meer zoals de aartsvaders, zelfs niet meer zoals de eerste Christenen. De ontwikkeling ook van het Christelijke leven gaat verder, doordat de H. Geest ons niet "pas op de plaats" laat maken maar ons verder leidt.
Denk maar aan de positie van de vrouw, die ook bij het kerkvolk veel ruimer is dan in de eerste tijd van de kerk. en nu de vrijheid van de degelijke huisvrouw uit Spr. 31 weer nabij komt in haar handelingsbevoegdheid. Gelukkig maar!
Daardoor is er ook verandering gekomen in het gebruiken van de Schrift. "Hem noemende haren heer", dat onze vaderen nog prachtig vonden en opnamen in een formulier, spreekt ons niet meer zo aan! De kwestie is maar: waar normeren we ons aan, als we de dingen anders willen of moeten zien?
Wie zich innerlijk gebonden heeft aan de veronderstellingen van de moderne wetenschap, ziet bij de historisch-critische bestudering van de Schrift langzamerhand alles uit zijn handen glippen.
Op dat punt aangekomen zijn er mensen, zelfs wel theologen, die radicaal de conclusie trekken: afschaffen, want het is zinloos. Dan zijn er ook eerlijke mensen, die daarom hun "baan" in het godsdienstige opgeven. Dat zijn de helden. Maar heel veel anderen schipperen. Proberen nog iets over te houden, hoewel ze hun denken ongeremd zijn gang laten gaan vanuit de vooronderstellingen van de moderne wetenschap.
Ze houden dan nog vast, wonderlijk genoeg, dat er wel iets hogers is, of zijn moet. Dat ze dan, om met Art. 1 N.G.R te spreken: "God noemen".
Maar dan verder! Want hlstorisch-critisch laat het Bijbelonderzoek eigenlijk geen enkele zekerheid.
We "hebben" dus eigenlijk niets. U heeft die uitdrukking stellig wel eens in een middenorthodoxe preek gehoord. Ze wordt dan wel vaak in iets andere zin gebruikt, nl. van: het Woord moet óns hebben. Maar de grond is toch de ontkenning van "wij hebben het Woord, dat zeer vast is."
Wat laat het kritisch onderzoek over? Metend met de maatstaf dat de gegeven mededeling verklaarbaar zijn moet en parallellen moet hebben in het gewone leven?
Als alles, wat aan hun regel niet voldoet, weggeschrapt is, blijft alleen het gewone leven over! De radicalen gaan dan ook inderdaad zo ver, dat ze beweren, dat de Bijbel maar een gewoon mensenbóek is, even profaan als elk ander boek. Dan mág dat boek natuurlijk niet worden gemeten met een andere, bijzondere maatstaf!
Wonderen, maagdelijke geboorte, opstanding en ga maar door, zijn absoluut onaanvaardbaar geworden.
En dan helpt het niet te zeggen, dat ze de historisch-kritische methode alleen qua methode gebruiken willen. Want in de methode ligt het uitgangspunt opgesloten: niets geldt, wat niet algemeen, na te rekenen, met gelijksoortige gevallen te vergelijken is.
Met deze aanpak is de Bijbel een onmogelijk boek als bron van waarheid, wordt theologie niets dan profane letterkunde, litteratuurstudie.
Met voor de beoefenaren deze nooduitweg, door, in strijd met hun grondprincipes, tóch de waarheid te aanvaarden van een "onnatuurlijk" gegeven, b.v. dat er een god is; of door zo'n “on-natuurlijk" gegeven zó uit te leggen, dat het toch weer gewone werkelijkheid wordt.
Symbolisch dan!
Maar dat is een ontduiken van de klem van de methode. Een ontduiking, die wonderlijk genoeg in het humanistisch denken een parallel heeft. Want het historisme, dat álles wil verklaren, ook de mens zelf, heeft als reactie de tegenpool gekregen van de zelfbepaling van de souvereine mens.
En die mens ligt allen na aan het hart. Dat is dan ook een innerlijk conflict in het humanistisch denken, dat de eenheid er van breekt.
De methode wordt een halt toegeroepen om de mèns te redden.
Dat vinden we ook bij de theologen.
Consequent vaagt de methode god en openbaring weg.
Maar daarmee ook de theoloog!
Dan gaat het hart spreken. Zoals de humanist vanuit zijn hart de "vrije wil" ten koste van de consequentie handhaaft, precies net zo breekt de theoloog, die nog iets heeft overgehouden, de consequentie van het denksysteem.
en houdt zijn geloof staande. Er is wat, dat deze wereld transcendeert.
Abstracter nog dan de vrije wil, die zich soms een ogenblik bij de humanist openbaart. Soms openbaart zich iets, dat transcendent is.
Daarin, in het feit, dat de breuk met de denkmethode hiér ligt en niet in de vrije wilsbeschikking van de souvereine mens, daarin ligt het eigensoortige van theologie, zeggen ze dan. Daarin is ze “sui generis".
Maar toch wel heel dicht bij de filologie!
Als zo eigensoortige filosofietheologie heeft ze volgens henzelf een eigen plaats nodig aan de universiteit. Al kan de niet-theoloog daar geen begrip voor hebben en moet hij hen wel voor onwetenschappelijk verslijten. Maar de humanist heeft hier een schone gelegenheid om zijn humanistische tolerantie, verdraagzaamheid eens te tonen. Namelijk door, tegen eigen overtuiging in, de theologie en de theologen hun plaatsje te gunnen in het wetenschappelijk bedrijf.
Zo Kuitert.