Over de zondvloed
1977-02-25
Een herinnering- Jaargang 21
- nummer 8
Wanneer men een beetje thuis is in de geschiedenis van de theologie wordt men getroffen door het feit dat daarin altijd weer dezelfde kwesties en de daarvoor gegeven oplossingen opduiken.
Dezer dagen was ik bezig met een onderdeel van Voetius' theologie en het was me alsof ik de jaren veertig opnieuw beleefde! Het ging daarin namelijk over inwendig en uitwendig verbond, veronderstelde wedergeboorte, doop en wedergeboorte, schijndoop enz.
Een poosje geleden was een predikant bij mij die goed op de hoogte is van de moderne theologie. Ik las hem een stuk voor uit een boek en vroeg hem: van wie is dat?
Zonder aarzelen antwoordde hij: dat is van dr Wiersinga!
Het was er een van prof. Hofstede de Groot!! Van de vader van de z.g. "Groninger Richting" uit het begin van de vorige eeuw, de man die op het In geding zijnde punt, de verzoening door het bloed van Christus, scherp werd bestreden o.a. door Hendrik de Cock, Da Costa en Groen van Prinsterer.
Aan dit "herhalingsverschijnsel" dacht ik bij het kennis nemen van de huidige discussie over de zondvloed.
Hierover wil ik nu wat vertellen.
Zoals ieder weet werden een halve eeuw geleden de Geref. Kerken beroerd door de zogenaamde kwestie-Geelkerken. Het ging daarbij over de interpretatie van Genesis 3. En de synode die zich daarmee bezig hield was die van Assen. Die kwestie ,......het was toen een heel andere tijd dan nu! - beroerde het gehele volk. Ze haalde de voorpagina van alle kranten. Zelfs van De Telegraaf - die gaf er ook nog foto's bijl Nu gaat het mij niet om de kwestie zelf, maar om wat zich daaromheen afspeelde. Ik heb namelijk het oog op een bepaalde wijze waarop tegen "de mannen van Assen"
die Geelkerkens opvattingen hadden veroordeeld werd gepolemiseerd. Dat gebeurde nl. op tweeërlei manier. In de eerste plaats doordat men met allerlei argumenten, veelal aan "de wetenschap" ontleend, de besluiten van de Asser synode te lijf ging. Maar daarnaast bestond die bestrijding ook daarin dat men "de mannen van Assen" verweet dat zij zich aan dezelfde "zonde", als die welke ze Geelkerken toedichtten, schuldig maakten. Met andere woorden: dat ze zèlf ook "het Schriftgezag aanrandden".
Onze oosterburen typeren deze vorm van bestrijding als het werken met een "retourkoets" .
En zo verscheen er o.a. een bochure van een - toen nog anonieme - schrijver met de titel: "Zijn de mannen van Assen zelf aanranders van het Schriftgezag?"
Eén van de "bewijzen" voor de beschuldiging dat “de mannen van Assen" zich aan de genoemde zonde schuldig maakten, bestond dáárin dat zij het eens waren met, althans geen kritiek leveren op de bewering van Kuyper dat het moge/ijk was dat de zondvloed niet over de gehele aardbol was gegaan, maar slechts over een deel daarvan. Met andere woorden: dat ze mogelijk niet universeel maar partieel was geweest.
De schrijver van deze brochure was van oordeel dat de Schrift geen andere opvatting toelaat dan dat die vloed heel de aardbol overspoelde, dat ze ging over Azië, Australië, Afrika, Europa, Amerika. En hij noemde de opvatting van Kuyper "schrikkelijk, schrikkelijk". Twee maal schreef hij dat woord neer. Hij verklaarde zelfs dat Kuypers bewering "Gade onwaardig" was. Als consequentie van Kuypers dubieus stellen van een “universele" zondvloed noemt hij dat Noach en de zijnen dan niet alléén gespaard waren maar nog velen met hen. Dan is het menselijk geslacht niet alleen uit Noach opgebloeid.
Dan verliest Gods verbond met Noach zijn kracht."
De schrijver deed hiermee al dadelijk Kuyper groot onrecht.
Want deze leerde zeer nadrukkelijk dat heel de uit Adam gesproten mensheid, op Noach en de zijnen na, in de vloed onder ging. En evenzo, dat heel de tegenwoordige mensheid van Noach afstamt. En - niemand heeft zo uitvoerig over Gods verbond met Noach geschreven als juist Kuyper!
Maar dit even terloops.
Het was prof. - toen nog ds - Schilder die op het betoog van de anonieme schrijver inging. En hij deed dat volgens de reformatorische hermeneutische regel dat de Heilige Schrift haar eigen uitlegster is en dat men daarom Schrift met Schrift moet vergelijken.
In Gen. 6: 7 staat in de hebreeuwse tekst dat God de mensen die Hij schiep van de "adama" zal uitroeien. Wat betekent dat woord?, vraagt Schilder. De "gehele aardbodem", zoals de anonieme brochure-schrijver beweert? (Dat woordje "geheel" plaatste hij maar even op eigen gezag in de tekst!). Maar in Gen. 28: 15 leest men dat God in Bethel tot Jakob zegt dat HIJ hem in deze “adama" zal wederbrengen. Betekent dat soms de (gehele) aardbodem? Welnee het wil zeggen: in deze spreekpunt in het vijfde gebod: Eert uw vader en uw moeder opdat uw dagen verlengd worden op de "adama" die de Heere uw God u geeft? Betekent “adama" hier ook de (gehele) aardbodem - welnee, het duidt hier het beloofde land aan. In de profeten wordt gezegd dat God een leeuw over de ontkomenen van Moab en over het overblijfsel van de “adama" brengen zal? "Zijn er soms leeuwen over de ganse aardbodem verspreid?", vraagt Schilder. “Neen? Maar in Jes. 15: 9 staat dan toch dat ze over de rest van de “adama" komen en als men dat door aardbodem vertalen MOET ... " In het verhaal over Gideon leest men over het teken van het vlies.
Gideon vraagt eerst of de dauw alleen op het vlies mag komen en de “adama" droog zal blijven en later of het vlies droog mag worden en de “adama" bedauwd.
Kan men hier aan de gehele aardbodem denken? De Kanttekenaars schrijven als verklaring van "ganse aarde" bij Richteren 6: 62': "Versta, de andere grond daaromtrent".
Schilders conclusie is: "Wie een hebreeuws woordenboek heeft en het dan ook belieft te gebruiken (!), die kan meer plaatsen vinden waar het woord “adama" niets anders betekent dan een klein stukje grond, in cultuur gebracht.
Feitelijk is de mogelijkheid; om aan dat hebreeuwse woord de uitgebreide zin van "aardbodem" te geven alléén te overwegen in het zondvloedverhaal.
Daarom is het geen Schriftaanranding, maar eenvoudig een zoeken naar de, alle gegevens tegelijk op hun plaats latende, zin, als men zich afvraagt: is hier nu de aardbol als geografisch begrip bedoeld, of het door mensen in cultuur gebracht land? Een cultuur-historische, een anthropologische grootheid dus?"
In een noot voegt Schilder hieraan toe: "Over het woord “arets", gebruikt in Gen. 7: 17, zwijg ik maar; ook dat betekent tientallen keren iets anders dan de (hele) aarde."
Maar, zo schrijft Schilder verder, zich richtend tot de anonieme schrijver, "misschien wijst U op de uitdrukking "alle hoge bergen, die onder de ganse hemel zijn?" Maar als nu de schrijver hier het woord "alle" in de meest volstrekte zin opvat dan moet hij het woord alle in het Pinksterverhaal ook zo opvatten. In Hand. 2: 5 staat immers dat er Joden te Jeruzalem waren uit alle volken onder de hemel. En dan moet hij op straffe van Schriftaanrander te zijn ook vaststellen dat er geen enkel volk in de gehele wereld was dat niet voor Abrahams zaad gesidderd heeft op de dag waarop God Israël Kanaän binnen leidde (Deut. 2: 25). "Maar", zo vraagt Schilder dan aan zijn opponent, "wanneer gijzelf de bijbel zó niet leest, waarom oordeelt ge dr Kuyper, die hetzelfde doet als gij, doch het alleen wat eerder begrepen heeft? Waarom moet men tuèl aan de (trouwens heel gewone) taalfiguur van de hyperbool denken als er sprake is van "VOLKEN" onder de ganse hemel, maar zulk een gedachte als Schriftaanranding brandmerken wanneer er sprake is van "BERGEN" onder de ganse hemel (Gen. 7: 19)? Is dat ernstig? En eerlijk?" 1)
In verband met de uitdrukking "ganse hemel" vraagt Schilder voorts naar wat er staat in Deut. 4: 10; Pred. 1 : 13; 2: 3; Dan. 2 : 27, 9: 12, met het verzoek daar orthodoxe kommentaren bij te gebruiken.
Daar wordt steeds over de ganse hemel gesproken in samenhang met de woonplaats der mensen.
Schilder wijst er voorts op dat het woord "ganse" in de Septuagint (de griekse vertaling van het Oude Testament) in de uitdrukking "alle hoge bergen onder de ganse hemel", niet eens wordt gevonden. En "wie iets van de Septuagint afweet rekent met zo iets toch altijd, als het erop aankomt, te weten, welke lezing de oudste is, of wat de tekst bedoelt."
Voorts wijst Schilder er op dat als men bij ”adama" aan de bewoonde wereld denkt men bij de uitdrukking alle hoge bergen niet eens aan een "hyperbool" behoeft te denken!
Maar de brochure-schrijver wees ook op Gen. 7 : 4: Ik zal van de aardbodem verdelgen al wat Ik gemaakt heb. En hij voegt er aan toe: "Dus ook de verscheurende dieren." Maar, aldus Schilder, er is ook nog zo iets als een grondtekst.
En daarin staat het woord "jekoem", dat vrij onzeker te vertalen is: "alle bestand dien ik gemaakt heb."
Schilder noemt dan een paar vertalingen: König die vertaalt: het ganse bestand, dat ik gemaakt heb, zal ik verdelgen; een oud woordenboek (van Waterman ) geeft de vertaling: "het vaste, duurzame bestaan (nl. de aarde) in levende wezens, en zegt: welligt: "het levende."
En dat klopt volmaakt met dr Kuyper: "geen exemplaren tellen, maar het systeem, het organisme, het schema, der geordende dingen, aangegrepen achten, dàt moet men doen, als men de katastrofe van de zondvloed zich enigermate indenken wil."
Maar daarbij moet nog wat gezegd worden.
Het woord "jekoem" komt namelijk, behalve in het zondvloedverhaal (7: 4, 23) nog maar één keer voor in de bijbel, nl. in Deut. 11: 6. Daar wordt gezegd dat Dathan en Abiram door de aarde verslonden zijn met hun gezinnen, tenten, "en met heel de "jekoem" die "in hun voeten" achter hen aan (?)is (komt?) De een denkt hier aan hun levende have, de ander aan hun dienstpersoneel, de derde aan iets anders!"
Moeten met deze onzekerheid voor ogen, zo vraagt Schilder, Kuyper van "Schriftaanranding"
worden beschuldigd?
Op nog een uitdrukking wil het zondvloedverhaal - ze werd door de brochure-schrijver achteloos voorbijgegaan - vestigt Schilder de aandacht. Ze is die welke men vindt in Gen. 6 : 13: "het einde van alle vlees is voor mijn aangezicht gekomen." Daarop fundeerde de anonieme schrijver wellicht zijn afwijzing van Kuypers vermoeden dat er, ten gevolge van het partiêel-zijn van de zondvloed, in het niet door de zondvloed getroffen, niet-gecultiveerde deel van de wereld nog roofdieren zijn blijven leven.
Maar, aldus weer Schilder: wat betekent hier dat woord einde. Misschien: de dood? Maar de Septuagint heeft het woord: keiros. Dat is: tijdsgewricht. De Septuagint schijnt het dus op te vatten als: de termijn die de tot die dag toe gegeven ordening van het wereldbestel zou omkeren. Maar dan voorts, zo spreekt Schilder zijn opponent aan, "laat nu dat "einde" eens weg. Betekent "alle vlees bij U vast en zeker: alle dieren, alle mensen, roofdieren ook (alleen de vissen niet)? Maar dan moet ge de bijbel eens nagaan. "Alle vlees", dat kan betekenen, natuurlijk óók: alle schepselen (Ps. 136: 25), maar voorts eveneens: de mensen, zonder de dieren. Bewijs reeds in het zondvloedverhaal zelf: Gen. 6: 12, verg. de kanttekening; en voorts: Jes. 40: 6 (?); Jeremia 25: 31, Zach. 2 : 13 (hebr. tekst 2 : 17; 2e: "alle tot God gebrachte mensen in tekening op Ps. 65 : 3; 3e: alle tot God gebrachte mensen in onderscheiding van de goddelozen, dus, voor wie tellen en rekenen wil, slechts een deel der eerst geschapen mensen, Jes. 66 het laatste vers; 4e: een deel der mensen: Joël 2: 28 (hebr. tekst 3 : 1); 5e: de totale inwonerschap van een bepaalde landstreek of district (Jer. 12: 12); 6e: de dieren in tegenstelling van de mensen: Gen. 7 : 21." 2) Schilder constateert dan dat het niet eenvoudig is de keus uit al deze mogelijkheden te doen. En, zo zegt hij dan, "het is zacht gezegd, lichtvaardig, hier te beweren, dat dr Kuyper, als hij één mogelijkheid kiest uit vele, die de bijbel zelf openlaat, geen ernst maakt met de eis, dat de Schrift zelf gronden moet geven voor enig resultaat van de Schriftonderzoeker.
Schilder wijst er voorts nog op hoe voorzichtig de Kanttekenaren bij deze tekst zijn (Gen. 7 : 14). Ze vertalen zelfs het woord al in de tekst met allerlei, en zeggen dan: Versta dan niet elk bijzonder gedierte maar van al de soorten der gedierten hier vermeld een zeker getal, tevoren uitgedrukt in vs. 2. "En ze deden dat niet argeloos. Want er was al heel veel over deze tekst te doen geweest."
Schilder citeert in dit verband een bekende, onder de Schriftgetrouwe kerkmensen zeer hooggeschatte bijbelverklaring (Toen ik nog lid van een jongelingsvereniging was stond die in onze boekenkast en werd die steeds geraadpleegd.).
Het is die van Patrik, Polus en Wiels. Daarin leest men: "dees vloed is misschien niet algemeen geweest over de gansche waereld, maar alleen over de bewoonde aarde, daar eenige menschen of beesten waren; wijl dit ten volle kon beantwoorden aan de bewegende oorzaak van den vloed, namelijk 's menschen zonde, als aan zijn einde (doele.v.), de verdelging van alle mensen en beesten op aarde, dus kan men den ganschen hemel verstaan die declen van denzelven, weÎke den bewoonden aardkloof overdekten."
Tot zover deze week. Er volgen D.V. nog enkele opmerkingen.
1) Schilder voegt hier in een noot bij: "Men letter ook op plaatsen als Deut. 28: 25, 26; Gen. 41 : 57; 2 Kron. 9: 23; Zef. 1 : 11; Job 37: 3.
2) Schilder wijst er hierbij op dat de joodse rabbijnen herhaaldelijk wijzen op de term "alle vlees", maar hier en daar toch komen - tot uitzonderingen. Sommigen meenden uit Num. 21 : 33 en Gen. 14 : 13 (een die ontkomen was nl. van de zondvloed) te moeten afleiden, dat Og, koning van Basan door de vloed gespaard was. Andere namen hetzelfde aan van de berg Gerizim (Er. 22: 24), of van het land Israëls (op grond van dezelfde tekst). Zij meenden dat het olljfblad, dat tot Noach gebracht werd, uit het land Israël kwam (Strack-Billerbeek op Matth. 965, 549, 841). Ook hier weer een poging om alle gegevens tegelijk te erkennen. Te ver, of liever, verkeerd gedreven, en onjuist, maar iets anders dan Schriftverwerping.