EHBO

2012-05-26
  • Jaargang 56
  • nummer 11
Op een doordeweekse dag trein ik met een vrije reis naar mijn jarige zus in Zeeland. Na de overstap in Rotterdam installeer ik mezelf met een beker koffie in de halflege trein naar Vlissingen. Nog een heerlijk rustig uurtje voor me. Beetje lezen, beetje naar buiten kijken, koffie, reepje koek. Na Dordrecht valt mijn oog op de display voorin de trein. Roozendaal, in plaats van Vlissingen.
Nee hè. Bij het volgende station stap ik over op het voorste gedeelte van de trein. Na mij komt een oudere meneer binnen. ‘Moet u eens kijken’, zegt hij. ‘Ik haal daar mijn hand open aan de uitsparing in die glazen deur.’ Hij laat mij een rare blauwige wond zien waar langzaam wat bloed uit komt. De trein is inmiddels gaan rijden en ik bied aan om op zoek te gaan naar de conducteur.
Die zal toch een EHBO-doos moeten hebben.
Meneer vindt dat echt niet nodig. Hij zit naast me met het gangpad tussen ons in en zijn gewonde hand rust op de leuning van de bank. In het hele compartiment zitten verspreid maar een paar mensen. Ik probeer te lezen, maar moet steeds naar die gewonde hand kijken. Dat kun je toch niet zomaar laten gaan, zonder pleister? Dus voor mijn eigen gemoedsrust vraag ik maar eens hoe het ermee gaat en dat ik toch op zoek wil gaan naar de conducteur.
Nou, als dat dan per se moet, vooruit dan maar. En zo begint mijn zoektocht door de halflege trein, die ook nog eens een dubbeldekker is. Geen conducteur te bekennen.
Niemand die hem ook gezien heeft, behalve bij vertrek uit Roozendaal. Uiteindelijk stuit ik op de bestuurderscabine.
Daar staat een jongeman met Aziatisch uiterlijk voor.
Twee grote koffers heeft hij bij zich. ‘Hebt u een conducteur gezien?’ vraag ik hoopvol. Nee, hij ook al niet.
Ik vertel hem waarom ik die conducteur zoek en klop intussen op de deur van de cabine. Geen reactie. Maar nu blijkt de jongeman een ware hulp in nood. Hij diept uit zijn koffer pleisters op en drukt me ook nog een vettig zakje met een flesje olie in de hand. Dat moet ik op de wond smeren, dan geneest het beter. Met pleister en flesje – ik voel me Lucy in Narnia – loop ik terug naar de gewonde man. En even later met het flesje weer terug naar de jongeman. Hartelijk dank namens de gewonde. Intussen ben ik bijna in Goes en moet ik de trein uit.
Meneer gaat door naar zijn tweelingbroer in Middelburg. Met de opmerking om vooral voorzichtig te zijn wens ik hem een goede dag toe. Opgelucht stap ik uit en aan mijn zus, die aan mijn verhitte gezicht ziet dat er iets is gebeurd, vertel ik het verhaal. Dan denk ik er die dag niet meer aan. Tot ik ’s avonds op het perron afscheid neem, instap en meneer weer zie zitten. De pleister nog mooi op zijn hand. Als de trein rijdt, maak ik een praatje met hem. Hij heeft gelukkig geen last van zijn wond gehad. Ik zegen de jongeman van het flesje.
Dat moet een Engel Hulp Bij Ongeluk geweest zijn.

Ytje Veefkind is pastoraal medewerker en lid van de NGK Amersfoort-Noord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief