DEZE AEMECHTIGE JODEN H.V. 1926-1946 (slot)
1977-03-04
- Jaargang 21
- nummer 9
n.a.v. ds G. F. W. Herngreen,
Een Handjevol Verkenners.
Ten Have, Baarn f 17,50.
Sommige dingen in de Bijbel zijn zo helder, dat een kind ze kan begrijpen.
Wie daar aan tornt zou niet te goeder trouw zijn. Maar er staan ook zaken in de Schrift, die ons voor raadselen plaatsen. Wie daar over nadenkt toont eerbied voor de sprekende God, welke hij verstaan wil. En meent iemand zo iets te verstaan: hij kan het aan een ander doorgeven, maar niet eisen dat die ander zijn visie klakkeloos overneemt. Er is speelruimte voor de libertas prophetandi gelaten, waarvan Gamaliël zeggen zou: de tijd zal het leren. In het vorig artikel noemden wij de woestijnreis van Abraham's kinderen en de geschiedenis van Jona; zaken, hoe wonderlijk ook, waarover de Schrift geen twijfel laat bestaan. Maar sommige zaken zijn, hoewel wonderlijk, slechts één maal aangeduid en worden niet op andere plaatsen bevestigd, of verklaard. Om daarover bindende uitspraken te doen is een hachelijke zaak: we zouden in strijd kunnen komen met de Auteur der Schriften. Want ons kennen is gedeeltelijk en ons profeteren is stukwerk.
Door alle eeuwen heeft de kerk rekkelijken en preciezen voortgebracht, mystici en scholastici; mensen van de Geest en mensen van de Letter.
Beiden waren zonen van de kerk, behoorden als broeders samen te wonen. Helaas hebben de orthodoxe kerken in Nederland zich meestal aan de letter gehouden; daar waren ze orthodox voor. En misschien zit hier wel de wortel van de repeterende breuk in.
In de oorlogsjaren zei een oudere broeder soms tegen me: met ds Netelenbos is een symptoom gegeven, met dr Geelkerken heeft het gekraakt, met dr Schilder zullen onze kerken scheuren. Misschien wat overtrokken - misschien zette hij de zaken toch wel juist op een rij.
Er zit namelijk verband en escalatie in deze drieslag. En alle drie zijn doorgedrukt op kerkrechtelijke gronden; sterker, op kerkelijk ónrecht.
Wanneer men zich aan de letter vastklampt, heeft men een houvast om zich van broeders te ontdoen. Denk aan de advocaat, die eens zei: geef me één letter van mijn tegenstander en ik hang hem op. Maar tegen de Geest valt niet te vechten.
Ds J. B. Netelenbos (1919) stond min of meer alleen; hij had iets "ongeoorloofds" beweerd en werd daarvoor aangepakt. Maar niet zijn eigen kerkeraad schorste hem - doch een classis, gesteund door "hogerhand". Dat was in flagrante strijd met het geldende doleantiekerkrecht; door dr A. Kuyper herontdekt, die hiermee naar de Dordtse Kerkenordening wilde terugkeren. De fout was zo duidelijk, dat dr H.H. Kuyper, zoon van de Ouwe Bram, in De Heraut sprak van "je reinste hiërarchie". Wilt u die term wel onthouden?
Want in 1926 werd dr J. G. Geelkerken op straat gezet wederom door "je reinste hiërarchie", nu ook voor rekening van H. H. Kuyper genomen. Tegen de wil van zijn kerkeraad in werd hij op grond van een intussen omgebogen kerkrecht geschorst en afgezet. Toch zou alleen de kerkeraad gezag over hem moeten hebben.
Zo is ook dr K. Schilder in 1944 geschorst en afgezet: niet door zijn eigen kerkeraad. niet door het curatorium van de Hogeschool, maar door een tot Sanhedrin uitgegroeide "reinste hiërarchie". En nadien zijn vele personen en kerkeraden, ja hele gemeenten, buiten Gods Koninkrijk gesloten (zo het mogelijk ware) door "meerdere vergaderingen".
Zelfs het aanvaarden of afkeuren van leerbeslissingen, van een open brief of van een synode-uitspraak was voldoende shibbolet vroor vriend of vrijand.
Terug naar Assen, anno Domini 1926. Een Schriftgeleerde vroeg aan de gedaagde dr Geelkerken. heeft de slang gesproken, ja of nee? - Antwoord: ik weet het niet, maar Eva had de indruk van wel. - Vraag: sprak de slang verstaanbaar en hoorbaar of sprak zij niet? - Antwoord: ik heb nooit een slang horen spreken, maar misschien heeft alleen deze slang gesproken. - Vraag: was de in dit verband genoemde boom inderdaad een boom met wortelen, bladeren en vruchten?
- Antwoord: misschien wel, misschien ook is deze geschiedenis ons zinnebeeldig overgeleverd. - Vraag: was deze boom zo reëel, dat men er bijvoorbeeld een touw aan kon vastknopen? - Antwoord: ik ben er niet bij geweest.
Zo ongeveer of misschien wat anders (ik ben er niet bij geweest) moeten zich de moeizame discussies hebben voortgesleept. U voelt al dat hier vanuit twee werelden gesproken werd. Partijen raakten elkaar niet. En de meerderheid wenste de minderheid niet te verdragen.
De een zei: geen tittel of jota worde anders gelezen dan daar geschreven staat. De ander zei: ik versta Gods Woord duidelijk, ook al zou ik sommige woorden of letters of tittels op andere manieren kunnen lezen. Heeft Gods Woord niet dikwijls een dubbele bodem?
Maar bovendien ging de meerderheid uit van een verabsoluterende inspiratietheorie: de ander van het vermoeden, dat het paradijsverhaal vele eeuwen mondeling is overgeleverd. aleer het te boek kon worden gesteld. Dat alle Woord Gods is ingegeven tot onderwijzing en vermaning van de rechtvaardigen, daarover waren allen het eens. En dat de letter alle verhoudingen doodt, terwijl alleen de Geest broeders doet samenwonen, ook dat wisten beide partijen. Maar hiermee werd helaas niet voldoende gerekend. *)
Wij staan hier vandaag wat anders tegenover dan onze vaderen van 1926. Wij hebben aan den lijve ervaren, hoe zeer een blinde redenering broeders -uit elkaar kan drijven. De verplichte vrij making, met zijn 100.000 zielen, is een les op zichzelf. De buitenverbandstelling van 30.000 zielen, was les nummer twee. Een gruwelijke les, want de meerderheid van die "goedvrijgemaakte" broeders had zelf een verbanning, schorsing of afzetting achter de rug! Daarom is het huidige
streven om ketters te weren zo dom en gespeend aan elk besef van kerkhistorie; laat staan van Christelijke barmhartigheid. Het is ontstellend wanneer mensen, die juist aan de strop zijn ontkomen, voor anderen de galg oprichten. Hier openbaart zich een stuk scholastiek, wetticisme. waaraan gereformeerden dreigen onder te gaan.
Deze dingen moeten gezegd worden, wanneer wij ons voordeel willen doen met de ervaring van de broeders uit het Hersteld Verband. Want hebben de vrijgemaakten zich sedert 1944 steeds op hun "rechten" beroepen - de aemechtige Joden kwamen daar heel niet aan toe. Niet alleen hebben die tot drie maal toe getracht zich met de uitwerpende kerken te verzoenen ( ... jaja, dat deed men toen nog: in 1927 door allen, in 1940 door de kerk van Tienhoven. in 1940 door de kerk van Amsterdam-Zuid) maar ze hebben zich van de aanvang af oecumenisch opgesteld tegenover alle kerken, die de Christus der Schriften liefhebben en belijden. Ze hebben zichzelf allerminst verabsoluteerd tot de enige ware kerk: daarvan waren ze genezen, toen ze bemerkten dat buiten de "ware kerken" wel degelijk leefruimte bestond!
Vooral naar binnen werd ernst gemaakt met het persoonlijke belijden van de kerkleden. Men begreep dat "lijden" de stam is van belijden.
Men wierp zich op een leven, dat geheel op het geloof in de Christus der Schriften stoelde. Van een belijdeniskerk wilde men niet meer weten; de belijdeniskerken hadden deze 5516 zielen de woestijn in gejaagd. Maar men trachtte belijdende mensen in belijdende kerken te zijn. Niet kerkelijke papieren konden hen - zo zagen ze - zaligmaken: dat gaat alleen door een waarachtig en persoonlijk en levend geloof in Christus Jezus.
Dat bleek uit een ruimer visie ten aanzien van de formulieren van enigheid, de belijdenisgeschriften. Verre daarvan dat deze als museumstukken werden weggezet - zag men de datering niet langer over het hoofd. Men besefte dat deze stukken, deels zelfs uit een antithetische scholastiek ontstaan, voor vandaag en voor de toekomst wel eens te kort zouden kunnen schieten; zeker te kort schieten wanneer ze als gelijkwaardig aan de Schrift worden vereerd. Men zag in de belijdenisstukken gedateerde pógingen van mensen, om in hun situatie Gods Woord na te spreken.
Dat bleek ook uit de ontwikkeling van een uiterst simpele kerkenorde.
die ervan uitgaat dat een mondige gemeente de ambten draagt. Een kerkverband werd nog wel aangegaan - maar met die christelijke welwillendheid en vrijlating, die wij onder óns zo graag wat meer zouden ervaren. De stappen tot ontwikkeling van het kerklied gingen met zevenmijlslaarzen voor de rest van zingend Nederland uit. Denk aan mannen als dr Geelkerken en ds H. C. v. d. Brink. opstellers van de proefbundel uit 1920; denk aan dr E. L. Smelik en ds H. Hasper.
Ook op het punt van de liturgie kwam een helderheid en vrijmoedigheid, welke wij nog tevergeefs onder ons zoeken. Denk alleen maar aan de gezongen geloofsbelijdenis, door Paul C. v. Westering getoonzet; denk ook aan koor, gemeentezang, solozang en antifoonzang.
die aldaar hun legale plaats kregen. De formulieren werden in korte tijd gemoderniseerd; wanneer zijn wij daar aan toe? Ook de plaats van de vrouw, zowel binnen als buiten het ambt, werd al spoedig Schriftuurlijk gezien; en dat is nooit conventioneel. De verhouding van man en vrouw, de plaats van de jeugd in de kerk (niet opgeborgen in verouderde jeugdorganisaties, maar geïntegreerd in de kerk zelf, waarvan ze leden mochten zijn!), de belijdenisvragen en vele andere praktijkzaken. werden. in open discussie opgelost; altijd beheerst door Schriftgezag en onderlinge trouw. Zelfs de tucht werd tot een positieve, conserverende factor van de gemeenschap der heiligen omgebogen. En niettemin zegt ds Hemgreen bescheiden, dat in al deze dingen wel wat jeugdige overmoed meespeelde.
Niet alleen ten aanzien van de kerken stelden de H.V.-kerken zich oecumenisch op. Ook ten aanzien van dé politiek stond men open voor Christelijke discussie. Iemand, die lid wenste te zijn van N.S.B., van C.D.U. of van een andere ongewone politieke partij, werd als broeder behandeld, maar ging een open discussie met de gemeente aan. Geen synodebesluit dat hem hardhandig uitwierp; alleen een gemeente, die hem trachtte te behouden.
In zekere zin is het tragisch dat deze groep tenslotte, na jarenlang overleg, in de inmiddels verjongde Nederlands Hervormde Kerk is opgegaan. Nog geen 7200 zielen sterk. U mag van mij ook zeggen: ruim 7000 zielen, die hun knieën niet voor de Baäl van de scholastiek hebben gebogen. Hemgreen meent. dat er in 1946 sterke reserves aanwezig waren, om het werk van Kerkherstel en Kerkopbouw in de Ned. Herv. Kerk voort te zetten. De groep was trouwens te klein en te arm, om voor zich een toekomst te eisen. Verkenners zijn tenslotte maar mensen, die een land verkennen om dan terug te komen. En denk nog eens aan de aemechtige Joden van Nehemia: ballingen met tijdelijk verlof.
Niettemin kregen ze een goede ontvangst in de Hervormde Kerk.
Niemand minder dan dr S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel schreef bij de Hereniging van 1946:
"De H.V.-predikanten en -gemeenteleden hadden door hun kritiek op de gang van zaken binnen de Gereformeerde Kerken hoge eisen gesteld, waaraan zij nu zelf als ambtsdragers en gemeenteleden zouden moeten voldoen. Vandaar, dat er gedurende vele jaren door deze groep met intense ernst en met grote zelfkritiek is gearbeid, niet alleen door de predikanten, maar evenzeer door de gemeenten. Dit heeft hen gedurende de twintig jaren van hun bestaan gevormd tot een keurcorps in het geheel der Nederlandse kerken uit de reformatie".
* ) Misschien goed om op te merken, dat deze artikelen geschreven zijn. voordat van de jongste artikelen van drs H. de Jong kon worden kennisgenomen.