Zorg voor de armen en verdrukten
1977-03-11
Wie oprecht de Here vreest zal naarstig toezien om aan armen en verdrukten recht te doen. Nog zoveel te meer als het zijn directe naaste en zijn broeder betreft.- Jaargang 21
- nummer 10
Niet het minst dáárin zullen wij ons kinderen van onze hemelse Vader betonen.
We belijden en prijzen immers zijn Naam, zo dikwijls we zingen: 't Is de Heer, die 't recht der armen, der verdrukten gelden doet; die uit liefderijk erbarmen, hongerigen mild'ijk voedt; die qevang'nen vrijheid schenkt en aan hun ellende denkt.
Daarom waarschuwt de Here in zijn Woord zo met nadruk tegen alle sociale ongerechtigheid. Hij houdt het zijn volk en kinderen telkens voor, dat ze jegens ellendigen en nooddruftigen ook barmhartigheid zullen betrachten.
Indien het volk Israël in de wegen van de Here zou wandelen, zou de Here het volk overvloedig zegenen en zou er geen armoede behoeven te zijn. Wanneer er nu toch een arme medebroeder gevonden werd - zo zei de Here - moogt ge niet hardvochtig zijn en uw hand voor uw arme broeder gesloten houden. Ge moet uw hand wijd voor hem openen en hem bereidwillig lenen, wat hij nodig heeft voor zijn behoefte.
Nu bestond er onder Israël om de zeven jaar het zogenaamde jaar der vrijlating. In dat jaar mocht een schuldeiser zijn schuldenaar niet manen tot betaling van zijn schuld. Wie dus kort voor het sabbatjaar iemand geld leende wist, dat hij voorlopig het geleende geld niet kon invorderen.
Dit zou hem van een blijmoedig hulp bieden kunnen terughouden.
Wacht u - sprak daarom de Here - dat ge bij uzelf niet listig berekent: het zevende jaar, het jaar der vrijlating is nabij, en zo onwillig zoudt worden, uw arme broeder iets te geven. Want die arme broeder zou u kunnen aanklagen bij de Here, en deze hóórt naar dat roepen.
Wij vergeten zo gemakkelijk, dat de Here aandacht heeft voor alles wat in ons leven geschiedt. Dat het Hem niet onverschillig laat, hoe wij tegen arme en verdrukte broeders staan. Wee ons, als deze armen en verdrukten tot de Here roepen gaan en ons gaan aanklagen vanwege onze onbarmhartigheid of geldgierigheid.