Een beetje plagiaat (5)

1977-03-11
  • Jaargang 21
  • nummer 10
Theologie en filosofie trachten beide. op hun eigen manier, heel de wereld in hun greep te vatten.
Filosofie wil een studie zijn, die in samenwerking met de vakwetenschappen, van de vakwetenschappen een systematisch geordend geheel maakt. Theologie bekijkt het geheel van haar eigen vakgebied uit. Alle denkers. die daarbij betrokken zijn, gaan daarbij uit van de eigen levensovertuiging, keuren en ordenen van daaruit.
Systematisch staat de wijsbegeerte dus vóór in deze concurrentie.
Ze wil niet vanuit één vak verklaren en ordenen. Maar ze heeft nog een ander voordeel, nl. de macht. Die de theologie vroeger bezat. Nu hebben de ideeën van de (niet-Christelijke) filosofen de feitelijke macht. Daardoor worden die gedachten aanvaard zonder dat men zich kritisch afvraagt: moét het? Kán het? Vaak wordt te vlug maar aangenomen, dat het mogelijk is om die ideeën "formeel" te aanvaarden, zonder daarbij hun totale inhoud over te nemen. Een doodgevaarlijke onderneming!
Want we hebben van Heidegger gelezen. dat zijn systeem van ideeën wel degelijk uit zijn (humanistische) vooronderstelling is voortgekomen.
Door deze machtspositie van de moderne filosofie is het niet wonderlijk, dat we telkens merken, dat theologen hebben gedronken uit de welput van het existentialisme.
Waar het altijd maar weer gaat om de vrije keus, die ons uit het historische, dat over ons komt en ons meevoert. kan bevrijden, en ons zo boven ons zelf uittilt, doet transcenderen.
Die grondgedachte vinden we bij zulke theologen terug bij hun ideeën omtrent god. Ik schrijf dat woord expres met kleine letter; U zult dat begrijpen, als U leest, wat de inhoud van dat begrip bij hen is. Voor hen uit zich het wezen van god alleen als de "persona" van de sprekende god. Hoe en wie hij werkelijk mag zijn, blijft verborgen achter dat woord "persona". Dat 'persoon' kan betekenen, maar ook een 'masker', dat een toneelspeler in zijn rol doet kennen. Het spreken van die god is openbaringsgebeuren de dáád! En zo grijpt het in op de historische stroom.
Precies zoals het wezen van de mens is bij de existentialisten: "het zijn-in-daad", en wel nader in de daad van de souvereine beslissing, van zelf-schepping en zelf-determinatie, zelfbepaling.
Waarin hij (voor dit ogenblik) een levenskeus doet, boven zichzelf uitkomt.
Er bestaat dus in god een duidelijke analogie, overeenkomst met de mens. De mens schept zichzelf; zo ook god, en wel in een doorlopende reeks van niet-doorlopende zelfcreatie's, nl. door het nemen van beslissingen in dat spreken. In die beslissingen komt God uit in zijn “mede-menselijkheid", in zijn partnerschap; op een manier, die heilzaam is. genadig en verlossend, om in deze sfeer te denken aan het Verbond lijkt me wel uitgesloten.
Wat de souvereine god straks wil?... De mens zit toch óók niet aan zijn eigen beslissingen vast? Maar een restje godsvertrouwen schuilt nog in dat: heilzaam, genadig en verlossend.
Doch vanwaar die zekerheid? En waarvan verlossend? Nu: van ons oneigenlijk leven in de historische stroom. Dus beperkt tot telkens maar, een ogenblik, hèt ogenblik.
Dat hebben de Bijbellezers van vroeger er nooit uitgehaald. Zo sprak de Schrift hen niet aan. Zo spréékt de Schrift ook niet!
Maar dat is helemaal geen bezwaar!
Uit de Korte Verklaring kent U het begrip "scopus" wel: de bedoeling van een pericoop. Daar hebben deze theologen de term "Sache" voor de zaak dus waar het eigenlijk omgaat.
Want het gaat er maar niet om uit te leggen, wat er eigenlijk stáát, doch om de Sache te demonstreren.
Die Sache is het eerst gegevene. en moet onderscheiden worden van alle Tatsachen-feitelijkheden: nl. uit de historische stroom, waarop we meedrijven.
Die Sache moeten we begrijpen, zelfs al gaat dat in tégen de bedoeling van de bijbelschrijver!
Want de Sache is normatief, en zij alleen.
Maar als dat zo is, ziet U duidelijk, dat de grondgedachte van deze theologie van buiten-af is binnengebracht; Het hoofdprincipe is niet aan de Schrift zelf ontleend, maar bij de existentialisten weggehaald.
Nu hebben die geen god nodig.
Maar theologen kunnen, op straffe van filosofen te worden, het niet zonder een god stellen. Ze maken zich er een, voor wie de existentialistische mens model
staat! Dat er achter de mensenwereld nog een goddelijk iets is, dát is het buitengewone gegeven van de theologie, dat haar "filosofie" en haar exegese tot theologie maakt.
Daarin staat het buitengewone tegenover de algemeen geldige verklaarkunst, die aan het existentialistische mensbeeld hangt.
Zo kan de theoloog, die verder geheel met de filosoof meedenkt, tenslotte als theoloog verklaren, dat de grondstelling van de existentialisten: "in het wezen van de zelfbeslissing is het Zijn", dat die grondstelling toch feitelijk alleen maar dit is: "géénbetrekking hebben tot god." Daarin kunnen we meegaan.
Alleen: de inhoud van hun godsbegrip is wèl door "de" filosofie bepaald! En ook: wat er ook in de H. Schrift mag stáán, de exegeet moet allereerst en allermeest dit grondprincipe in gedachten houden: uit de toevallige bijbelteksten moet hij naar voren halen, dat álles contingent, toevallig, niet wezenlijk is. maar dat toch juist naar aanleiding van die bijbeltekst de existentionele belevenis moet en kán plaatsvinden.
Bij de existentiefilosoof is dat de ontmoeting met zichzelf. Bij de theologen de ontmoeting met god.
De filosoof en god hebben beide hetzelfde karakter. Veel verschil in beleving zal dat ontmoeten dus niet hebben!
Welke verschil is er dan wel?
Dit verschil: de ene ontmoeting is filosofisch. de andere theologisch.
Bij de laatste ontmoeting schuilt het contingente, toevallige, wat niet te berekenen is, in de persoon van Jezus Christus - het wonder van het worden van het Woord, van boven af, toevallig, de altijd weer nieuwe daad van god. Bij de beschrijving van deze steeds nieuwe daad van god moeten we echter precies dezelfde woorden gebruiken als bij het zichzelf scheppen, zichzelf transcenderen van de mens. Het gaat in beide gevallen ook niet om een Tatsache, om een feit!
Het is duidelijk, dat hier de H. Schrift niet wordt nagesproken.
Ook komt uit, dat men er nog wéét van heeft, dat de wereld van een gelovige anders is, dan van iemand, die met de Woordopenbaring geen rekening houdt.
Dat besef is er. Daarom gebruiken ze de Woordopenbaring nog wel. Maar ze laten haar "buik spreken", en haar zó zeggen, wat ze zelf willen beweren.
Ze verstaan de Bijbelse boodschap niet meer. Brengen haar ook niet.
Het woord contingent, toevallig, zo-maar-zijn alleen al maakt duidelijk, dat ze van geen "wandelen met God" weten. In hun zekerheid dat god altijd komt "heilzaam, genadig en verlossend" is de waarschuwing uit de Heldelberger: niet alleen genadig, maar ook "rechtvaardig" gewezen van de hand.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief