Over de "scheppingsdagen"

1977-03-11
  • Jaargang 21
  • nummer 10
Een herinnering
Ook deze week wil ik doorgaan met het geven van herinneringen.
Ik lanceer in deze artikelen niet eigen opvattingen, maar wat voor een halve eeuw werd gepubliceerd.
En dat toen door alle gereformeerden met algemene instemming en zelfs met vreugde, als verrijking der Schriftkennis, werd aanvaard.
De lezers hebben uiteraard reeds lang begrepen waarom ik dat doe.
Als gevolg en naar aanleiding van de z.g. "Geelkerken-kwestie" is in die tijd enorm veel gedaan aan de bestudering van de Heilige Schrift.
Prof. Schilder b.v. heeft in die jaren ontzaglijk veel geschreven dat tot een verdiept inzicht in de Heilige Schrift heeft geleid. En van het vele dat toen verscheen wil ik speciaal ook noemen 't boek van Prof. Berkouwer "Het probleem der Schriftkritiek", waarin hij zich intensief - en goed gereformeerd! - bezig hield met de vragen die toen aan de orde waren.
Het is tegenwoordig zo dat allerlei groepen, richtingen, secten, ik denk om maar iets te noemen aan Pinkstergroepen, Youth for Christ, Navigators, Volle Evangelie en, met name, aan hen die "weg" zijn van de boeken van Hall Lindsey - die de Schrift vaak hanteren op een wijze die oppervlakkig, zo niet on-Schriftuurlijk moet worden genoemd.
Met alle waardering voor hun liefde tot Christus en hun eerbied voor de H. Schrift moet dit toch ook eerlijk worden gezegd. Soms ontaard dit Schriftonderzoek in een "leg-puzzel-theologie" die kant noch wal raakt. Er is bij de genoemden soms een Schriftgebruik dat de resultaten van Schriftgetrouw bijbelonderzoek negeert en zo de schatten die daardoor uit de Schrift zijn opgedolven doet verloren gaan.

Wanneer men zich verdiept in de literatuur die in de "Geelkerkentijd" tegen de synode van Assen verschenen is - ik heb een dik pak brochures uit die tijd - wordt men getroffen door het ontstellend chaotische daarvan. Schilder schreef eens dat men soms kans had gezien in enkele zinnen alle filosofische grondbegrippen ten dans te leiden!
Zoals ik ook reeds zei wil ik niet over de besluiten van Assen als zodanig spreken. Die zijn nu niet aan de orde. Alleen wil ik even aanduiden waarover het toen naar de analyse van prof. Schilder ging. Hij schreef letterlijk het gaat om "de vraag van historie OF "hogere werkelijkheid", over de vraag historie OF "inkleding"; over de vraag van werkelijkheid in tijd en ruimte DAN WEL van symbolische voorstelling."
Men lette. dit lezend, vooral goed op dat OF en dat DAN WEL. Dat wil zeggen: dat het hierbij gaat om een tegenstelling, om een dilemma. Het is het ène, maar dan niet het andere. het andere maar dan niet het éne. En volkomen terecht wijst Schilder dan deze tegenstelling af en kiest hij vóór "historie" en vóór "werkelijkheid in tijd en ruimte".
Een geheel andere kwestie is b.v. deze of de "historie" en de "werkelijkheid in tijd en ruimte" niet ook één, of ten overvloede, in symbolen en dus op symbolische wijze kan worden aangeduid!
Ik wil daarover iets zeggen omdat daaromtrent ook onder ons misverstand heerst.
Het is namelijk zo dat in de bijbel historische feiten, toestanden, dus "historie" en "werkelijkheden", die als zodanig worden bedoeld ook wel in symbolische vorm worden beschreven. Dat gebeurt dan niet om het historische, het werkelijkheidskarakter van het daardoor aangeduide te verzwakken laat staan te verluchtigen!
Juist omgekeerd, dat dient om de aard, de betekenis van het historische, van die werkelijkheid te scherper en indringender te tekenen!
Laat ik een paar voorbeelden noemen.
In Jesaja 5 vindt men het prachtige en ontroerende lied van de wijngaard. Die wijngaard is het "symbool" van Israëls huis. En symbolisch wordt daarin getekend wat de wijngaardenier, de HEERE der heerscharen, aan zijn wijngaard heeft gedaan. En wat Hij ten slotte van die wijngaard ontving. Prof. Ridderbos gaf de uiteindelijke "toepassing" van dit symbool prachtig zó weer: "Hij hoopte op een goed regiment, en zie het was een bloedregiment, op rechtsbetrachting, en zie het was rechtsverkrachting."
Vooral Ezechiël gebruikt die symbolische geschiedbeschrijving.
In hoofdstuk 4 wordt op een navrante, aangrijpende wijze het beleg van Jeruzalem met een symbool uitgebeeld. In een nieuwe vertaling leest men: "En gij mensenkind, neem een kleitegel en leg die voor u en teken daarop een stad Jeruzalem. Maak dan tegen haar een belegering, bouw tegen haar een belegeringswal op, stel legerafdelingen tegen haar op en richt van rondom stormrammen tegen haar. Neem dan een ijzeren bakplaat en stel die als een muur tussen u en de stad. Richt dan uw aangezicht tegen haar, zodat zij in staat van beleg komt en beleger haar. Een teken is dit voor het huis Israël."
Ezechiël moet dan met banden gebonden 390 dagen op zijn linkerzij liggen om de ongerechtigheid van Israël te dragen en 40 dagen op zijn rechterzij om de ongerechtigheid van Juda te dragen.
Hij mag voorts niet meer dan drie ons van het meest onreine brood. gebakken op een afschuwelijke manier. eten en niet meer dan één liter water per dag drinken. 1) Zo moet hij symbolisch uitbeelden het beleg van Jeruzalem.
In het aangrijpende hoofdstuk 16 wordt symbolisch heel de geschiedenis van het volk Israël beschreven.
We lezen daar van een pas geboren kind dat direct na de geboorte volledig onverzorgd op het veld werd neergesmeten. Dat kind wordt liefderijk door de HEERE opgenomen en verzorgd en ontaard ten slotte tot een "aartshoer" . En in hoofdstuk 23 wordt de geschiedenis van Israël en Juda beschreven met het symbool van de levensgang van de twee vrouwen, Ohola en Oholiba.
En zo zou er nog veel meer te noemen zijn. Men denke aan het huwelijk van Hosea 2) aan fragmenten uit de profetieën van Zacharias.
En: is het laatste deel van de Openbaring aan Johannes niet een volledig in symboolvorm beschreven (laatste periode van de) "historie". en "werkelijkheden in tijd en ruimte"?
Genoeg om te doen zien dat we in de Heilige Schrift overal echte historie. werkelijkheden in tijd en ruimte vinden beschreven in symboolvorm. En het is de taak van zorgvuldige Schriftgetrouwe exegese na te gaan waar en hoe dat geschiedt.

Dat was een kort intermezzo.
We willen nu iets weergeven van wat een halve eeuw geleden speciaal door Schilder over de scheppingsdagen werd gezegd.
Eerst een m.i. belangrijke opmerking.
En wel deze dat het woordgebruik ten opzichte van het in het aanzijn roepen van deze wereld door God vaak slordig is.
Men maakt namelijk in het spraakgebruik daaromtrent niet steeds of vaak zelfs helemaal niet onderscheid tussen schepping en geschapene of schepsel. Het woord schepping duidt namelijk een handeling. een daad aan. En wel een daad van God (vgl. woorden als vorming, opvoeding, belegering enz.) Als daad van God is de schepping "boventijdelijk", "bovenruimtelijk". Door haar ontstaat o.a. tijd en ruimte.
Het resultaat van die schepping.
van de scheppende daad van God is het geschapene. het schepsel.
En dat bestaat voor zover het onze aarde betreft "in de tijd" en daartoe behoort de "ruimte".

En nu over het eigenlijke onderwerp.
De schrijver van de anonieme brochure over wie we reeds eerder spraken heeft ook aan de scheppingsdagen een paar bladzijden gewijd. En volgens het door hem steeds hanterende procedé! Volgens "de mannen van Assen" moet je alles in de eerste hoofdstukken z.i. "letterlijk" lezen.
Maar er zijn Gereformeerden die de dagen van Gen. 1 niet beschouwen als dagen van 24 uur, althans niet durven vaststellen, dat de auteur van Gen. 1 het absoluut zó bedoeld heeft, en die dus in beginsel de mogelijkheid toegeven dat die "dagen" perioden kunnen zijn van niet nader te bepalen duur. En de conclusie van deze schrijver ligt voor de hand: als "de mannen van Assen" zó spreken, zijn ze weer zelf schuldig aan wat ze Geelkerken verwijten, zijn ze zelf "Schrift-aanranders”.
Schilders eerste reactie op dit "betoog" is: "Reeds eerder wees ik erop. dat men de beschuldiging van “on-EIGENLIJK" opvatten of niet-LETTERLIJK lezen, zeer voorzichtig moet zijn; immers de vraag is eerst, op welk terrein men zich begeeft. In het voorbijgaan zegt de naamloze brochureschrijver zo maar even, dat er "volgens DE exegetische regelen" van "Assen" te spreken is van "DE gewone letterlijke opvatting der H. Schrift". Zou hij eens willen zeggen waar en wanneer "Assen" spreekt van "DE gewone letterlijke opvatting der H. Schrift"? Het is allemaal geredeneerd in het wilde weg." De synode van Assen had juist betoogd dat in het paradijsverhaal dingen staan die niet letterlijk mogen worden opgevat! Moet men een uitspraak van de HEERE God voor de mens en zijn vrouw klederen van vellen "maakte"; hen daarmee "bekleedde" letterlijk opvatten? Het zou op Godslastering beginnen te lijken.
Slachtte God soms beesten, prepareerde Hij de vellen ervan en naaide Hij daarvan kleren en trok Hij die Adam en Eva aan?
"Het is eenvoudig onzinnig te spreken "van "de" (!) "gewone" (!) letterlijke opvatting der H. "Schrift" (!)"
Bovendien: het liep tussen "Assen" en "Geelkerken" over "een hogere werkelijkheid" waarover de laatste heel in 't algemeen en zeer onkritisch sprak. Maar de gereformeerden die de vraag stelden of in Gen. 1 onder het woord "dag" wel een dag-van-24-uur moet worden verstaan filosoferen helemaal niet over een "hogere werkelijkheid"! Ze zijn het er over eens dat het in de vraag naar de tijdsduur van die "dagen" geheel en al gaat over de "gewone" creatuurlijke werkelijkheid.

Tot zover deze week

1) Ezechiël moet brood eten, gebakken van een mengsel van zes soorten graan.
Een gruwel in Israël! En dat brood moest niet gebakken worden op een gloeiende steen maar op mensendrek, die op Ezechiëls dringend verzoek vervangen mag worden door koeienmest.

2) Exegetisch staat het niet vast of dit huwelijk uitsluitend symbolisch of óók "werkelijkheid" was.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief