,,Geheel Israël zalig

1983-09-09
  • Jaargang 27
  • nummer 33
De bouw van het Godsvolk Israël is van de vroegste tijden af een Geestelijke zaak geweest. Vooral gedurende de oudtestamentische tijd heeft de Here God daarvoor goedgunstig het bloed van Abraham willen gebruiken, maar gebonden is Hij daaraan nooit geweest, zomin als aan welke andere afkomelingschap ook maar. Steeds is het gegaan naar het woord van de Here God tot Abraham (aangehaald door Paulus in Romeinen 9 : 7; zie ook Hebreeën 11 : 18): ,,In Isaäk zal voor jou nageslacht (in het leven) geroepen1) worden" (Gen. 21 : 12). 'In Isaäk', dat wil zeggen: op de manier van, à la Isaäk, wonderlijk van boven af, waarbij de Almachtige naar het woord van Johannes de Doper zelfs stenen gebruiken kon (Mattheüs 3 : 9) Israël is niet zomaar een volk dat geboren is, maar als volk Gods is het geschapen (Psalm 102 : 19). Het mag dan ook niet verbazen dat je in dit Israël Gods telkens bloedverwantschappen aantreft die niet tot Abraham, Isaäk en Jakob te herleiden zijn. De Rachabs en de Ruths uit het geslachtsregister van de Heiland zijn geen uitzonderingen geweest.
Wist u bijvoorbeeld dat Jeruzalem, de meest israëlitische stad, het minste israëlitische bloed in de aderen had (zie Ezechiël 16 : 3)? David had namelijk deze kanaänitische vesting ,veroverd zonder de oorspronkelijke bevolking uit te roeien (2 Samuël5 : 6-10).

En lees eens met aandacht 'de profetie van Jesaja 43 : 5b-7: "Ik doe uw nakroost van het oosten komen en vergader u van het westen.
Ik zeg tot bet noorden: geef, en tot het zuiden: houd niet terug, breng mijn zonen van verre en mijn dochters van het einde der aarde, ieder die naar mijn naam genoemd is en die Ik tot mijn eer geschapen, gevormd en gemaakt heb". Moeten we niet zeggen dat hier boven een lijfelijke nakomelingschap uit gesproken wordt, al is die mede bedoeld? De woorden 'scheppen', 'vormen' en 'maken' zijn in hun opeenhoping te nadrukkelijk. Of lees Jesaja 44: 3-5: ,,Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen. Zij zullen uitspruiten tussen het gras, als populieren langs de beken. De een zal zeggen: ik ben des HEREN, een ander zal zich noemen met de naam Jakob, en een derde zal op zijn hand schrijven: van de HERE, en de naam Israël aannemen".
Eigenaardig eerst denk je bij deze belofte aan de 'gewone' kinderzegen, vervolgens 'gaan de gedachten naar de zegen daarbovenuit dat deze kinderen ook voor de Here God en zijn dienst kiezen, maar tenslotte kan het je niet meer ontgaan dat er onder dit nakroost ook aangenomen kinderen zijn. Met elkaar vormen zij 'Israël'. We zullen ons deze samengestelde kinderzegen zo hebben voor te stellen dat de Israëlieten die uit de ballingschap huiswaarts keerden, behalve hun gezin dat zij: zich in den vreemde gevormd hadden, ook nog een geestelijke aanhang meebrachten. Eigenlijk had zich dat verschijnsel vanaf de vroegste tijden van Israëls geschiedenis al voorgedaan (zoals het voorbeeld van Naomi die Ruth uit Moab meebracht laat zien), maar naarmate het Israël dat in de landen der verstrooiing (oost, west, noord en zuid - Jesaja 43 : 5, 6) leefde toenam, kwam dit vaker voor.
Vooral in de periode na de babyIonische ballingschap is Israël ermee vertrouwd geweest, (want ook na de terugkeer van de ballingen uit Babel bleef de verstrooiing voortduren). In de profetie van Zacharia (10 : 9) vinden we temidden van andere verwante godsspraken een woord dat deze eigenaardige groei van het volk als een eigen werk van de Here God voorstelt: ,,Ik zaai ze onder de volken en daar in die verre streken hebben ze het over Mij en (zo) krijgen ze hun kinderen en keren terug" (volgens de iets betere lezing van de griekse vertaling der Zeventig).
Uitbreiding van Israël door getuigenis-arbeid naar buiten dus. Menige volksgenoot van het eerder weggevoerde tienstammen-rijk zal zo teruggewonnen zijn. De profeet Jeremia ziet dat vóór zich in hoofdstuk 3 : 18, temidden van een gedeelte waarin hij het over de belofte Gods voor Efraïm heeft: "In die dagen zal het huis van Juda op het huis van Israël afgaan en samen zullen ze uit het land van het noorden komen naar het land toe dat Ik jullie vaders ten erfdeel gegeven heb". Maar ook mensen uit de volken die echt buiten stonden, werden door dat getuigenis toegebracht. Israël was inderdaad een zaad Gods onder de volken. Mogelijk dat onze Heiland later dit woord van Zacharia voor ogen had, toen Hij op het moment dat enige Grieken belangstelling voor Hem toonden zei: ,, ... indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt ze veel vrucht voort" (Johannes 12: 24).
De heuse doorbraak van het heil naar de volken kwam pas toen het zaad Gods door de dood heen zijn wervend werk begon te doen. Maar hoe dat ook zij, wat op deze manier ontstond kon op volstrekt legitieme wijze Israël heten. Anderzijds zullen in en door diezelfde verstrooiing vele Israëlieten totaal gesekulariseerd en restloos in de volken opgegaan zijn. Door deze ‘uitwisseling’ werd Israël bestendig herinnerd aan zijn geestelijk karakter.

Zefanja 3 : 9-13
Dit samengestelde en geestelijke karakter van 'Israël' komt eveneens duidelijk uit de verf in een passage uit de profetie van Zefanja, hoofdstuk 3 : 9-13: "Maar dan zal Ik de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen de naam des HEREN aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder. Van gene zijde der rivieren van Ethiopië zullen mijn aanbidders, de dochter mijner verstrooiden, mijn offer brengen. Te dien dage zul jij je niet behoeven te schamen over al de daden waarmee je tegen Mij hebt overtreden, want dan zal Ik uit je midden je hoogmoedig juichenden verwijderen. En voortaan zul je niet meer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg. En Ik zal in je midden overlaten een ellendig en gering volk en wie schuilen bij de naam des HEREN. Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en nederliggen zonder dat iemand hen opschrikt". Ik ben mij ervan bewust dat er iets kwetsbaars en iets aanvechtbaars in zit dat ik juist deze aansluitende verzen uit het geheel van het hoofdstuk en van het boek licht.
Steeds meer namelijk geraak ik van overtuiging dat er in de profetische boeken niet alleen geboodschapt wordt door de inhoud van de teksten maar ook door de wijze waarop de afzonderlijke godsspraken bij elkaar zijn gezet. En dat maakt het aflijnen van een pericope extra hachelijk. Toch is er een goede reden om juist Zefanja 3 : 9-13 als een samenhangende eenheid te verstaan. Deze is dat het toekomstige heil dat hier wordt aangekondigd, door deze vijf verzen heen vooral uitgelegd wordt als een heiliging van de spraak. Het gaat over 'reine lippen' (vers 9), het 'aanroepen van de naam des HEREN' (vers 9), 'aanbidders' (vers 10), 'hoogmoedig juichenden' (vers 11), 'leugen spreken' (vers 13), en 'bedriegelijke tong' (vers 13). Natuurlijk gaat het daarnaast óók over de heiliging van handel en wandel (de verzen 11 en 13), maar toch speelt het spraakvermogen van de mens in deze heilstoezegging een op de voorgrond tredende rol. Vanuit deze gevonden eenheid mogen we op zoek gaan naar verdere samenhang van dit uit verschillende delen samengestelde godswoord.
Deze samenhang schijnt overigens te ontbreken, want in het begin van dit stukje gaat het over de toebrenging der volken, terwijl van vers 11 af een nieuwe godsspraak verluidt die zich richt tot een 'jij'. Aangesproken is daarmee Israëls gemeente aan gene zijde van de ballingschapskatastrofe. In vers 13 heet zij 'het overblijfsel van Israël'. Toch heeft deze 'rest'-gemeente alles te maken met de toegebrachte volken waarover het in het begin gaat. Hetgeen we nu zullen zien. Zegt vers 9 dat die volken 'allen' zullen aanroepen, vers 10 geeft van dat 'allen' een nadere uitwerking door het noemen van enige niet eens zo voor de hand liggende naties: de Ethiopiërs en hun zuidelijke nasleep. (Was Zefanja misschien zelf van Ethiopische afkomst? In 1: 1 heet hij: 'de zoon van Koesji' en dat kan vertaald worden als 'de zoon van een Ethiopiër'; zie ook 2: 12).
Van deze zuidelijke streken ziet de profeet - nee, niet allen, hoofd voor hoofd, komen maar alleen die 'allen' zoals de Here God ze voor ogen heeft. 'Mijn aanbidders', noemt de profeet hen, dat wil zeggen: die heidenen die niet langer tot hun afgoden riepen omdat ze er toe overgegaan waren in de God van Israël te geloven en Hem nu ook wilden vereren op de plaats die Hij zich ter woning gekozen had, te weten Sion/Jeruzalem. Daarheen brengen zij dan ook het voor de HERE bestemde offer, zo voorziet de profeet.
Maar nu heten volgens onze gebruikelijke vertaling in vers 10 dezie heidense aanbidders 'mijn verstrooiden', De oude Staten-vertaling geeft dat echter precieser weer met 'de dochter mijner verstrooiden', - een interessante uitdrukking waarvan ik het jammer vind dat de NBG-vertaling die heeft laten vallen. Zij geeft namelijk aan hoe dat in z'n werk gegaan is dat deze heidenen hun afgoden afgezworen hebben en de levende God zijn gaan dienen. Dat is gebeurd onder invloed van de verstrooide Israëlieten. Zij hebben in den vreemde met alleen de lichamelijk maar, ook de geestelijke kinderzegen ervaren. Zij hebben een dochter voortgebracht: een gemeente van 'zowel Joden als Jodengenoten', zou Handelingen 2 : 10 zeggen. De tekst is alzo in perfekte overeenstemming met wat Zacharia 10: 9 (zie boven) ons berichte. De volken die van, de Here God reine lippen ontvangen zodat ze 'allen' de HERE gaan aanroepen en dienen, zijn hier vertegenwoordigd in de proselyten die zich bij de gelovige Joden in de verstrooiing aansloten. We zien hen hier ter aanbidding naar Jeruzalem komen, samen met die Joden die gevolg gaven aan de oproep tot terugkeer die er van de uit Babel huiswaarts gekeerde ballingen uitging. In de verzen 11 en 12 is deze gemengd samengestelde gemeente aangesproken met het vrouwelijke enkelvoud 'jij:', dat aansluit bijl het woord 'dochter' uit vers 10, en in vers 13 heet ze 'het overblijfsel van Israël', waarover dan in de rest van het vers in meervoudige vorm gesproken wordt: "Het overblijfsel van Israël - zij zullen geen onrecht doen en zij zullen geen leugen spreken en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden, ja zij zullen weiden en neerliggen zonder dat iemand opschrikt", De beloofde reine, lippen van het begin zijn hier duidelijk terug. Opmerkelijk overigens dat deze gemeente van 'alle' volken, samen met Israël of wat daarvan over is, het overblijfsel van Israël heet! Zou men hier nu niet - op mijn standpunt - 'heel Israël' mogen verwachten? Immers: de kerk, samengesteld uit de 'rest' van Israël plus de geroepenen uit de volken? Ik kan niet nalaten nu alvast te verklappen dat dat inderdaad het geval is in een paar teksten die we nog zullen bezien. Op dit moment echter volsta ik ermee de waarschuwing te herhalen dat we 'rest' en 'geheel' met tegen elkaar uit mogen spelen, omdat ze beide aanduidingen zijn van dezelfde kerk van God bestaande uit Joden en niet-Joden. 'Rest' ziet daarbij meer op de kerk als historisch verschijnsel, de kerk die niet zonder kleerscheuren door de geschiedenis heenkomt, terwijl het woord 'geheel' meer in de eschatologie thuishoort en de gemeente beschouwt als het gereed komende en gereed gekomen werk van God.

Psalm 102 : 20-23
Bij deze tekst uit Zefanja betrek ik nog de passage van Psalm 102 : 20-23: ,,Want Hij heeft uit zijn heilige hoogte neergezien, de HERE heeft uit de hemel op aarde geschouwd, om het zuchten der gevangenen te horen, om de ten dode gedoemden te bevrijden; opdat men de naam des HEREN in Sion vertelle, en zijn lof in Jeruzalem, wanneer de volken altegader en de koninkrijken zich zullen verzamelen om de HERE te dienen". De passage heeft wel wat van die van Zefanja vanwege die 'volken altegader' die de dichter in Sion ziet samenkomen tot de dienst des HEREN. Eigenlijk verrast die mededeling over de volken in vers 23, want ging het in de voorafgaande verzen wel over hen? Gevangenen die zuchten worden gehoord en ten dode gedoemden worden bevrijd en deze berooiden gaan naar Sion toe om over hun ervaringen met de Here God te vertellen. Wij herkennen hierin gemakkelijk het gebeuren van de terugkomst van de babylonische ballingen. Maar nu is deze terugkeer in Psalm 102 tegelijk als beeld gebruikt voor de wending die de dichter in zijn persóónlijke levensomstandigheden verwacht. De belofte van herstel voor het verwoeste Sion is hem een pand voor de aandacht die de Here God aan zijn nood zal schenken (de verzen 13-16). Omgekeerd is hem de verhoring van zijn en andere smeekgebed een bewijs dat de HERE zijn Sion bouwt (de verzen 17-19). Het lot van Sion en dat van de persoonlijke gelovige(n) liggen dus in de psalm eigenaardig verstrengeld.
Echter blijkt ook hier weer dat via de persoonlijke gelovige een doorbraak van het strikt israëlitische kader van Gods volk is gevonden.
De Here God ziet uit de hemel naar ook andere dan joodse zuchtende gevangenen en naar meer mensen dan alleen de judese ten dode gedoemden. Zijn ogen doorlopen daartoe de gánse aarde en niet alleen het babelse land (vers 20). En zo ziet dan de dichter Sion tot een verzamelplaats worden van de 'volken altegader' en van 'alle koningen der aarde' (vers 16). Toch blijven ze een israëlitische signatuur vertonen en dat komt doordat ze met de vrome Joden mee naar Jeruzalem komen. Gelet op die koningen die in vers 16 genoemd worden (en met welke wel de geestelijk besten bedoeld zijn) mag men ze wel typeren met de woorden van Psalm 47: 10: ,,De edelen der volken zijn bijeenvergaderd als volk van Abrahams God". Men kan ook met Psalm 87 zeggen: "deez' en die is daar geboren", maar dan wel: wonderlijk geboren, van Boven af, uit water en Geest. Psalm 102 : 19 zegt het zo: ,, … en het volk dat geschapen zal worden, zal de HERE loven": ook hier dus is het volk Gods Israël, een schepping, een bijzonder werk des Heren.

1) De gedachte is mij bijna onverdragelijk dat wij in deze tekst het kostbare woord 'roepen' zouden moeten inruilen (zoals in de NBG-vertalling gebeurt) voor het bleke 'spreken van', dat dan ook nog het nietszeggende onderwerp 'men' bij zich heeft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief