Een beetje plagiaat (6)

1977-03-18
  • Jaargang 21
  • nummer 11
Het slot van artikeltje 5 liet ons zien, dat de existentionele theologen een beperkte en daardoor misleidende boodschap overbrengen.
Heel het woord "boodschap" is zelfs minder juist, Want "boodschap" houdt toch inhoud in! En niet de inhoud van de bijbel wordt ons door deze theologen gebracht.
De bijbel immers is voor hen maar een gewoon boek. De historische kritiek laat er weinig van over, zeggen ze. Een veilige basis voor ons denken en doen kan dat boek niet geven.
Eigenlijk is het mooie van de historisch-kritische methode, dat ze ons elke (vermeende) veilige basis ontneemt! We worden door haar teruggeworpen op geloven alléén!
Dan is dit het grote wonder, dat de bijbel door god gebruikt wordt als openbaringsmiddel. Let wel: niet om een inhoudelijke boodschap mee te delen. Want de bijbel is historisch, verleden tijd.
God is in de dáád. "De mens moet zich in de daad authentiek maken", zeggen de existentialisten.
"De mens moet in de ontmoeting met god authentiek “worden", zegt de existentionele theoloog.
In de ontmoeting met god in/tijdens de verkondiging als dáád kan de mens toevallig, voor een ogenblik authentiek wórden en de godservaring beleven, van een god, die altijd genadig is en heilzaam.
Die heel toevallig steeds juist van de bijbel gebruik maakt als middel voor die ontmoeting als dáád.
Die ons ook alleen maar in de daad der ontmoeting ontmoet, maar nimmer een feitelijke mededeling doet.
Nimmer? Sommigen onttrekken nog iets aan de macht van de historische kritiek. Bijvoorbeeld het historisch bestaan van Jezus van Nazareth, wat ze daar dan verder ook mee doen. Want er moet toch een inhoud wezen, zeggen ze paradoxaal tegen hun grondstelling in. Het is inderdaad paradoxaal.
We hebben daarin dan ook met het wónder te doen.
Want een redelijke grond is daarvoor niet aan te voeren. Het ligt dus geheel buiten het gezichtsveld van de historisch kritische methode. Door dat wonder wordt die methode dan buiten spel gezet. Maar als dat specifieke wonder er is en de methode opzij schuift: waarom wordt er dan toch zo'n grote rol aan toebedeeld om de verdere bijbelinhoud zó te behandelen, alsof een wonder onmogelijk is, er geen feitelijke waarheid is, waardoor we ons onveilig gaan voelen? Als we uiteindelijk toch wèl met een wonder te maken krijgen!
Dat wonder is op zich ook al wonderlijk! Want de toevallige ontmoeting, rechtstreeks van boven af. confronteert ons met de zwijgende stem van god. Wonderlijk: een zwijgende stem. Daar worden we echt niet veel wijzer van.
Daarom geven die "sommigen" toch weer een echte inhoud van dat spreken aan. Die enkele inhoud is dan de bijbelse boodschap.
Die juist als bijbelse boodschap aan de historische kritiek onttrokken is. Helaas is dat "bijbelse" toch weer niet hetzelfde voor alle theologen. We zouden moeten leven naar het oordeel, het subjectieve oordeel van mensen.
In de theologie moet het echter gaan om wat God zegt, niet om wat Hij verzwijgt. Overigens komen we bij deze denkers mooie woorden tegen, ook bij hen die de ontmoeting met god helemaal inhoudloos maken; woorden die gemakkelijk beslag op ons krijgen, wanneer we ze gaan aanvaarden als “correcte" , “formele" termen. Maar dat kan echt niet!
"Ik geef maar: de vraag omtrent god wordt van gods zijde beantwoord in het kèrugma, de prediking ... , daaruit ontluikt het geloof... die telkens nieuwe gave krijgen we door telkens weer gelovig (nd.!) te luisteren naar de woordproclamatie, doch niet in de openbaring van feiten. De ontmoeting met god vindt plaats in coöperatie, nl. van gods decisie, beslissing vóór ons en de onze voor hem, voor zijn advent, zijn toekomst, die ons onwereldlijkt, d.i. die ons bevrijdt van de slavernij van de natuur, de geschiedenis en speciale wetten. Daar straalt het ideaal van de humanistische souvereine mens duidelijk uit!
Zo komt de mens ook niet tot geloof, maar het geloof komt tot hèm. (Ook een stelling die bij Heidegger haar parallel vindt.) Immers verlossing komt (voor hen) in de ontmoetingsgebeurtenis tot ons, wel met onderbrekingen maar toch telkens wéér gebeurend.
Dat zekere weten omtrent het toevallige gebeuren geeft zekerheid: géén gevoel van veiligheid door een vaste steun van een vaste duidelijke Woord-openbaring.
Dat en die zij verre! Maar de zekerheid van het toevallige, het onzekere maar mógelijke gebeuren, dat wónder. Dat ook maar alleen het gebeuren van het ontmoeten is, in welke ontmoeting de zwijgende stem gods is. Die ons dus ook niets leert.
Dat doet de prediker wel: gods goedheid, genade en redding, zegt hij, komt in dat ontmoeten tot ons. De vraag is: waar wéét die prediker dat toch uit? En die ontmoeting komt recht van boven: ze moet dus toch wel een feit en feitelijkheid zijn! Maar op feiten kunnen we niet bouwen! zeggen ze zelf. Hoe weet de prediker dan dat allerminiemste stukje, dat hij van de inhoudelijke Schriftopenbaring overlaat? En moet de mens onder zijn kèrugma zich dus toch maar op de mens, de prediker verlaten? Hangen we dan toch uiteindelijk af van de feitelijkheid, historisch en wel, van het kèrugma daar op de kansel?
Die overigens maar een profaan podium is!
Gelukkig heeft het Woord wèl een boodschap, die zeer vast is!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief