DE VERNEDERDE KONING
1977-03-25
"Pilatus dan zei tot Hem: Zijt Gij dus tóch een koning?- Jaargang 21
- nummer 12
Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben."
Johannes 18: 37 a
De aanklacht van de Joden
Op Zijn lijdensweg wordt de Heiland der wereld gekonfronteerd met een Romeins rechter.
Het heet. dat bij de Romeinen het recht veilig is, maar het marchanderen met het recht door een figuur als Pontius Pilatus schokt dat vertrouwen ernstig.
De Joden zoeken hun aanklachten zo te formuleren, dat zij de steun krijgen van de bezettende macht, Je zou een man als Pontius Pilatus in zekere zin kunnen vergelijken met een Seijss-Inquart in de Tweede Wereldoorlog. De Joden willen, dat Pilatus de verantwoordelijkheid draagt. Ze noemen Jezus een misdadiger, maar daar heeft die Romein niet veel houvast aan. De Joden zullen dus meer tegen Jezus moeten aanvoeren om Hem aan het kruis gespijkerd te krijgen. Wèl, de aanklacht is eigenlijk drieërlei:
1. Hij maakt het volk afkerig aan de Romeinen.
Maar die aanklacht houdt geen steek. Want als Pilatus daar Jezus voor zich ziet staan, merkt hij, dat de Heiland nergens een martiale indruk maakt. Je hoeft als zodanig helemaal niet bang voor Hem te zijn. Zijn gelaat draagt nog de sporen van de zware druppels bloedzweet, die uit Zijn poriën waren geperst in Gethsémane.
Zijn handen waren op Zijn rug gebonden. Hij was gedeeltelijk beurs geslagen door de leden van het sanhedrin en hun lugubere handlangers. Het woord van Jesaja 53: 2 wordt aan de Christus vervuld: " ... hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd."
Op zo iemand zou je je keus niet laten vallen en je stem niet uitbrengen. Trouwens, Pilatus had heus wel rapporten ontvangen van de glorieuze intocht van Jezus in Jeruzalem waarbij het Hosanna niet van de lucht was geweest.
Maar daar liep geen bloed uit!
Zijn oordeel luidde, dat dat een tamelijk onschuldige aangelegenheid was geweest.
2. Deze verbiedt belasting te betalen aan de keizer.
Afgezien -van het feit, dat, als dat werkelijk waar zou zijn geweest.
de Joden Jezus zonder meer met fanfares hadden ingehaald en gehuldigd -- zo'n Man konden ze immers opperbest gebruiken! --is het tegendeel te bewijzen.
Jezus had immers overduidelijk gezegd: "Geeft dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is."
3: Hij zegt, dat Hij Zèlf Christus, de Koning is.
Deze derde beschuldiging schijnt waar. Maar zij is een pure leugen.
Jezus was aan de schare ontkomen toen men Hem na de spijziging van de vijfduizend koning wilde máken, Hij wás al een eeuwig Koning en wees een aards koningschap, dat staatsgevaarlijk was voor de Romeinen pertinent af. De Joden konden dit weren. Maar toch moest deze valse beschuldiging dienstdoen om de Heiland rechtens te laten veroordelen!
De Koningsvraag als kernvraag
Nu is het heel opvallend, dat de Here Jezus op al die praatjes, die over Hem verkocht worden. helemaal niet ingaat. Hij laat die mensen praten en Hij laat Pilatus ermee zitten. Hij steekt geen hand uit om die Romeinse stadhouder verder te helpen. Jezus wil alleen over die koningsvraag spreken.
Daaruit konkludeer ik in de eerste plaats. dat Jezus het geheel op een dusdanige wijze beheerst.
dat Hij de toon aangeeft en de ander zich naar Hem moet richten.
Hij is Koning in vernedering, maar dan toch KONING in vernedering!
In de tweede plaats signaleer ik hierin een tendens, die ik als richtinggevend wil beschouwen voor het werk van de beëvangelisering van de wereld. Moeten wij op een huisbezoek bij zogenaamde buitenkerkelijke mensen metterdaad ingaan op allerlei vragen.
die men stelt en op allerlei opmerkingen.
die men meent te moeten lanceren? Terwijl het vaak randkwesties betreft of als een afleidingsmanoeuvre moet worden getypeerd? NEE!!
We dienen, dacht ik, alleen te spreken over de kernvraag: Is Jezus de Christus der Schriften, de Messias-Koning, zoals de Bijbel Hem ons voor ogen stelt?
Jezus spreekt voor de rechterstoel van Pilatus over een koninkrijk van een andere statuur en struktuur dan een aards koninkrijk bezit. Christus' Koninkrijk is niet van deze wereld. Niet van hier.
Wat een rust straalt deze gebonden Mens uit! Daarvan komt Pilatus toch wel even onder de indruk. En hij vraagt: "Zijt Gij dus tóch een koning?" Het aksent valt hier op KONING! Het klinkt .
misschien ironisch. Dus toch?
Het lijkt er - met andere woorden gezegd - helemaal niet op.
Een koning in ballingschap, wat blijft er van zijn koninklijke waardigheid nog over? Dus toch een koning? Wij merken, dat het niet gemakkelijk voor Pilatus was om dit aan Jezus te ontdekken.
Maar hadden Zijn discipelen er dan weet van? Had die troep bij het kruis het in de gaten? Ja, die ene struikrover, die zich bekeerde.
Die kreeg er nog juist op tijd oog voor! Daarom vroeg hij of Jezus hem wilde gedenken als Hij in Zijn KONINKRIJK gekomen zou zijn!
Zonder geloof zal het niet gaan
Hier wordt geloof gevraagd!
“Ik ben een koning", zegt Jezus na het bloedzweet van Gethsémané, na de verraderskus van Judas, na de vernedering voor Annas, na hoon en spot en slagen bij Kajafas.
"Ik ben een koning". Dat wordt gezegd terwijl zo dadelijk Hem de geseling wacht, terwijl de kruisiging in zicht is.
"Ik ben een koning". Dat wordt gememoreerd op déze vrijdagmórgen omstreeks 7 uur. Om 9 uur zal Hij aan het ruwhouten kruis worden geslagen en om 3 uur in de middag zal Hij de dood ingaan. En als het weer 7 uur geworden is -- dus twaalf uur later ----zullen al die dingen tot het verleden behoren. De Joden zullen het Pascha eten en denken aan de exodus uit Egypte en zingen Psalm 118: "Gij zijt mijn God, U zal ik loven. verhogen Uwe Majesteit." En het zal stil zijn in heel Jeruzalem.
En later zegt Pilatus tegen Claudia, zijn onrustige echtgenote: "Schenk nog eens in, meid! De dag begon allerongelukkigst, maar het is nu zó stil geworden, dat ik er nog wel ééntje lust."
En hij reikte haar zijn lege bokaal.
EN NIEMAND DENKT MEER AAN DEZE KONING!
Het is een koning, die schijnbaar niets uitricht. Een gebondene. Ja, zo dènkt men. "Is dat, is dat mijn Koning? Dat aller vaad'ren wens?" Omdat u en ik naar de macht grepen in het wondermooie paradijs aan het begin van de geschiedenis van de mensheid, daarom moest Christus voor Pilatus o.a. er zo diep onder door.
Laat uw ogen openen voor het wezen van Zijn Koningschap!
Want ook vandaag is er diep geloof voor nodig om het te zien.
Om te zien, dat Christus de touwtjes in handen heeft van heel het wereldbestuur. Dat Hij dwars door alles heen Zijn Koninkrijk, dat eeuwig is, bouwt. Dat zullen eens allen moeten erkennen!
"Dus tóch een koning!!" "Dus toch DE Koning!!" Hij zal oordelen de levenden en de doden.
Dat stuk belijden laten we niet plotseling onder de tafel vallen.
Nu mogen wij Christus' Koningschap nog vrijwillig belijden!
Klinkt die konfessie ook op uit uw leven? Is dat getuigenis u vlees en bloed geworden? Dan heeft u de ware rust en de echte vrede gevonden en mag u straks mèt Hèm regeren over alle schepselen!