De christelijke vrijheid (1)
1977-04-01
In zijn reactie op mijn artikelen over het ambt bracht br. W. H. Westerhuis te Apeldoorn de christelijke vrijheid ter sprake. Z.i. brengt deze mee dat wij ons voor een nadere regeling van het kerkelijke leven niet kunnen beroepen op allerlei Paulinische voorschriften -- zie “Opbouw" van 17 dec. jl. In mijn naschrift wees ik er op dat dit niet juist kan zijn en dat het daarom gewenst is ons nader op deze christelijke vrijheid te bezinnen. Ik wil dat graag in enkele artikelen doen.- Jaargang 21
- nummer 13
zonder polemiek overigens. Daartoe geeft het artikel van br, Westerhuis ook geen aanleiding. omdat hij zijn mening over de vrijheid in het Nieuwe Testament niet nader toelicht. Het is ook prettiger positief te werk te gaan. Wel brengt de reden voor deze artikelen mee dat we ons zullen beperken tot een bepaald aspect van de christelijke vrijheid, nl. dat wij vrij zijn van de wet. Het N.T. weet over onze vrijheid wel meer te zeggen, hoewel dat niet van deze vrijheid van de wet los staat. Zo verkondigt het ons onze vrijheid van zonde en dood. Hoewel wij deze dingen nooit van elkaar los ,kunnen maken, willen we toch zoveel als mogelijk is de christelijke vrijheid gaan bezien onder het aspect van de vrijheid van de wet.
En dat betekent in heel het N.T. dan dat we vrij zijn van de wet als weg tot God, als middel om zelf onze zaligheid te verdienen.
We zullen allen wel weten dat de Here de wet daartoe oorspronkelijk ook niet had gegeven. Haar opschrift: Ik hen de HERE, uw God, die u uit het land Egypte.
uit het diensthuis. geleid heb, maakt dit duidelijk genoeg. De wet wilde het volk bij de geschonken bevrijding bewáren, Maar het latere Jodendom heeft dit niet meer verstaan en van de wet des HEREN een verkeerd gebruik gemaakt. Ze werd beschouwd als een ladder, waarlangs de vrome mens in de hemel moest zien te klimmen. Wanneer in het N.T. nu over de wet gesproken wordt in afwijzende zin, dan wordt daarmee deze vervalsing van de Wet bedoeld. Langzamerhand is in de Rooms Katholieke Kerk deze Judaïsche heilsopvatting steeds meer doorgedrongen en kreeg zij in de leer van de goede werken een bepaalde gestalte.
Met grote kracht hebben de Reformatoren zich daartegen teweer gesteld. Wie herinnert zich niet de verhalen over Luthers zich in het klooster tevergeefs aftobben om zich door zijn werken bij God aangenaam te maken en zijn daarna resoluut verwerpen van deze valse heilsweg om de zaligheid te stellen in het geloof alleen: sola fide. In een van zijn diepste en schoonste geschriften heeft hij daarover gehandeld onder het gezichtspunt van... de christelijke vrijheid.
Ik bedoel zijn Von der Freiheit eines Christenmenschen van 1520. 1) In dit betrekkelijk klein, maar diepborend tractaat legt hij het hart van de reformatie bloot: geen vervulling van de wet, maar alleen het geloof aan het evangelie; geen werken naar geloof; geen verdienste maar genade.
En daarin bestaat nu volgens Luther onze christelijke vrijheid.
Want de wet, hoe staat het daarmee?
Kernachtig merkt Luther op: de geboden leren en schrijven ons velerlei goede werken voor, maar daarmee zijn ze nog niet gedaan ...
Ze geven wel aanwijzing, maar ze helpen niet; leren, wat men doen moet, geven er echter geen kracht toe.
Op zijn wijze zegt Luther hier wat Paulus schrijft in Rom. 8, dat de wet zwak was door het vlees en daarom geen verlossing brengen kon.
Wat voor zin heeft de wet dan?
Zij leert de mens zijn onvermogen kennen, zodat hij tot niets wordt in eigen ogen en niets vindt in zichzelf waardoor hij godvruchtig kan worden. Dit ziet Luther voor alles als de betekenis van de wet en de geboden. 2) Maar als zij hun werk gedaan hebben dan komt das andre Wort, het andere woord van God, de goddelijke belofte en toezeggingen dat woord zegt: Wilt ge alle geboden vervullen, vrij worden van uw boze begeerten en zonde, zoals de geboden dwingend eisen, zie, geloof in Christus, in welke ik u toezeg alle genade, gerechtigheid, vrede en vrijheid: gelooft ge, zo hebt ge, gelooft ge niet, zo hebt ge niet. Want wat u onmogelijk is met alle werken van de wet... dat valt u gemakkelijk en kort ten deel door het geloof.
Dit is dus de christelijke vrijheid: Is geen werk meer nodig (om zalig te worden, bedoelt Luther), zo is de christen gewis ontbonden van alle geboden en wetten: is hij ontbonden, zo is hij vrij.
Om in zijn volle duidelijkheid voor ons te zien wat Luther bedoelt en alle misverstand dienaangaande uit te sluiten geef ik nog deze samenvatting van hem door: Dit is de christelijke vrijheid, het geloof alleen, dat maakt, niet dat wij leeglopers zijn of kwaad mogen doen, maar dat wij geen werk behoeven te doen om tot vroomheid en zaligheid te komen.
Om de schijn te vermijden met een eigen interpretatie van de christelijke vrijheid te komen, gaf ik die van Luther door en voeg ik daar nog iets van Calvijn aan toe. Volgens Calvijn mag de uitlegging van de christelijke vrijheid niet worden nagelaten door hem. "wiens voornemen is de hoofdinhoud der evangelische leer in kort bestek saam te vatten". 3) Zozeer ziet Calvijn deze vrijheid als een hoofdzaak van de geloofswaarheid, dat hij schrijft: ... wanneer zij niet gekend wordt wordt noch Christus, noch de waarheid van het evangelie, noch de inwendige vrede der ziel recht gekend. Zij is in Calvijns ogen een zo onschatbaar goed, dat wij er tot de dood toe voor behoren te strijden. Commentaar op de brief aan de Galaten. 4)
Wanneer hij nu in zijn Institutie de inhoud van de christelijke vrijheid nader gaat uiteen zetten, begint hij met haar in verband te brengen met de rechtvaardiging door het geloof, precies zoals dat bij Luther het geval is. Het eerste is, dat de consciëntiën der gelovigen, wanneer zij hun vertrouwen op de rechtvaardigmaking voor Gods aanschijn zoeken, zich boven de wet oprichten en opheffen, en de gehele rechtvaardiqheld der wet vergeten. Wij moeten, om rechtvaardig voor God te worden, van de wet losgemaakt worden, zegt Calvijn en wel zó, dat met de werken in het geheel geen rekening gehouden wordt.
Wanneer het gaat om de rechtvaardiging der gelovigen, dan moeten zij de wet geen plaats geven. De wet onderwijst wel de rechtvaardigheid, maar kan haar niet geven. (verklaring van Rom. 8: 3).
Zo spreken de beide grote Reformatoren in volledige overeenstemming met elkaar over het eigenlijke en voornaamste van de christelijke vrijheid en zij doen daarbij niets anders dan de Heilige Schrift naspreken. waarbij zij zich in het bizonder beroepen op de brieven van Paulus aan de Galaten en de Romeinen.
Deze vrijheid komt tot stand door het geloof dat God voor waarachtig houdt en met Christus verbindt.
Daardoor worden onze zonden voor Christus en worden zijn schatten en zaligheid de onze, schrijft Luther. Hij grijpt naar het beeld van de arme bruid en de rijke bruidegom om deze "vrolijke" ruil-fröhliche Wechsel -- duidelijk te maken en als om zijn lezers daarover met zich te doen juichen vraagt hij: ist nun das nicht eine fröhliche Wirtschaft?
Is dat niet een tot vreugde stemmende handel? Door deze ruil zijn al de zonden van de bruid in Christus verzwolgen - verschlungen - en is zijn gerechtigheid de hare geworden. Calvijn drukt pet op deze wijze uit dat wij alleen Gods barmhartigheid moet omhelzen, de blik van onszelf afwenden en alleen op Christus zien.
In deze vrijheid wordt de christen nu volgens Luther een heer over alle dingen, ook over tegenslag, vijandschap, ziekte of dood of hoe men het ook noemen moet, want alle dingen moeten hem medewerken ten goede en in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, zoals “St. Paulus" lehret, Rom. 8".
1) Ik gebruik de uitgave van Luthers Werke van Borcherdt en Mezz, 2e dr., 2e dl.
2) Aan deze opvatting van Luther over de eerste betekenis der wet kit wel het een en ander vast, maar dat kunnen we hier laten rusten. Het gaat ons nu om zijn tekening van de christelijke vrijheid.
3) Institutie. Vertaling dr A. Sizoo, m, XIX. 1 en 2.
4) ed. Donner op 5 : 1.