Hy droech onse smerten
1977-04-08
- Jaargang 21
- nummer 14
Een korte beschouwing naar aanleiding van drie gedichten van Jacobus Revius, waarin er één centraal, staat.
T'en zijn de Joden niet
- de wereld moet schrikken van zichzelf om in wanhoop troost te gaan zoeken bij God. *) Het werk van de zeventiende-eeuwse dichter Revius (1586-1658) is nooit erg populair geweest, ook onder zijn tijdgenoten niet.
Ondanks de stilte rondom zijn dichterlijk werk, geniet deze dichter enige bekendheid, die niet in de laatste plaats te danken is aan het feit, dat zijn (in de titel genoemde) sonnet "Hy droech onse smerten", tegenwoordig in vele bloemlezingen en boeken van de geschiedenis der letterkunde voorkomt.
Dat gedicht is als het ware een eigen leven gaan leiden, de leerboeken prijzen het aan als een schoolvoorbeeld voor de bouw van het sonnet en gebruiken het om er de barok-stijl aan te demonstreren.
Men karakteriseert het als een antithetisch gedicht en zegt dat er het typisch calvinistische schuldgevoel aan ten grondslag ligt.
Naar de strekking ziet men het, over het algemeen, als een zeer persoonlijke gevoelsuiting, die in piëtistische zin, de kruisiging van Jezus niet zozeer als een feitelijke gebeurtenis ziet, maar als een zich in het hart van ieder mens steeds herhalend proces (subjectivisme). Deze interpretatie lijkt het gedicht los te maken van de persoon Revius en van de rest van zyn dichterlijk werk.
In zijn bekende dissertatie "De dichter Revius " , noemt dr W. A. P. Smit de eerste twee boeken van de Over-Ysselsche Sangen en Dichten, van de dominee-dichter Revius, "Het epos der Godsgeschiedenis". Een geheel dus. 1) In het bijzonder sprekend over het beroemde sonnet "Hy droech onse smerten" zegt hij o.m.: "Het verband geeft aan dit gedicht nog groter 2) kracht". Wellicht loont het daarom de moeite aan dat "verband", zij het in klein bestek, enige aandacht te besteden. Het gaat in dit geval om het reeds genoemde sonnet en de twee direct eraan voorafgaande 3) gedichten, nl.: "Wy en hebben geenen coninck dan den keyser" en "Sijn bloet sy over ons ende onse kinderen".
Beide titels zijn uitspraken van de Joden in het proces tegen Jezus. die direct aan de kruisiging voorafgaan; respectievelijk naar het evangelie van Johannes en Mattheus. 4) In "Hy droech onse smerten" vindt een in de twee voorafgaande gedichten opgebouwde tegenstelling, de Joden tegenover "ik" Revius, een verrassende toepassing.
De Joden tekent Revius in "Wy en hebben geenen coninck dan den keyser" in hun verhouding ten opzichte van God, nadat zij de "Sone Gods" hebben afgezworen. Naar recht zal God hen straffen en vergelden.
Wy en hebben geenen Coninck dan den Keyser
Ghy hebt den doren-struyck tot Coninck wtvercoren.
En my, des levens boom lichweerdich afgesworen.
Den Keyser is u Heer, Gods Sone kendy niet: T'is recht dat na u daet u wederom geschiet: Het vier sal wt den stam der dorenen webreken En sal de cederen op Libanon aensreken Dan suldy seker sien (doch, leyder, al te laetl) Wien ghy verheven hebt, en wien ghy hebt gehaet.
Het tweede gedicht tekent. tegen de donkere achtergrond van het lot der Joden, de sfeer van vertrouwelijkheid tussen God en Revius en de zijnen, hen wacht een hoopvoller toekomst. Het absolute karakter van de antithese tussen hen die Jezus verwerpen en degenen die Hem als hun Heiland erkennen. illustreert de dichter voor de woorden, die de Joden tot "verderf en schade" werden tot de zijne te maken. Die vloek wordt echter in de mond van een christen tot een gebed. "U bleet sy over my en mijn geslacht", om de zonden weg te wassen en redding te brengen, "So sal der Joden vloeek voor ons een segen zijn".
Sijn bloet sy over ons ende onse kinderen
Het geen u vyant riep tot zijn verderf en schade Dat roep ick tot u oock, ö heylant vol qenade, Maer tot mijn salicheyt, in vieriger aendacht; U bleet zy over my en mijn geslacht.
U bloet sy over mym mijn sonden te versmoren, En op mijn kinderen, om t'quaet ha er aenqeboren Te wasschen,en haer siel te redden van gepijn.
Soo sal der Joden vloeek voor ons een segen zijn.
Die tegenstelling. de Joden tegenover "ik" Revius, hanteert de dichter in zijn sonnet. Echter niet in de, oppervlakkig gezien, meest voor de hand liggende zin: "De Joden, die Jezus afzwoeren ten gunste van de Romeinse keizer (Johannes). of de Joden die, voor Pilatus de volle verantwoording voor Jezus dood op zich namen, hebben Hem vervolgens ook gekruisigd (of laten kruisigen) (Mattheüs)?" .
Integendeel. geheel tegen de verwachting in zegt Revius: "Het zijn de Joden niet, die u kruisigden ... , ik ben het ... "
Hy droech onse smerten
Ten zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten, Noch die verradelijck u togen voort gericht, Noch die versmadelijck u spogen int gesicht.
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten, Ten sijn de crijchs-luy niet die met haer Felle vuysten Den rietstock hebben of den hamer opgelicht.
Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht, Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten: Ick bent, ö Heer, ick bent die u dit heb gledaen.
Ick ben den swaren boom die u had overlaen, lek ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden, De nagel. en de speer, de geessel die u sloegh, De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech: Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.
Bij nadere beschouwing volgt de dichter hier toch hetzelfde preekte als bij het vorige gedicht.
Dit keer maakt hij niet de (vloek) woorden van de Joden tot de zijne, maar schrijft hij hun (mis) dáden tegen Jezus op zijn rekening.
Maar ook dit keer pakt het anders uit. tegenover de verharding der Joden, want de zonde der Joden (de reden van hun verwerping) is ten diepste niet de kruisiging van Jezus, maar hun verharding: hun weigering Hem alsnog als de Christus te erkennen, ... tegenover die verharding dus, staat het berouw van Revius. De Joden zullen voor hun verharding gestraft worden en Revius mag op vergeving rekenen.
Dus zou hij ook dit gedicht (met een variatie op de slotregel van het vorige) kunnen beëindigen met iets van triomf: "Zo zal der Joden verharding ons tot een zegen, tot zondevergeving strekken".
Daar (In: "Sijn bloet sy over ons ... ") was het echter nog mogelijk wel de woorden van de Joden, maar niet hun bedoelingen zich eigen te maken. In "Hij droech onse smerten" is die mogelijkheid er niet, de gruwelen in de eerste acht regels (het octaaf) beschreven vonden werkelijk plaats, ... moesten gebeuren. Wat dat gebeuren noodzakelijk en onvermijdelijk maakte, weet Revius, zijn de zonden der gehele mensheid.
Dus ook de zijne.
Vandaar dat de dichter in de titel wel kan spreken van "onse" (smerten), maar als het op de schuldvraag aarskomt. nog slechts van “ick": "lek bent, ö Heer, ick bent ... ".
En zozeer is hij overweldigd door schuldgevoel, dat het hem niet genoeg is de schuld van de Joden op zich genomen te hebben; dan vereenzelvigt hij zich met de voorwerpen waarmee men zijn Heiland zo deed lijden. "Ik ben de zware balk waar u bijna onder bezweek, het knellende touw, de nagel, de neerstriemende gesel. .. ".
En dan besluit hij met: "Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden".
Met andere woorden, de reden van Uw lijden, dat zijn mijn (onze) zonden. Het zijn de woorden van de profeet Jesaja (53: 4a en 5) in een "modern" dichterlijke conceptie.
"Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen en onze smarten gedragen ... om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden".
Over het hier besproken sonnet is al veel geschreven en meestal werd het accent gelegd op de persoonlijke geloofs- en gevoelsuiting die het bevat. Zonder daar iets vanaf te doen valt hier de nadruk op de prediking die ervan uitgaat.
"Want, hoe evident voor ons de afstand mag zijn tussen didactiek (leerdicht) en lyriek (gevoelsuiting), een afstand die voor velen wellicht de vorm aanneemt van een onoverbrugbare kloof tussen onbezield rijmwerk en bezielde poëzie - het is met dat al de vraag of Revius zelf dat onderscheid zou erkennen". 5) Men zegt immers dat Revius vóór alles zieleherder was. Ook in dit gedicht is dat zo; dominee-dichter, barok-dichter Revius wil zijn lezers de schrik van hun leven bezorgen (een heilzame schrik), vandaar dat hij hen met zo'n onverwachte schokkende bewering op de huid valt: "Het zijn de Joden niet!"
Wie dan wel?
De spanning door het uitblijvende antwoord, wordt nog opgevoerd door de ontkenningen (vers 2 t/m 8), die de eerste bewering versterken, maar ook een specificatie, een nauwkeurige rolverdeling bevatten van de kruisiging, waarvoor men de Joden verantwoordelijk weet.
Revius sleept zijn lezers mee door de poel van lijden, die Jezus, wegens het dragen van "onse smerten" doormaakte. En het is zijn bedoeling dat die lezer, met hem, tot het inzicht zal komen, in het sextet (de laatste zes regels, verzen) vervat.
Het waren de Joden wel (een korte nabeschouwing)
Van een bepaalde uitspraak kan men de bedoeling meestal beter begrijpen, als men wat meer bekend is met de omstandigheden, waarin die uitspraak gedaan werd.
Zo is het ook met het eerste vers van "Hij droech onse smetten", dat zegt dat het de Joden niet zijn, die Jezus kruisigden. Men denkt wel eens dat Revius de waarheid geweld aandoet, omdat zijn woorden niet overeen zouden komen met de inhoud van Handelingen 2. Petrus wijst daar immers zonder meer de Joden (te Jeruzalem woonachtig) als de schuldigen aan. Maar hier heeft de dichter de schijn tegen zich.
Aan de hand van enkele feiten en uitspraken, die met de geschiedenis van de Joden te maken hebben, is het wellicht mogelijk een beter inzicht te verkrijgen.
De kerk nam aanvankelijk ten opzichte van de Joden een onzekere houding aan, maar al spoedig zal men in het Jodendom een rivaal; men bestreed elkaar de ware voortzetting van de oudtestamentische kerk te zijn.
De houding van uitgesproken Jodenhaat, uitte zich bij de "hogere clerus" in allerlei uitspraken betreffende de Joden en drong pas in de elfde eeuw door tot het lagere volk.
De christelijke leer schiep de mythe van de diabolische jood, voorgesteld als de belager van de christelijke maatschappij en veroorzaker van rampen, oorlogen en ziekten. Onder medewerking van de lagere geestelijkheid ontstond (daaruit) een half ketters volksgeloof. De Joden werden beschuldigd van rituele moord, hostie schending, satansdienst, tovenarij en andere ongerijmdheden.
Uitbarstingen van Jodenhaat naar aanleiding van rampen e.d. leidden rot onmenselijk wrede vervolgingen, dde soms tot gevolg hadden dat 5) Dr L. Strenqholt, "Bloemen in Gethsemané" (1976), blz. 79.
*) Dr W. A. P. Smit, 'De dichter Revius' (dissertatie. 1928) blz.98.
1) Idem. blz. 97.
2) Idem. blz. 176.
3) “Over-Ysselsche Sangen en Dichten" Revius (1630). editie W. A. P. Smit, Het epos der Godsgeschiedenis. blz. 221 en 222.
4) Mattheüs 27: 25 ... Heel het volk antwoordde: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.
Johannes 19: 15c ... De opperpriesters antwoordden: We hebben geen Koning dan Cesar. (Canvert.)