De christelijke vrijheid (2)
1977-04-08
Onze christelijke vrijheid bestaat in vrijheid van de wet en van alle wetswerken als middelen tot de zaligheid. zo zagen we in ons vorige artikel. Want we worden door het geloof alleen behouden.- Jaargang 21
- nummer 14
Luther en Calvijn spreken in dit opzicht de Schrift volkomen eenstemmig na.
Dat goede werken niettemin door God geboden zijn, vinden we bij beiden met grote nadruk gesteld.
In het tweede deel van zijn tractaat over de christelijke vrijheid gaat Luther die mensen beantwoorden, die zich over het eerste deel geërgerd hebben en vragen, waarom ze nog goede werken zullen doen als het geloof toch alles is? en daarom voorstellen nu maar niets te doen.
Nein, lieber Mensch, nicht also, zegt Luther.
Want hier op aarde heeft de christen zijn lichaam, dat hij moet regeren en hij moet hier met de mensen omgaan. En zo krijgen we te doen met de goede werken.
In verband hiermee gaat Luther nu de stelling uitwerken dat de christen, die door het geloof een vrije heer over alles is en aan niemand onderdanig tegelijk een dienstbare knecht is en aan leder onderworpen. Als vrije heeft hij niets te doen. als knecht moet hij allerlei doen.
Op de vraag hoe dit nu precies zit antwoord Luther dat het lichaam geregeerd en geoefend moet worden om aan de innerlijke mens en aan het geloof gelijkvormig te worden. Hij verwijst hiervoor naar het bekende zevende hoofdstuk van de brief aan de Romeinen en naar Gal.
5 : 24. waar sprake is van de kruisiging van het vlees met zijn hartstochten en begeerten. Maar terwijl hij dit nader uitwerkt blijft de gerechtigheid door-het-geloof-alleen recht overeind staan. We hebben niets te doen om vroom te wórden. Geen enkel werk komt in de plaats van het geloof.
De christen moet echter bezig zijn, hij kan geen ledigganger zijn. Dat Was Adam in het paradijs ook niet. God liet hem de hof planten.
bouwen en bewaren. Daarom moet ook de christen, die door het geloof in het paradijs gezet is (!) goede werken doen. Dit is bij Luther ook in zijn andere werken een telkens terugkerend motief: de christen moet werkzaam zijn, zoals God de grote Werker in deze wereld is. Maar de christen doet alles uit vrije liefde, enkel om God te behagen. nooit om iets te verdienen. Hierop legt de Hervormer steeds weer alle nadruk.
De eerste taak van de christen bestaat dus in het regeren van zijn eigen lichaam, maar daarnaast leeft hij onder de mensen, met wie hij moet omgaan. Ook dat vraagt goede werken van hem.
Wanneer Luther dit verder gaat uitwerken krijgt zijn taal soms dichterlijke trekken. want nu gaat hij spreken over de liefde. waarin de christen de naaste heeft te dienen. Geheel vrij door het geloof maakt hij zich tot dienaar van de naaste om hem te helpen en met hem te handelen zoals God door Christus met hèm gehandeld heeft. Wie iets wil weten over de echte, ware, christelijke medemenselijkheid kan bij Luther terecht! lk wil voor mijn naaste een christen worden zoals Christus voor mij geworden is en niets meer doen dan wat ik nu zie dat voor hem nodig, nuttig en zalig is, daar ik toch door mijn geloof van alle dingen voldoende heb, schrijft hij. Zie, zo vloeit uit het geloof de liefde en lust tot God en uit de liefde een vrij, gewillig en blij leven, om de naaste om niet te dienen.
Hij besluit zijn geschrift met te zeggen dat een christen niet in zichzelf! leeft maar in Christus en zijn naaste; in Christus door het geloof, in de naaste door de liefde!
Zie, dat is de rechte, geestelijke, christelijke vrijheid, die het hart vrij maakt van alle zonden, wetten en geboden, die alle andere vrijheid te boven gaat, zoals de hemel de aarde. Dit geve ons God, dat wij deze vrijheid recht verstaan en behouden. Amen.
Calvijn spreekt niet anders.
Ook hij weet van mensen, die met een beroep op de christelijke vrijheid “alle gehoorzaamheid" van zich werpen of ook er verontwaardigd over zijn. omdat zij menen dat door deze vrijheid "alle matigheid, orde en onderscheid der dingen weggenomen wordt" .1) Maar moeten wij daarom de christelijke vrijheid vaarwel zeggen, vraagt hij, om zo de kans van dergelijke gevaren af te snijden?
Op deze vraag antwoordt hij met een zeer beslist neen, want, zo betoogt hij, waar zij niet gekend wordt, wordt noch Christus, noch de waarheid van het evangelie, noch de inwendige vrede der ziel recht gekend. Wel wil hij ingaan tegen de ongerijmde tegenwerpingen.
die uit het uiteenzetten van de christelijke vrijheid plegen te ontstaan.
Met nadruk wijst hij er - in de Institutie - nog steeds - dan op dat bij de gelovigen de goede werken gedaan worden niet uit angst voor het oordeel der wet, maar in gehoorzaamheid aan Gods wil "uit eigen beweging", uit het geloof, in kinderlijk vertrouwen op hun “goedertieren Vader". In dit God dienen uit kinderlijke liefde ziet Calvijn nu het tweede deel van de christelijke vrijheid gelegen 2) - zie voor het eerste deel ons vorige artikel. Dit tweede deel berust op het eerstel Treffend is de overeenkomst met Luther als het om het aanwijzen van het motief tot goede werken gaat: uit het geloof, uit vrije beweging, uit vrije liefde. Bij beide wordt dit dan behalve op God ook direkt op de mensen betrokken.
Van Luther zagen we dit reeds. Calvijn doet het niet minder.
Hier valt te wijzen op zijn verklaring van Gal. 1 : 13: Want gij zijt geroepen. Broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter deze vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees. maar dient elkander door de liefde. Want de gehele wet is in een woord vervuld, in dit: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Paulus zegt hier, aldus Calvijn, dat de vrijheid door de liefde geregeerd moet worden, opdat zij niet tot vraag en dartel misbruik uitbreke. Onder de naaste worden alle mensen begrepen. want de natuur, die wij allen gemeen hebben, verenigt ons en voornamelijk moet het beeld Gods een heilige band der eenheid wezen. Zo fundeert Calvijn de "medemenselijkheid" en hun wil daarbij van onderscheid tussen "vriend en vijand" niet weten.
Natuurlijk gaat de liefde tot God voorop. maar God is onzienlijk.
Daarom legt Paulus in vers 13 alle nadruk op de liefde tot de naaste, zo betoogt Calvijn. Zo wil dan God een proef onzer genegenheid tot Zich nemen uit de broederlijke liefde, die Hij ons onderling beveelt. God is onzienlijk, "doch Hij stelt Zich ons voor in de broeders, en eischt in hun persoon wat men Hem schuldig is." We ontmoeten God in de naaste... deze moderne zegswijze kan men in de juiste zin reeds bij Calvijn vinden!
In de Institutie werkt Calvijn de liefde tot de naaste verder uit in het rekening houden met de zwakke broeders, om wier wil wij wel het een en ander soms moeten laten, hoewel wij ons er in ons geweten anders gerechtigd toe achten, met name als het "middelmatige zaken" betreft als vlees eten en dergelijke. Dat behoort tot het derde stuk van de christelijke vrijheid! 3)
Met het in dit en in het vorige artikel gezegde gaf ik enkele hoofdmomenten uit het spreken van de beide grote Reformatoren over de christelijke vrijheid weer.
Ik ben mij ervan bewust verre van volledig te zijn geweest, maar hoop toch het wezenlijke getroffen te hebben. Wanneer de kerken der Reformatie beter naar dit onderwijs geluisterd hadden, zouden er minder moeilijkheden en twisten zijn geweest. Ook voor ons in onze situatie is hun onderwijs actueel en wel in hoge mate.
Dat is niet verwonderlijk, want zij spreken op eenvoudige, maar zeer krachtige wijze de Schriften na en die zijn altijd actueel voor de kerk van Christus. Wanneer ook wij alleen bedenken wat tot elkaars nut en zaligheid dient (Luther) en onze vrijheid door de liefde tot de naaste laten regeren en ons overal toeleggen op de liefde en letten op de stichting van de naaste (Calvijn). dan is de weg gebaand om samen verder te komen in de vragen van onze tijd. Wel moet daarbij bedacht worden wat Calvijn zegt, dat zoals onze vrijheid aan de liefde moet onderworpen worden, zo op haar beurt de liefde moet staan onder de zuiverheid van het geloof. 4) Met andere woorden: met Gods duidelijk geopenbaarde wil mogen we het niet op een akkoord gooien. En dit brengt ons als vanzelf tot de vraag welk verband er is tussen onze vrijheid en Gods wet als ordening van het christelijke leven. Maar daarover in een slotartikel.
1) Institutie. m. XIX. 2.
2) Institutie. m. XIX. 4 en 5.
3) Institutie. nr. XIX. 7-12.
4) Institutie. m. XIX. 13,