Aan de Redactie van “Opbouw"

1977-04-15
  • Jaargang 21
  • nummer 15
Zwolle, 17 maart 1977


Waarde broeder,

Het is met enige schroom dat ik dit schrijven tot u richt.
leder kerkgenootschap heeft zo z'n groep verontrusten. Het komt mij voor dat binnen afzienbare tijd er ook in onze kerken zo'n groep gaat ontstaan. Wie zijn oor te luisteren legt in onze gemeenten bespeurt een groeiend gevoel van onbehagen. En het spijt mij, het te moeten zeggen: Daarbij wordt vaak de naam van uw blad genoemd.
De situatie in onze kerken is labiel.
Een vaste koers is er (nog) niet. Moeizaam wordt door de kerken via regionale en landelijke vergaderingen gezocht naar een vorm van kerkelijk samenleven.
Van landelijke vergadering naar landelijke vergadering groeit langzaam, heel langzaam een soort kerkenordening die rekening wil houden met alle verschillen van opvatting en ruimte wil laten voor ieder. O ja, ik weet het wel: de preambule van het “kerkelijk akkoord" spreekt van een duidelijke binding aan Gods Woord en de drie Formulieren van enigheid. Maar ondertussen dreigen de kerken, de broeders en zusters, steeds verder opnieuw uit elkaar te groeien. Waarvoor gebruiken we de tijd van bezinning op het kerkelijk samenleven? Worden er niet telkens opnieuw verschilpunten naar voren gebracht, ook in uw blad?
En dan behoef ik nog niet eens te spreken over “het gezicht" van onze kerken naar buiten. Moet ik nog wijzen op publicaties in de grote pers, waaruit blijkt dat onze kerken allerminst duidelijk zijn?
Moeten er steeds meer kwesties bij komen?

Daarmee kom ik op de “koers" die uw blad vaart.
We zijn het er natuurlijk allemaal over eens dat een kerkelijk blad niet “leidinggevend" mag zijn. De tijd van kerkelijke leiders is immers voorbij? Maar het enige blad dat sterk verbonden is met de “buitenverbandse kerken"
heeft m.i. de kunst nog niet verstaan om voor het kerkvolk te schrijven. De broeders en zusters herkennen zich niet in de problematieken die door u worden aangesneden. En zeker niet, wanneer er door iemand uwer, br D. W. L. Milo, een tweetal artikelen worden gewijd aan de Hersteld-verbanders op een wijze, die de vraag oproept, waarom br Milo niet hersteld-verband was en hoe hij zich van 1926 tot de vrijmaking (of zo u wilt, tot nu toe) in de Gereformeerde Kerken op zijn plaats voelde.
Nu, in 1977, komt hij ons vertellen dat wij ons voordeel moeiten doen met de ervaring en gang van zaken in het Hersteld Verband.
Br Milo behoeft niet bang te zijn dat ik een bezwaarschrift schrijf.
“Hij heeft immers tot vier maal toe de formulieren van enigheid ondertekend 71"
Maar ik acht het volkomen onjuist om het Hersteld Verband ons als voorbeeld voor te houden, en dan notabene op een aantal punten die door de schrijver subjectief aan het kerkvolk worden voorgehouden: a. “Van een belijdeniskerk wilde men niet meer weten". Wil br Milo van een belijdeniskerk niet meer weten? En moeten wij daarvan leren?
b. “Een ruimer visie ten aanzien van de formulieren van enigheid....”
"Men besefte dat deze stukken, deels zelfs uit een antithetische scholastiek ontstaan, voor vandaag en voor de toekomst wel eens te kort zouden kunnen schieten ..;"
Moeten wij daarvan leren? Zouden we dan maar niet liever zo gauw mogelijk het Hersteld Verband volgen en Hervormd worden?
c. "Ook de plaats van de vrouw, zowel binnen als buiten het ambt, werd al spoedig Schriftuurlijk gezien; en dat is nooit conventioneel.”
Moet ik uit deze mededeling van br Milo de conclusie trekken, dat wij, gereformeerden, in deze on-Schriftuurlijk handelen?
Daar komt dan nog bij de vertekening, die br Milo geeft van de geschiedenis: d. Ds J. B. Netelenbos (1919) had iets “ongeoorloofds" beweerd en werd daarvoor aangepakt.
e. de wijze waarop br Milo de synodegesprekken weergeeft (of iets dergelijks!) is in vergelijking met de officiële stukken een grove karikatuur. Men leze slechts de artikelen en brochures van dr K. Schilder uit die tijd, dan weet men dat er wel wat meer aan de hand was, dan de beschrijving van br Milo suggereert.
f. De conclusie van br Milo, "dat de letter alle verhoudingen doodt, terwijl de Geest alleen broeders doet samenwonen", is een slag in de lucht en misbruik van een bijbelwoord, als het gaat om de handhaving van het absolute gezag van Gods Woord.
Ik vraag mij af wat br Milo wil bereiken met deze artikelen. In kringen van de verontrusten in de synodale kerken heeft men beter begrepen wat de gevolgen waren van de opheffing van “Assen-1926": vrij baan voor de moderne theologie in de gereformeerde kerken. Moet dat nu soms ook in onze kerken?
In ieder geval acht ik het onwijs van br Milo èn van de redactie om deze individuele gedachten van een redactielid zonder commentaar op te nemen. Ik verwacht dan ook dat de redactie zich duidelijk distantieert van deze twee artikelen van br Milo.

Hoogachtend, M. Lok

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief