Over "de onsterfelijkheid der ziel" *) (1)
1977-04-22
Bij de redaktie van ons blad kwam een ingezonden stuk binnen over mijn artikelen die handelden over de onsterfelijkheid der ziel. Ik zal dat hier laten afdrukken.- Jaargang 21
- nummer 16
Naar aanleiding van het artikel over dit onderwerp in "Opbouw" van 14-1 en 18-2-'77, wil ik gaarne enkele opmerkingen plaatsen.
Hebben wij de opvatting dat de ziel onsterfelijk is, van de Grieken overgenomen?
Zou het niet "andersom" kunnen zijn en dezen dat door overlevering hebben overgenomen van de schrijvers der Heilige Schrift?
Bij vele volken is b.v. nog een vaag besef overgebleven van een grote vloed, die moet geweest zijn.
De machtige daden Gods zijn bij veel heidense volken eeuwen later nog bekend.
De Farizeeën, die vasthielden aan de Joodse traditie en de vertolkers waren van het volksgeloof, leerden de onsterfelijkheid van de ziel.
En deze mening is bij de heidense volken niet onbekend gebleven. Tijdens de ballingschap zijn de Joden onder de volkieren verspreid en is hun mening dienaangaande zeker niet onbekend gebleven.
En deze verstrooiing vond eeuwen voor Plato en de zijnen plaats. En deze kunnen het dus van hen hebben "overgeleverd", maar "verwrongen", want ze leefden niet onder de beademing van Gods Woord.
Naar mijn mening gingen de schrijvers van het O.T. er van uit dat de mens uit ziel en lichaam bestaat. Pred. 12: 7: "en het stof tot de aarde wederkeert, zoals het geweest is en de geest wederkeert tot God, Die hem geschonken heeft." Zach. 12: 1: "en des mensen geest in zijn binnenste formeert," 1 Kon. 17: 21: "Here, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkeren."
Ze gingen er dus van uit dat de ziel tot God wederkeert en dus niet sterft.
Het Nieuwe Testament geeft daarover duidelijker bewijzen.
In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus wordt door Christus verteld, dat Lazarus door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham.
En even verder (vers 26): "en nu wordt hij hier vertroost."
En het antwoord van Christus op de vraag der Sadduceeën is: "God is geen God van doden, maar van levenden."
En verder in Luk. 20: 37: "want voor Hem leven zij allen."
Sterker nog wordt het benadrukt in de tekst Matth. 10 : 28: 1 weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide lichaam en ziel kan verderven in de hel, en het gedeelte daarvoor die het lichaam kunnen doden en de ziel niet kunnen doden.
Paulus schrijft in de 2de brief aan de Cor.: "Wij begeren temeer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen." En zou dat dan pas gebeuren met de opstanding? Dus een hemel, met alleen engelen, momenteel?
Even daarvoor schrijft Paulus, dat als deze aardse tent, waarin wij wonen, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een eeuwig huis.
Calvijn leerde de onsterfelijkheid der ziel en toornt tegen degenen, die leren dat de ziel sterfelijk is. Hij noemt het "een dwaasheid" en een "beestachtige dwaling".
Antwoordt 57 van de catechismus zegt: "van stonde aan", en de latijnse tekst zegt het nog duidelijker, "nadat ze uit het lichaam uitgegaan is, onmiddellijk."
Ook in onze geloofsbelijdenis gaat men er van uit dat de mens uit ziel en lichaam bestaat: art. 19: "een ware menselijke geest, die uit Zijn lichaam scheidde."
art. 18: "spreekt over de ziel zowel als het lichaam."
art. 37: "de zielen te zamen gevoegd en verenigd zijnde met hun eigen lichaam."
Als we aan antwoord 57 gaan tornen, moeten onze belijdenisgeschriften "op de helling" en dus "herzien" worden. En voor onze belijdenis heb ik een heilige eerbied.
Een vrijgemaakte predikant (binnen verband) ging nog verder. Hij blies de adem uit zijn mond en zei: "Dat is mijn ziel". Dus wat koolzuur en water!
In het artikel wordt de tekst aangehaald uit 1 Tim. 6 : 16.
Alsof daarmee bewezen is dat de ziel sterfelijk is, alsof er staat "God alleen is onsterfelijk".
Maar dat staat er niet.
De tekst luidt, 1 Tim. 6: 16: "de Koning der koningen en de Here der heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont.
In de grondtekst wordt aangeduid dat God de onsterfelijkheid bezit. Hij is de Eigenaar, de bezitter.
Zeker, God is onsterfelijk. Doch dit is te zwak gezegd: God bezit de onsterfelijkheid.
Dat is veel sterker uitgedrukt.
Maar dat is geen bewijs dat onze ziel niet onsterfelijk is. Er zou meer van te zeggen zijn, maar dan wordt het artikel te lang.
P. Bos
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik blij men dat mijn goede vriend Bos - we kennen elkaar al meer dan een halve eeuw van zijn hart geen moordkuil heeft gemaakt en precies gezegd heeft hoe hij over deze zaak denkt.
Graag ga ik in ons blad in op wat hij geschreven heeft. En wel om twee redenen. In de eerste plaats omdat er misschien meer mensen tegen deze zaak net zo aankijken als hij. En in de tweede plaats omdat ik op deze wijze de kwestie waar het hier om gaat in nog wat breder verband kan tekenen.
Ik wil eerst een herinnering ophalen uit de jaren dertig, die "wondere tijd" zoals iemand die heeft genoemd.
Het was een tijd waarin, ronder dat er van enige "groep" of "kongsi" sprake was, in allerlei plaatsen, door allerlei theologen, predikanten - en niet-theologen! - pretentieloos aan intensieve Schriftstudie werd gedaan en daardoor met name de ogen open gingen voor de invloed van de in wezen heidense filosofie die, via de roomse scholastiek op de gangbare gereformeerde theologie werd uitgeoefend. 1) Die inwerking van de scholastiek bestond vooral daarin dat men het levende Woord van Gold en de levende theologie ging bewerken met categorieën, denkmodellen, begrippen die aan die door de griekse filosofie geïnfecteerde scholastiek waren ontleend. Men wilde de "eenvoudige" theologie van Calvijn en Luther "wetenschappelijker" maken en gebruikte daarvoor wapenen die aan de "vijand", de tegenstander, waren ontleend. Men paste de methode van de scholastieke theologen toe bij de uät1eg van de Heilige Schrift.
de ontwikkeling van de theologie, de polemiek, speciaal miet de roomse opponenten. Men besefte niet of niet voddoende dat men zoiets niet kan doen zonder tegelijk ook veel van de “inhoud" van die theologie over te nemen, En men doorzag ook niet dat het met de scholastieke methode "bewerken" van de Heilige Schrift ongeveer zo iets is als het meten van water met een lineaal of als het opvangen van gedachten in een inhoudsmaat!
Door deze scholastieke methode toe te passen kwam men tot allerlei “onderscheidingen" die vreemd waren aan de Heilige Schrift. En men deed dat met zo'n kracht en ernst dat die tot vandaag toe, zelfs onder de “eenvoudige" gelovigen gangbaar zijn gebleven. En - dat wil ik er bij zeggen - de "gereformeerde gezindte" hebben uiteengejaagd en verscheurd! 2) Zo ging men spreken van "uitwendige" en “inwendige" roeping alsof dat er twee waren. En over een “uitwendige" en een “inwendige" heiligheid en een “uitwendig" en “inwendig" verbond.
Men hoorde op de preekstoel oreren over de "hebbelijkheid" (de potentia) en de "dadelijkheid" (de actus) van het geloof. Over een "kiem" van het geloof die, door een ronder de prediking van het Evangelie gewekte wedergeboorte, in het hart wordt "ingeplant". Over een “algemeen" en “bijzonder" aanbod van genade.
Als gevolg van die theorie omtrent een "uitwendig" en een "inwendig" verbond (of een "uitwendige" of "inwendige zijde" daarvan) ontstond de constructie van een “echte" en een "schijndoop" en de theorie van de "veronderstelde wedergeboorte". (Die is, dit even tussen twee haakjes, niet door Kuyper uitgevonden!
Men vindt die al in geuren en kleuren bij Voetius!) De biograaf van Voetius vertelt dat deze vrome theoloog in Utrecht waar hij veertig jaar professor was een “Gideonsbende" had gevormd die de “orthodoxie" en - de aristotelische filosofie verdedigde. Reeds bij het leven van Calvijn begon deze funeste ontwikkeling.
Ze veroorzaakte o.a. dat de voortreffelijke bedoelingen van de theologen van “de nadere reformatie" niet werden gerealiseerd.
Theologen en “gewone" gelovigen raakten daardoor in heftige, onvruchtbare disputen over allerlei splinterige theologische kwesties, die aan het leven des geloofs grote schade toebrachten en wat misschien nog erger was oorzaak werden van allerlei richtingen, die, als de overheid niet tussenbeide was gekomen, tot kerkscheuringen zouden hebben geleid! Nu de overheid niet meer ingrijpt hebben we ten gevolge van deze kanker in het gereformeerde leven in de laatste halve eeuw vier grote en een aantal kleine kerkscheuringen beleefd.
Het was in de jaren dertig dat vooral door het werk van Schilder, Vollenhoven, Dooyeweerd, Janse, Weelderink en anderen onze ogen open gingen voor de funeste invloed van allerlei “wetenschappelijke scholastiek" in kerk en theologie
*) Het was mijn bedoeling nog wat over prof. Schilder te schrijven, maar het "Ingezonden" waarop ik in dit en de volgende artikelen inga ligt al te lang te wachten. En daarom nu eerst deze.
1) Ik denk hierbij aan mannen als Schilder, Vollenhoven. Dooyeweerd, Janse, Holwerda, Jager, Van 't Veer, Tunderman, de gebroeders Spier en niet te vergeten: Woelderink.
2) Echte wetenschap is voor alles het ontwaren van in het geschapene en zo ook in de Woordopenharing bestaande reële onderscheidingen. De "fouten" die men daarbij maken kan zijn het over het hoofd men van reële onderscheidingen en het fingeren van niet-reële.