Het "gevaarlijke" boek (2)
1977-04-29
"Ga jij de klas maar uit!"- Jaargang 21
- nummer 17
Dat is de titel van een aardig, instructief boek over Nederlandse literatuur van na 1945. Het wil de leerling "de klas uit" brengen, hem via de literatuur "het leven"
laten verkennen. De scholier vindt er flink wat 'informatie in en vooral is het belangrijk dat bij de erin genoemde auteurs wordt vermeld waar uitvoeriger bespreking van hun werk te vinden zijn.
Schrijver: J. Bernlef. Uitgever: Wolters/Noordhoff. Groningen.
"Objectief" is het boek niet; dat hoeft ook niet, maar u zult toch wel uw bedenkingen hebben, als u het boek ,.Ik Jan Cremer" kent en dan daarover het volgende leest: "Het is een bont verslag waarin werkelijkheid en fantasie door elkaar spelen, geschreven door een "jongen uit het volk". Dit laatste was - met de openhartigheid op sexueel gebied - sleutel tot Cremers succes. Duizenden herkenden hun eigen stem in Cremers toon. Fatsoensrakkers staken de waarschuwende vinger op en gingen geheel voorbij aan Cremers vermogen tot burleske situatiebeschrijving die hem tot een avonturenschrijver van de eerste orde maakte."
Tegenover deze waardering is natuurlijk een ander oordeel te stellen: Jan Cremer schrijft vulgair, pornografisch, en vrijwel zonder enige literaire kwaliteit.
Zijn succes heeft hij voornamelijk te danken aan die “openhartigheid" op sexueel gebied, en natuurlijk aan zijn antiburgerlijke instelling.
Ter geruststelling: er zijn tegenwoordig nog maar weinig jongelui die hem lezen.
Maar u beseft nu misschien wel dat het van groot belang is wie onze jeugd begeleidt als die "de klas uitgaat" en hoe de leraar of lerares zelf staat tegenover wat "het leven" allemaal biedt. Het is de taak van de ouders hun kinderen ook hierin te helpen!
Dag vader en dag moeder
In één van zijn liedjes zingt Boudewijn de Groot:
Dag vader en dag moeder,
Dag zuster Ursula!
Ik zie het hier niet zitten.
Ik ga naar Amerika.
Het is een moderne variant op de onvrede met de bestaande situatie, het protest, de jongere zet zich af tegen het "gezag" (men spreekt veel over het "generatie-conflict"), maar tegelijk is op te merken dat er toch eigenlijk gehunkerd wordt naar echt contact met vader en moeder. Wie wel eens iets van Jan Wolkers gelezen heeft, zal dat erkennen.
Laat ik een citaat geven: “Wat houd ik eigenlijk van die man, denkt hij. En hij heeft het altijd onmogelijk voor meegemaakt om het te laten merken.
Misschien rel hij als Henoch wandelen met God en er ineens niet meer zijn. Vader, vader, de wagenen Israëls en zijn ruiters. "
(Een roos van vlees) Maar ook: "Wat kunnen ze een jeugd toch vergiftigen, dacht Herman.
Als een schroef draaien ze je scheef in het hardste hout, en als het niet meer gaat, slaan ze er met de hamer op." (De verschrikkelijke sneeuwman) Vader en moeder zijn dikwijls het symbool van bekrompenheid, ze zijn kleinburgerlijk. b.v. in het volgende fragment uit "Ik heb altijd gelijk" van W. F. Hermans.
(De hoofdpersoon zou, kort na de oorlog, als soldaat naar Indië vertrekken) "De dag voor ik werd ingescheept, ging ik ernaar toe (d.w.z. naar zijn ouders). Ik was expres in burger, ik dacht dat ze mij in uniform niet eens zouden herkennen.
Maar ze deden of ik een half uurtje was wezen omlopen, in plaats van twee jaar weg geweest.
Mijn moeder gaf mij een kopje thee met een koekje. Toen ik het opgegeten had, vroeg mijn moeder aan mijn vader: "Wat dunkt U vader, zouden we hem nog een tweede koekje geven?"
“Nou, voor deze keer dan maar, zei hij. Koekjes zijn nog schaars, zei mijn moeder. Mijn vader vroeg, of ik nog van plan was mijn studie af te maken. Had hij het mij niet altijd voorspeld? Alle oorlogsmisdadigers en collaborateurs waren nu op vrije voeten, en schatrijk, maar die illegalen, dat was niets gedaan. Halfgare idealisten die niet eens hun mond konden houden als het erop aankwam."
Boudewijn de Groot zingt:
"Kom vaders en moeders, Kom hier en hoor toe.
Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe.
Je zoons en je dochters, die haten gezag:
Je moraal, die verveelt ons al tijden,
En vlieg op als de wereld van nu je niet mag,
Want er komen andere tijden!"
Groots en meeslepend wil ik leven! (??)
Ongeveer 1930 schreef Marsman (in: De Grijsaard en de Jongeling)
"Groots en meeslepend wil ik leven!
Hoort ge dat, vader, moeder, knekelhuis!"
De laatste regels van dat gedicht luiden:
"De jongen kijkt door de geopende ramen waarlangs de wereld slaat zonder zich te beraden stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.
Het klinkt wel wat anders, hoewel het motief hetzelfde is, als in het gedicht van Gossaert dat begint met: Hij sprak, in 't zaal zich wendend: "Vaarwel. 0 moeder, nooit keer ik weer!"
Wie de ouderdom over zich voelt komen, kan vanuit de verte over zijn eigen jeugd zeggen:
(Boem) Toen ik jong was, bestond ik in vormen
Van het leven, dat komen zou:
Ben vervoerend de wereld doorstormen.
Een lied en een eindlijke vrouw.
De Duitsers gebruiken de term "Sturm und Drang", als aandulding voor de romantische periode van zo'n tweehonderd jaar geleden. Wat heet eigenlijk "modern "?
We zouden wellicht verwachten dat de jonge, moderne schrijvers na hun: "Dag vader en dag moeder!"
nu wel eens de wereld op hún manier willen gaan verbeteren.
Maar van dat "groots en meeslepend leven" merken we niet zo veel. Het is eerder een nogal trieste boel. Wèl is er verzet, afbraak, maar van opbouw wordt weinig gesproken. Typerend is het boekje van Heere Heeresma: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp. Het is satirisch, d.w.z.: het haalt allerlei zaken over de hekel, en de hoofdpersoon meldt zich dan ook aan voor werk in ontwikkelingshulp vanwege de goede financiële vooruitzichten en de mogelijkheid van pensioen. Alles mislukt evenwel; op weg naar het begin van zijn werk slipt hij met zijn bromfiets en sterft hij.
Ik zie het hier niet zitten
Vrijwel nergens in de literatuur van na 1950 wordt een uitweg aangewezen. Laat ik maar eens wat kenmerken en veel voorkomende elementen van die literatuur opsommen: Eerst ontleen ik aan het werk van G. Slings: Een boos en overspelig geslacht. Hij noemt: uitzichtloosheid; absurditeit van het bestaan; eenzaamheid; angst; wanhoop; sexualiteit: "eerlijkheid" ("men neemt geen blad voor de mond, zeker geen vijgenblad"), in het verlengde ligt de schaamteloosheid: het engagement (de schrijver voelt zich betrokken bij het gebeuren van zijn tijd) .
Dit lijstje kan nog wel wat aangevuld worden: alledaags taalgebruik. geen "mooischrijverij", maar het gewone, soms ook platte en ordinaire woord komen we herhaaldelijk tegen. De cultuur van voor 1940 is getypeerd als "gymnasiumcultuur", die van na 1950 zouden we "spijkerbroekencultuur" kunnen noemen. Er is behoefte ergens tegen aan te trappen, te schokken. Er wordt gezocht naar het "andere", er wordt bewust afgeweken van de gebruikelijke stijl en opbouwen er is verzet tegen het logische, verstandelijke; de voorkeur gaat uit naar het primair en instinctmatig reageren, met name zintuiglijk en algemeen lichamelijk.
Dat wil niet zeggen dat we nu met literatuur te maken krijgen die alleen maar goed is voor de vuilnisbak. Heel wat moderne schrijvers Blijken over veel talent te beschikken, ik noem alleen maar Hermans, Wolkers en Hamelink, en zonder veel moeite komen we tot een twintig namen die het verdienen bekend te blijven.
Met gebruikmaking van hun talent vertolken die schrijvers het moderne levensgevoel. Uit de titels van hun boeken komt het ons al tegemoet: Eenzaam avontuur (Anna Blaman ), Op leven en dood (idem). De wereld gaat aan vlijt ten onder (Ward Ruyslinck), De donkere kamer van Damocles (W. F. Hermans). Op weg naar het einde (G. K. v. h. Reve). Horror Vacuï (= vrees voor de leegte), schrijver: J. Hemelink, ANemaaa tranen (Mensje van Keulen). Ik ben geneigd met een zucht de titel van een modem schoolboek over literatuur te citeren: Mooi is anders!
In een volgend, afsluitend, artikel hoop ik nog iets te zeggen over de wijze waarop tegenwoordig veel boeken, en met name verhalen, in de klas worden besproken; daaraan wil ik dan ook nog kort enkele adviezen verbinden.
Maar ook nu wil ik weer een gedicht overnemen. Het is erg bekend, ik denk dat vrijwel iedere leraar Nederlands het wel eens bespreekt. Het is van Elien Warmond:
Changement de décor
Zodra de dag als een dreigbrief
in mijn kamer wordt geschoven
worden de rode zegels van de droom
door snelle messen zonlicht losgebroken
huizen slaan traag hun bittere ogen op
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen
terwijl de zwijgende schildwachten
nachtdroom en dagdroom haastig elkaar
hun plaatsen afstaan
legt het vuurpeloton van de twaalf
nieuwe uren bedaard op mij aan.