Zo was het (6)
1977-04-29
In het kerkblaadje van Voorthuizen schreef ik omstreeks 1946 over wedergeboorte, wedergeboren zijn en wat daarmee samenhangt.- Jaargang 21
- nummer 17
Daarover bestond en bestaat veel misverstand, Wat m.i. voortkomt uit de geneigdheid van veel christenen om meer te luisteren naar theologen dan naar de Schrift.
Eén van de Belijdenisgeschriften heeft nogal wat van de wedergeboorte of bekering gezegd. Zij is een werk van de Heilige Geest.
"Die opent het hart dat gesloten is; vermurwt dat hard is besnijdt dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt, die boos was goed wordt, die niet wilde nu metterdaad wil; die wederspannig was gehoorzaam wordt: Hij beweegt en sterkt die wil zó, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen."
En nog meer uitspraken volgen, waarvan de meeste wel goed zijn en naar de Schrift. We moeten echter maar nooit vergeten, dat de Belijdenisschriften proberen de Schrift na te spreken, maar dat het menselijke uitspraken zijn en blijven.
De opstellers van de D.L. hebben heel wat van de wedergeboorte gezegd. Maar het is alsof ze zelf gedacht hebben: "We hebben er misschien wel een beetje te veel van gezegd en mogelijk kunnen sommige broeders en zusters wel wat in verlegenheid gebracht zijn door onze uitspraken". Daarom hebben zij er dunkt mij de volgende uitspraak aan toegevoegd: "De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomen begrijpen: ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen (overtuigd zijn).
dat zij door deze genade Gods met het hart geloven en hun Zaligmaker liefhebben". Inderdaad zeer geruststellend. Wie mènens gelooft in de Here Jezus en de Zaligmaker liefheeft, moet zich maar niet in de war laten brengen door zogenaamde zware christenen.
die het al te gemakkelijk vinden om het Evangelie te geloven. Er moet, zo zeggen zij, nog heel wat meer gebeuren en heel wat anders.
Maar de Here Jezus Zelf heeft gezegd, niet eenmaal maar herhaaldelijk: "Wie in Mij gelooft heeft het eeuwige leven". En Johannes schrijft in zijn eerste brief (5: 1): "Een ieder, die gelooft, dat Jezus de Christus is, is uit God geboren". Zelfs al is de gelovige gestorven. heeft hij in Christus het Leven.
We moeten maar niet wijzer dan de Here zijn en ons houden aan Zijn Woord, aan het Evangelie van Gods genade.
Ja. we moeten ons maar houden aan het Evangelie, aan de Blijde Boodschap en het Grote Nieuws geloven. Men zegt altijd, dat de wedergeboorte geschiedt door de werking van de Heilige Geest. En dat is waar. Maar we mogen niet vergeten, dat de Heilige Geest werkt door het Woord, door het Evangelie.
Hoe kunnen velen dat toch vergeten, terwijl het zo duidelijk in de Bijbel staat? Niet één maal, maar vele malen.
Het is de duivel gelukt de weg der verlossing veel ingewikkelder en moeilijker voor te stellen, dan de Here het geopenbaard heek Hele geslachten van kinderen Gods zijn donker heengegaan, terwijl het Evangelie toch zo duidelijk en klaar is, dat het een kind kan verstaan.
Dat de Heilige Geest wedergeboorte werkt door het Woord is gemakkelijk uit de Schrift aan te wijzen. Er staat in Jakobus 1: 18: "Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard (ons het leven gegeven) door het Woord der waarheid". En dat Woord der waarheid. dat ware Woord is het Evangelie.
Een andere tekst diene als bewijs: "Hebt dan elkander van harte en bestendig lief, als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende Woord van God". (1 Petr. 1 : 23).
En dan volgt er: "Dit nu is het Woord, dat u als Evangelie verkondigd is".
We kennen allen wel de bekende tekst Rom. 1 : 17: "Het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid ". Dat is: tot redding of verlossing.
En tot die redding behoort ook wedergeboorte of nieuw leven. Daarom kan Paulus ook zeggen (1 Km. 4 : 15): “Ik heb u in Christus Jezus door het Evangelie verwekt". Hij is in zekere zin de vader van zijn bekeerlingen.
Hij heeft ze door het Evangelie nieuw leven geschonken.
Nog één tekst wil ik aanhalen: "Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus. die ons door zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop". (1 Petr. 1 : 3) Mogelijk zal iemand zeggen: Daar staat niets over het Evangelie. Toch bedoelt Petrus dat wel. Toen de Here Jezus in het graf lag waren de discipelen wanhopig. Want hun Heiland was dood en wie zou hen nu redden? Alles was verloren naar ze meenden.
Ze waren om zo te zeggen dood, want hun geloof was dood. Maar toen kwam tot hen de blijde tijding: De Here Jezus is opgestaan uit de doden. Maria Magdala heeft Hem gezien en de Emmaüsgangers en de vrouwen.
Toen de apostelen die boodschap hoorden herleefde hun geloof en hun hoop, toen herleefden zij. Toen werden ze wedergeboren tot een levende hoop. En zo komen ook wij tot nieuw leven. Wanhopig zouden we zijn als de Redder der wereld in het graf was gebleven. We komen tot nieuw leven door de opstanding van de Heiland, die ons door het Evangelie wondt verkondigd.
Dat we niet behouden worden zonder zelfwerkzaamheid.
daarover schreef ik ook in ons blaadje. Dat heb ik eens gevuld met de bespreking van een tekst, die zo heel duidelijk spreekt van Gods werk en van ons werken.
Van "ons werken" moeten we maar n:ie!t schrikken. want zo spreekt de Schrift. We moeten maar niet wijzer zijn dan de Schriften. die ons "wijs kunnen maken tot Zaligheid", Anders zijn we eigenwijs. Er staat in Fil. 2: 12 en 13: "Werkt uw eigen zaligheid met vrees en beving. want het is God die in u werkt het willen en het werken tot roem van Zijn welbehagen".
Dat klinkt ons wonderlijk in de oren: Werkt uw eigen heil! of redding, want God werkt en maakt, dat gij wilt en werkt. Raadsels moeten we niet proberen op te lossen. Hier niet tenminste. Laten we maar doen wat de Heer ons door Paulus beveelt. Gaat er maar aan staan. Eigen zaligheid, eigen redding bewerken, waartoe ook wedergeboorte behoort.
Staat maar op tot een nieuw leven.
Want God werkt. Weest maar niet bang, dat Hij niet doen zal wat Hij heeft beloofd.
Vertrouwt daarop maar gerust en doet wat Hij beval.
In Fillpp. had de apostel het Evangelie gebracht. Lydia had acht gegeven op het Woord des HEREN, waardoor Hij haar hart opende. Hij gaf haar het geloof en zij geloofde. Ook de cipier was toegebracht tot de gemeente en in één nacht met heel zijn huis gelovig geworden, en gedoopt. Zo zullen er meer geweest zijn. Hun was het voorrecht ten deel gevallen, dat zij in de HERE mochten geloven en voor Hem lijden.
En nu moeten ze in dat geloof volharden. En eigen heil bewerken. Met één keer geloven zijn ze niet klaar. Telkens weer uit het geloof levend moeten ze hun redding werken.
En dat mogen en moeten wij. Wie dat niet wil gaat verloren. We worden gered van de duivel en van de wereld en van de overmacht der zonde. Maar daarin moeten we zelf werkzaam zijn. Dat gaat niet buiten ons om. Strijden moeten we om in te gaan. En dat mógen we. De duivel neemt geen vakantie en de verleiding slaapt niet en ons eigen vlees, onze oude natuur, houdt niet op ons aan te vechten.
In Fil. 2 maakt Paulus wel duidelijk hoe we moeten werken: Leven waardig aan het Evangelie. In één Geest staan en één van zin en streven strijden door en voor het geloof aan het Evangelie. Eensgezind zijn. Dezelfde liefde hebben. Niet twisten of ijdele eer najagen.
Ootmoedig zijn en anderen uitnemender achten dan onszelf. Dezelfde overtuiging moet in ons zijn als ook in Jezus Christus was. Die gehoorzaam is geweest tot in de dood aan het kruis. We moeten alles doen zonder tegenspreken. Onberispelijk zijn en oprecht, als kinderen van God onbestraffelijk.
Zó hebben we te schijnen als lichten in de wereld. Dát is "onze redding maken". In één zin: jagen naar de heiligmaking. Zo maken we onze roeping en verkiezing vast en zullen we niet zó struikelen dat we uitvallen.
Zo hebben wij te [even. En te werken. Met vrees en beving. Dus altijd maar bang zijn of we wel zullen behouden worden? Geen sprake van! Wel altijd vrezen om van Gods wegen af te wijken. Steeds eerbiedig naar de vermaningen van de Here luisteren. Bang zijn om de HERE verdriet aan te doen. Oppassen dat we Hem niet vertoornen. Want Hij is niet "onze lieve Heer", die alles maar goed vindt. We zullen Hem vrezen. Het nauw nemen met wat Hij wil. Nooit denken: een beetje zondigen kan geen kwaad. Want God vindt zonde erg. Al is er bij Hem veel vergeving.
En als we gestreden hebben wat we konden en moesten en zo onze redding bewerkten, dan mogen wij ons kranen vinden? Die door eigen kracht alles deden? Verre van dat!
Want God deed het. Hij is het, die in ons werkt het willen en het werken. Tot roem van Zijn heilswerk.
God werkt. Er staat niet: Hij heeft gewerkt, zodat wij nu dat werk moeten afmaken. Neen, Gods Geest is met en in ons leven bezig.
Altijd weer en altijd door. In ons doen en laten zijn we altijd volkomen afhankelijk van Gold. En Hij laat ons niet in de steek. Als wij maar doen wat Hij vraagt. Hij doet wel wat Hij beloofd heeft. Hij buigt onze wil en brengt ons tot de daad. Op een manier, die door ons niet na te speuren is.
We geloven toch in de Heilige Geest? Maar dan geloven we toch ook, dat Hij in ons leven werkt, in ons hart, in ons verstand, in onze wil en in al onze genegenheden! Maar alle eigen roem is uitgesloten. Alles is tot roem van Zijn welbehagen. Tot eer van Zijn heilsraad en heilswil over ons.
Het blijft er bij: God werkt en wij werken.
Uit kracht, die Hij verleent. Het is daarbij niet zo, dat God 90% doet en wij 10%. Of: Hij 99%en wij 1%. Wij begrijpen er niets van. Maar het ds zo: God doet 100%. En wij doen 100 %. Zodat niet wij het doen, maar Gods genade, die met ons is. Ra ra, hoe kan dat? Omdat God groot is en wij Zijn werk niet doorgronden.