De plaats van de vrouw in de gemeente
1977-05-06
1. Het wereldse strijdmodel- Jaargang 21
- nummer 18
Wie geen vreemdeling is in het kerkelijk Jeruzalem, weet dat het gesprek over de vrouw in het ambt onder ons in verschillende gemeentes gevoerd wordt. Wij zijn daarmee later dan andere kerken. Sommigen zullen dat met enige spot en bitterheid opmerken. Het is echter ook mogelijk op meer laconieke wijze met dit gegeven onze winst te doen en het gesprek over dit punt in alle behoedzaamheid en rust te voeren. Wie toch al bij de mode ten achter loopt, behoeft er zich ook niet door te laten opjagen. We kunnen trouwens ook leren van de ervaring die andere kerken met de vrouw in het ambt hebben opgedaan.
Een nadeel van ons laat-zijn met dit onderwerp is dat het hardop nadenken erover bij ons moet plaatsvinden te midden van de bikkelharde emancipatie-strijd die op het ogenblik het maatschappelijk leven teistert. Andere kerken hebben het gesprek over de vrouw in het ambt in een vriendelijker sfeer kunnen voeren. Zij waren de polarisatie vóór. Wij daarentegen staan voor de noodzaak, onze meningsvorming met alle macht weg te houden uit en af te grenzen tegen het revolutionaire klimaat dat vandaag de man-vrouw-verhouding vergiftigt. Er zijn er die zeggen, dat dit revolutionaire klimaat er ook vroeger al was, enige tientallen jaren eerder, al kondigde wat nu een storm is zich toen aan als een zacht briesje. Zij die dit zo stellen, vinden misschien dat alle nadenken in de richting van de v rouw in het ambt een uiting is van revolutionaire gezindheid. Dat is evenwel niet waar; we moeten en mogen onderscheiden. Zoals er in de geschiedenis een Reformatie en een Renaissance geweest zijn, gelijktijdig en in meerdere opzichten gelijkend en toch in de wortel verschillend, zo is er in onze eeuw van meet af aan een gelijkend en tegelijk verschillend nadenken over de positie van de vrouw geweest. Het één voortkomend uit revolutionaire geest, het ander uit een beter verstaan van de Schriften.
Alvorens over dit laatste te spreken – wat ons natuurlijk het meest interesseert – wil ik proberen iets typerends te zeggen over dat revolutionaire denken. Ik neem daarbij mijn uitgangspunt in een Bijbelhoofdstuk dat ’t ons niet gemakkelijk maakt, namelijk uit het begin van het boek Esther. Daar wordt ons verteld van de ongehoorzame koningin Vasthi, die met haar ongehoorzaamheid onze sympathie oogst. “Op de zevende dag (van het feest), toen het hart des konings vrolijk was van de wijn, beval hij …. De zeven hovelingen die in de persoonlijke dienst van koning Ahasveros stonden, dat zij koningin Vasthi, met de Koninklijke kroon getooid, in des konings tegenwoordigheid moesten brengen om de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen, want zij was een bekoorlijke verschijning. Koningin Vasthi weigerde echter te komen op het bevel des konings…” (Ester 1:10-12). Op Koninginnedag, zaterdagavond j.l., vond hier vlakbij in het Hilton-hotel de Miss-Amsterdam-verkiezing plaats. Rooie vrouwen hebben op het laatst deze happening van mooie vrouwen verstoord. Goed zo! zeiden mijn gespijkerbroekte dochters. En dat zeggen wij van koningin Vasthi ook: goed zo! En de jonge Esther, die straks in de plaats komt van koningin Vasthi, ontmoet bij ons even weinig sympathie als in de wereld een werkwillige ten tijde van een staking.
Toch, als wij zo hartstochtelijk ‘goed zo!’ roepen is er reden onszelf te wantrouwen. Het is dan gepast, ons de vraag van de Meester te binnen te brengen: wat noemt gij Mij goed? Ik heb gezegd, dat dit voorval uit het boek Esther het ons moeilijk maakt. Het moeilijke bestaat hieruit, dat wij volkomen begrip kunnen opbrengen voor het fiere en verontwaardigde ‘nee!’ van koningin Vasthi, die er stichtelijk voor bedankte om zich door de troebele ogen van halfdronken mannen te laten aftasten. Toch moeten we zeggen, dat de middelen van Vasthi middelen van geweld zijn. Hard tegen hard, zo is hier het spel. Stel je voor, je echtgenoot zó in het openbaar zo’n figuur te laten slaan! Dat is ook precies het wereldse van dit conflict. De mooie verscheidenheid die de Schepper tussen man en vrouw gesteld heeft en waarmee Hij verrijking van het leven beoogt, is hier verworden tot vijandschap en strijd. Een strijd, die vooral voor de vrouw dit zielige heeft, dat hij niets bijdraagt tot verbetering van haar lot. Ook in dit opzicht is het boek Esther leerzaam voor alle tijden.
Want de man is en blijft de sterkste. Ook als hij de vrouw beledigd heeft en deze daartegen in begrijpelijke verontwaardiging ontsteekt, is hij dat nog. Lees maar: “Indien het de koning goed dunkt, moge er een koninklijk besluit van hem uitgaan en het worde geschreven in de wetten van Perzië en Medië, zodat het niet herroepen kan worden, dat Vasthi niet meer voor het aangezicht van koning Ahasveros verschijnen mag en dat de koning haar waardigheid als koningin zal schenken aan een ander, beter dan zij. Wordt de verordening die de koning moge uitvaardigen, gehoord in zijn hele rijk – voorwaar, dit is groot! – dan zullen alle vrouwen aan haar mannen, van de aanzienlijkste tot de geringste, eer geven” (vss 19 en 20). Er is bij deze passage voor geen enkele man reden tot opluchting en voldoening, want op beschamende wijze treedt hier een baasschap naar voren, dat op de macht van de vrees gebaseerd is. Het recht van de vrouw wordt hier vertrapt onder de overmacht van de man. Dat zal ook het einde zijn van de emancipatie-strijd van onze eeuw. Hard tegen hard – dat moet de vrouw verliezen en bezuren.
Maar wat had Vasthi dán moeten doen? De koningin z’n zin geven? Misschien gaan wij wel te veel van de acute conflict-situatie uit. Misschien moeten we terug naar de tijd daaraan voorafgaande, waarin ons Vasthi tegemoet zou kunnen treden als een vrouw, die aanleiding gaf tot dergelijke grofheden van de kant van haar echtgenoot. Het lijkt me toe, dat in een goed huwelijk een dergelijk conflict niet zo plotseling zou kunnen ontstaan en niet zo publiek zou worden uitgevochten. Vasthi’s weigering mag dan fier zijn, er zit ook een heleboel rancune en wraakzucht bij. Het is typisch het overkokend reageren van een vrouw die in haar huwelijk niet op tijd tegenspel geboden heeft aan haar man. Haar handelwijze lost dan ook niets op, maakt het alleen maar erger. Vasthi heeft geen bijdrage geleverd aan de verbetering van de positie van de vrouw, al is de wereld mogelijk in staat haar als een voorloopster van de vrouwenbeweging te vereren. Merkwaardig, dat Esther, die we in het begin als opvolgster van Vasthi haast vanzelf voor een doetje houden, bij dezelfde man veel meer bereikt heeft. Ook zij liet zich geen schrik aanjagen(“dan zal ik tot de koning gaan ondanks het verbod”, 4:16), maar toch anders. Als verongelijkte begon zij met de plaats van haar echtgenoot te erkennen. ‘De koning Ahasveros heb ik altijd geëerd’. Zo stelde zij ‘zacht’ tegenover ‘hard’ en … ze smeekte met haar volk of God dat zegenen wilde (4:15-17). Het gevolg van de geschiedenis toont ons koningin Esther als een ware evenknie van koning Ahasveros. Een vrouw, terecht een ambtsdraagster, die meer is dan ’n toegevoegde waarde van de man. Hier licht iets op van een der grootste geheimenissen van het Koninkrijk Gods: Wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
Het lijkt mij een zeer belangrijke vraag, langs welke weg het voor de vrouw komt tot medezeggenschap en ambtelijke verantwoordelijkheid. Gaat dat met behulp van het strijdmodel à la Vasthi of met behulp van het harmoniemodel à la Esther? Met het harmonie-model bedoel ik dan de eerbiediging van de structuur die de Here God in het mensenleven heeft gelegd ten aanzien van man en vrouw, die er een is van nevenschikking en onderschikking beide. (Ik zal het daar de volgende keer over hebben). Leeft de vrouw in de kerk bij het strijdmodel en zegt ze: moet je zien wat een puinhoop de mannen van de kerk gemaakt hebben! Het is hoognodig dat de vrouwen eens orde op zaken stellen! – daar is geen heil van te verwachten. Evenmin is het goed, wanneer de leuze van totale gelijkheid tussen man en vrouw wordt aangeheven. Want het is wel waar, dat sinds onze val in zonde de verscheidenheid van de schepping bij ons niet meer veilig is en wij die, in plaats van tot verrijking, tot beschadiging van elkaar gebruiken. Maar de oplossing kan nooit zijn, dat we die verscheidenheid dan maar botweg ontkennen.
Dat is revolutie, die niet alleen tegen de verwording, maar tegelijk ook tegen de schepping zelf in opstand komt. Revolutie weet geen raad met schepping en zondeval; die heeft alleen maar belang bij een vermenging van die twee tot evolutie. Revolutie en evolutie horen geestelijk bij elkaar. Het is werkelijk goed, dat we bij dit onderwerp de geesten leren onderscheiden. Daarvoor worden wij toch ook weer geholpen door het feit, dat de positie van de vrouw vandaag zo ongelooflijk fel aan de orde wordt gesteld. Ik zei, dat dat een nadeel was en bedoelde, dat we zo gemakkelijk in die felle polarisatie worden meegenomen. Maar het voordeel is, dat we nu gemakkelijker dan vroeger de geest van de revolutie door haar felle opstelling kunnen onderkennen. Zo mag het nooit, weten we.
Volgende week verder.