De namen van mijn kinderen
1977-05-06
Ergens in het land hebben we goede vrienden, Als ik er kom loop ik graag naar een kast, waar een tegel staat waarop een gedicht werd geschilderd. Dat gedicht spreekt me toe. Het heet "gebed voor mijn kinderen" en is van Geeske Le Grand, die in Afrika woont.- Jaargang 21
- nummer 18
Dat gedicht is universeel en uitermate christelijk. Het kon even goed door u of mij zijn gebeden, als wij onze gedachten zo fijnzinnig onder woorden zouden kunnen brengen. Want de zorg over de volgende generatie groeit de meesten van ons boven het hoofd. Wij allen, de goeden zelfs te na gesproken, hebben dagelijks te maken met onze Vader in de hemelen terzake van onze kinderen, die tenslotte Zijn kinderen zijn.
En luister daarom eens mee naar dit gebed van een Afrikaanse moeder, dat ons gebed kan zijn:
Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen
graveer Gij ze daar in met onuitwisbaar schrift.
Dat niets of niemand ze meer ooit daar uit kan branden ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.
Houdt Gij mijn kinderen vast als ik ze los moet laten
en laat altijd Uw kracht boven mijn zwakheid staan.
Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,
als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.
Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen
maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.
Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren
en laat ze nooit van U vervreemden, nooit, hun leven lang!
Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen. Amen.
Soms vraagt u zich af, of er wel ooit een tijd is geweest waarin ouders verder van hun kinderen stonden dan vandaag. Er is een volkomen spraakverwarring tussen deze generaties. De ene verwijt de andere, dat die niet in de beproefde oude paden wenst te wandelen. De andere verwijt de ene, dat die beproefde paden wel beproefd maar geen paden zijn. De een wordt verteerd door zorg, om de zorgeloosheid van de ander; de ander smart het, dat de een zo onder zijn zorgen lijdt.
Beiden willen elkander geen pijn doen; maar beiden kunnen niet anders clan pijn doen. En dan spreken we nog van families, waar gesproken en geluisterd wordt. Er zijn ook gezinnen waar niet meer geluisterd, maar gezwegen, geraasd of gevloekt wordt.
We hoeven niet meer te spreken over de welvaart, de jeugdlonen, de onafhankelijkheid. de inspraak, de vrije opvattingen, de grote monden, de pil voor kinderen boven 12 jaar, de opgevoerde sexualiteit, de slechte voorbeelden en de rest. Al deze dingen zijn bijverschijnselen, die de zaken wel duidelijker maar niet anders maken. De hoofdzaak is, dat daar een kloof komt tussen onze opgroeiende of volwassen kinderen en God de Heere. Dat ouders wakker liggen omdat hun meiskes met de pil op zak lopen is goed; maar dat ouders wakker liggen omdat ze de vreze des Heeren niet meer bij hun kroost aantreffen is beter.
Hoe komt dat? Wat zit daar achter?
Nog maar kort geleden was het antwoord binnen handbereik: dat komt, omdat de kinderen in hun ouders de vreze des Heeren niet hebben opgemerkt. Wanneer ouders maar teer zijn in de omgang met onze hemelse Vader, dan nemen kinderen die eerbied vanzelf over. Vooral wanneer ze leren dat vreze slechts betekent: bezorgdheid om Hem te krenken.
Maar zo liggen de zaken vandaag niet, dacht ik Ook volkomen eerlijke, Godvrezende gezinnen hebben de zorg, hierboven omschreven.
leider die de Heere vreest wordt - door zijn buurman, door de straat, door de collega's, ja door zijn eigen kinderen - voor huichelaar aangezien.
Bidden voor je dagelijks brood, terwijl het overtollige brood in de vuilnisbak gaat - is dat niet absurd? Rekening houden met de wetten van een God, die nooit iets van Zich laat horen - is dat niet absurd? Je vertrouwen stellen in vage beloften - is dat niet absurd?
Danken voor je dagelijks brood, dat je met eigen handen en zweet hebt verdiend - is dat niet absurd? Je gezin in een andere richting dringen dan de grote meerderheid als juist ziet - is dat niet absurd?
Zo gaat dat verder, De Heere danken dat je in de kerk bent geboren, gedoopt en opgevoed - wel, is dat het danken waard? Is die kerk zo'n begeerlijke zaak? Gemeenschap der heiligen onderhouden? Voor de jeugd hoeft het vaak niet: zo heilig zijn die heiligen nu ook weer niet!
En toch. Laten we samen vaststellen, dat de jeugd het vandaag ontzaglijk moeilijk heeft. Moeilijker dan wij het ooit hadden. Moeilijk vooral met een christendom, dat versmald is tot kerkelijke leefregels en gewoonten, die lang niet altijd gelijken op de lijnen van Gods koninkrijk.
De jeugd ziet daar doorheen en terecht. De jeugd wil eerlijkheid en terecht. De jeugd vraagt moed en geen wanhoop. De jeugd ziet de Westerse cultuur op de puinhopen van twee wereldoorlogen zitten.
De jeugd ziet een deel van de wereld zich vol vreten, terwijl twee delen van de wereld te kort komen. De jeugd ziet dan ook weinig toekomst, die de moeite waard schijnt. En vooral: onze jeugd ziet de kerkelijke kruitdamp op alle kerkelijke slagvelden hangen; ze zou wel eens vreedzame mensen willen zien: zachtmoedigen en nederigen, vredestichters en rechtvaardigen. U bedoelt: met het geloofsoog zien? Jazeker, maar het natuurlijke komt eerst, zei Paulus, pas daarna het geestelijke.
En alsof het zo moet zijn: in tijden van kerkelijke verdeeldheid en onrust, van huichelachtige maskers en van ontmaskerde huichelarij spreekt de Satan ook een woordje mee, slaat zijn slag. De jeugd wordt letterlijk gezift als de tarwe: wat te licht bevonden wordt waait weg.
Wat niet sterk op zijn benen staat valt om. Wie zijn levensbeslissingen uitstelde komt niet meer aan beslissen toe.
Dan is er maar één wapen over voor ouders, die dat zien. Die ouders slaan alarm bij de God van het Verbond. De Heere garandeert immers zijn genade voor de gelovigen en hun kinderen, plus "die daar verre staan". Ouders die alarm slaan, die hun bekommernissen op Hem werpen, zijn gelukkig te prijzen. Want ze hebben goede grond om te staan: Gods eigen beloften. Hij verlaat niet wat Zijn hand begon. Zijn beloften zijn trouw. Hij kan en wil en zal in nood - al dreigen onze kinderen geestelijk dood te gaan - volkomen uitkomst geven. Hoe? Op talloze manieren - dat kunnen we gerust aan Hem overlaten. Wat Hij aan ons overlaat is: Hem aan te lopen als een rivier, Hem zijn eigen beloften onder het oog brengen, Hem aan zijn woord houden. De Heere houdt er van, dat we Hem aan zijn beloften herinneren!
En kijk nu eens terug naar dat "gebed voor mijn 'kinderen". We leggen de namen van onze kinderen, Jan, Piet, Marietje. in Zijn handen, Dat is die mooie zin uit het Joodse avondgebed, die u in psalm 31 vindt; de zin die ook de Heiland aan het kruis uitsprak. In Uw handen beveel ik mijn kinderen aan. Daar zijn ze in goede handen. Daar zitten ze goed.
Want eenmaal sprak God de Heere door Jesaja tot zijn volk: "kan een moeder haar zuigeling vergeten? Nu, Ik vergeet u niet. Ik heb u in mijn handpalmen gegraveerd". In de handpalmen gegraveerd - dat is wat! Hebt u een tatoeëring wel eens zien veranderen? Nooit immers.
U kunt een aantekening in uw agenda maken, u kunt een cijfer op uw mouw schrijven; maar wat in uw huid gebrand is dat wast al het water van de zee niet af.
"Simon, Simon", zei de Heiland eens, "de Satan heeft jullie willen ziften als de tarwe - maar Ik heb voor het behoud van uw geloof gebeden". Dat is afdoende. Laten wij Hem navolgen.
"Opvoeden", zei een oude dame eens tegen me, "is loslaten". We krijgen onze kinderen om ze terug te geven. Tussen dat ontvangen en dat teruggeven, tussen vastnemen en loslaten, zit onze christelijke opvoeding, ons Godzalig voorbeeld, Daarna is het te laat voor opvoeden.
Als wij ze moeten loslaten moet de Heere ze vasthouden - willen ze niet voor goed verloren lopen. Want Hij kent hen, weet hun fabricaat: zwak en stoffelijk. Maar Hij is oneindig sterk, halleluja, en Hij is Geest!
"De wereld zal u haten", leerde de Heiland zijn discipelen, ons. Als wij maar deel van de wereld waren deed ze dat niet. Maar als de wereld ons haat, onze kinderen haat, is dat omdat wij niét van deze wereld zijn. Geen deel aan haar hebben, niet naar haar pijpen dansen.
Nu, dat is toch geen schande voor God? Integendeel. En àls onze kinderen in een zwak ogenblik mee dreigen te gaan in de dagorde van deze wereld .....-op ons gebed kunnen ze elk ogenblik in de nek worden gegrepen. Van Hoger Hand.
Dat kan lijden betekenen. Voor ons, voor onze kinderen. In dat geval mogen wij het lijden van onze Heiland aanvullen, meedragen. Zulk lijden kan ons vertroostend sterken in de zekerheid: dat God met ons is. En dan staan we niet alleen.
Want hoe ver we afdwalen - we dragen Gods beloften aan ons voorhoofd. We zijn bij onze naam geroepen, als Gods eigendom. Wij, gedoopten. En wij, kinderen van gelovigen. En wij, kinderen van gedoopten. Zodra wij ons de Vadernaam herinneren staat Hij voor ons klaar. Dan herinnert Hij Zich, dat we bij Hem behoren; omdat wij het ons herinneren.
Er was eens een volk vier honderd tachtig jaar van Gold vervreemd.
Het volk was zwart van slavernij, ziek van afgoderij. Maar de Heere herinnerde het Zich, keek er naar om. En toen ze zich Zijn naam niet herinnerden, refereerde Hij aan hun voorouders, wier namen ze nog wel kenden: Abraham, Izaäk en Jacob. Hij was de God van hun voorouders en daarom hun God.
Zo zullen ook eens onze verre nakomelingen - misschien wel zwart van slavernij en kapot van afgoderij - zich ónze namen herinneren.
En zich herinneren dat wij, die deze namen droegen, de knieën bogen voor de God van Abraham. En de weg zoeken, die wij gingen: met opgeheven hoofd, door U door U alleen, om 't eeuwig welbehagen Gods.
Zo leg dan 's avonds de namen van uw kinderen in Zijn handen. Het zal u welgaan, Het zal hun welgaan.