Eer Abraham was, ben ik (Joh. 8: 58)

1976-07-02
  • Jaargang 20
  • nummer 27
Aan het rund van deze reeks lezingen over het zelfgetuigenis van de Here Jezus Christus in het evangelie naar Johannes, willen we een ogenblik stilstaan bij één van de meest diep,e woorden die Jezus over zichzelf gesproken heeft: eer Abraham was, - ben Ik.

In de afscheidsgesprekken achterin dit evangelie horen w,e één der discipelen aan Jezus de vraag stellen: Here, en hoe komt het, dat Gij uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? Dan antwoordt Jezus, dat er liefde voor nodig is om de zelfopenbaring van Gold en Christus te ontvangen (Joh. 14 : 22 v.v.). Vanwege dit woord van Christus wil ik nu beweren, dat wij in, het woord, waar we 't nu over hebben, niet voor een rechtstreekse zelfopenbaring van de Here staan. Het is, 2JO wil ik zeggen, niet een woord waarmee Jezus binnenkomt bij degenen met wie Hij op dat ogenblik spreekt. Hij deelt er zichzelf niet direct in mee. Integendeel, het eerste dat gezegd moet worden, is dat Hij met dit woord een vuur ontsteekt, dat brandt als de braambos bij Mozes en een stem klinkt uit dat vuur: doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilige grond. Sterker nog, er gaat in de eerste plaats iets verzengende uit van dit woord.
"Onze God is een verterend vuur" - dat schriftwoord staat er heel dicht bij.

Ik moet dit nu toelichten en wijs er dan op, dat we dit woord van Jezus vinden aan het einde van het meest hatelijke gesprek, dat de Joden met Jezus gevoerd hebben, een gesprek waarin ze Hem op het diepst beledigd hebben door Hem tot twee keer toe voor een bezetene uit te schelden, Dat schept niet direct een sfeer voor openbaring. De evangelist Johannes vertelt dit gesprek bovendien zo, dat het een gelijkenis vertoont met Jezus' verhoor voor het Sanhedrin. Het loopt dan ook op zijn doodvonnis wit: "zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen" (vs 59). En let ook op de slotzin: "en Jezus verborg zich en verliet de tempel". Dat wil zeggen, dat het openbaringslicht voor het halsstarrige ongeloof van de Joden van toen neergedraaid werd - wat inderdaad met de dood van Jezus gebeurd is.

Jezus van zijn kant heeft in dit gesprek het ongeloof van de toenmaals levende joden in zijn ware aard ontmaskerd: "Gij hebt de duivel tot vader en wat de begeerten van uw vader doen!" (44) Door de waantitels die het jodendom voerde, prikt Jezus heen. "Wij zijn Abraham's nageslacht". "Wij hebben één Vader, God"'. Jezus keert deze erestoelen om.

Zo hangt er rondom dit gesprek van Joh. 8 een zeer gespannen en vijandige sfeer, eigenlijk dezelfde als die rondom veroordeling en kruis. Dat is geen situatie waarin Jezus zich kan openbaren, zoals bijvoorbeeld bij de Samaritaanse vrouw, tot wie Jezus zei: ,,Ik die met u spreek, ben het." (4: 26). Dat was in dat gesprek een woord van ontsluiting en zelfmededeling, een woord waarmee Jezus bij haar binnenstapte. Maar het woord waarmee Jezus hier tot de vijandige joden spreekt: "eer Abraham was, ben Ik", is meer een woord waarin Hij zich verbergt, waarmee Hij zich onttrekt aan de Joden. Dat is althans het eerste wat we er van zeggen moeten. Dat staat voorop.

Het is dan verder zo, dat er voor het gelóóf toch openbaring in steekt, geweldige openbaring zelfs, maar alleen voor het geloof. Het is net als met de wolkkolom de nacht van Israëls uittocht uit Egypte: naar de kant van de vijand was ze duisternis en verberging, maar naar Israël toe verspreidde zij licht.

Christus plaatst zich met dit woord dus op een sterke rots en Hij huilt er zich mee in een ongenaakbare majesteit. Op het allernadrukkelijkst stelt Hij er zich mee op de kant van God. Wamt dat is van ouds aan dit woord opgevallen, dat het een roespeling is op de heilige verbondsnaam, waarmee de Here zich aan Mozes bij de braam/bos geopenbaard, had: "lk ben, die Ik ben", - de God die met mijn heiligheid en ijverzucht (of geldingsdrang) garant sta voor het waarmaken van mijn woonden.

Maar deze naam van het verbond wijst óók op openbaring en verberging tegelijk! Wij mogen er niet enkel nabijheid in horen, ook verhevenheid en verte. Niet enkel heil, ook oordeel. Bedenk alleen maar, wat deze naam betekend heeft voor farao en zijn ruiters, Jezus trekt zich op deze naam terug, als Hij zegt: 'ben Ik' of 'Ik ben'. En wanneer Hij daaraan toevoegt: 'eer Abraham was', dan maakt Hij Abraham, de grote vader van het trotse openbaringsvolk, ondergeschikt aan deze goddelijke werkelijkheid waarmee Jezus zich één weet in persoon. De helle geschiedenis, ook die aan Abraham voorafging en ook die buiten het vo[!k van Abraham omging, wordt voortgestuwd door het werkzame zijn van God in Christus Arbl1ailiamheeft dat beseft, hij wist zich dienstbaar aan de dag van God in Christus, verheugde zich over de dag van God in Christus. Maar het volk van Abraham, of liever de Joden V3JncVl't gesprek, staan met open voor dit goddelijke 'Ik ben', 'Ik laat mij gelden', '!Ik vervuil wat Ik gesproken heb'. Zij zien niet, dat de God van hemel en aarde Jezus Christus heeft gesteld tot werkplaats en schouwplaats van dat goddelijk werkzame zijn, waarmee Hij de einden der aarde en het einde der eeuwen zoekt. 'Eer Abraham was, ben Ik' - je ziet in dit woord Abraham en zijn volk minder worden Abraham gewillig, zijn volk grotendeels onwillig) en je ziet Christus groeien tot Gods verheven hemel toe.

Hoe verzengend is dit woord voor het ongeloof. Dat stoot er zich aan, het valt er over, het grijpt naar de stenen, het roept: “kruisigt Hem!" en dat lukt nog ook. 1xJ schijnt aan het kruis dit Woord van Christus als een loze pretentie ter aarde te vallen. waardoor de joodse vraag terecht lijkt: "voor wie houdt gij uzelf?" (vs 53). En toch is juist aan het huis dat zijn Gods ten uiterste werkzaam geweest. Zoals Jezus eerder in dit hoofdstuk zegt: "Wanneer gij de Zoon des mensen verhoogd hebt (te weten: aan het kruis), zult gij inzien dat lik (het) ben." (vs 28).

Dan zullen zij het inzien, maar zullen ze dan niet te laat zijn? Heeft het kruis voor de ongelovigen, die volharden in hun ongeloof, wel heilsbetekenis? Of veroordeelt het ongeloof zich zelf door Jezus aan het kruis te slaan? Zodat het in het kruis voor een vernietigend vonnis komt te staan? Hier denk ik laan het moment van Jezus' arrestatie, beschreven in Joh. 18: "Jezus dan, alles wetende wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zei tot de soldaten: wie zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazareeër. Hij zei tot hen: Ik ben... Toen Hij dan tot hen zeide: Ik ben, deinsden zij terug en vielen ter aarde."
Hier vinden we dezelfde woorden van Jezus als in de tekst, die we nu bespreken: 'Ik ben'. Ik weet wel dat dat hier vertaald moet worden met 'lik ben het', omdat Jezus zich er mee aanduidt als de gezochte Jezus van Nazareth.

Toch staan er in het Grieks dezelfde woorden: "Ik ben". En ook al klinken ze hier in een gewoon menselijk zinsverband, als Jezus deze woorden in de mond neemt, op het moment dat Hij zich opmaakt voor zijn uur, dan zijn deze twee woorden geladen met de kracht van het goddelijk werkzame zijn, dat de tegenstanders ter aarde doet vallen. Dat wil zeggen, dat God in Christus een verterend vuur is voor de weerspannigen.

Toch is dat niet de bedoeling van 'dat werkzame zijn van God. Het goddelijke zijn dat in Christus op Golgotha werkzaam is, is to oh uit op redding, Zoals heel de geschiedenis van Gold uit er toe dient de gevallen schepping terug te brengen en te verlossen. Daarom, als wij ons geestelijk losmaken van de ongelovige Joden met wie Jezus spreekt, als we Jezus' getuigenis in geloof aannemen, dan horen we toch heilsklanken in die woorden: Ik ben. Eer Abraham was, ben Ik - daar horen we dan de hele geschiedenis in, met Golgotha als concentratiepunt: God was in Christus de wereld met zich verzoenende. “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem” (2 Cor. 5 : 19-21). In dit woord is de 'Ik ben' aan het werk.

Dat is het eerste en het laatste dat van God in Christus te zeggen valt. Alles wat we nu in deze reeks volgens dit vierde evangelie de Here Christus hebben horen zeggen: Ik ben het brood des Ievens, Ik ben het licht der wereld, Ik ben de deur, Ik ben de weg, enz., dat vindt z'n hoogtepunt, z'n concentratiepunt in dat ene simpele 'Ik ben'. Daar wordt geen predicaat meer aan toegevoegd. Dat zou, hoe rijk ook, toch maar beperking zijn. Nee, als er iets aan toegevoegd wordt, dan dit: Ik ben, die Ik ben. Dat wil zeggen een zinnetje tegen je krijgen! Je zult het eerste alleen nog maar onderstreept en benadrukt: Ik ben, die Ik ben, de goddelijke werkzame, vóór Abraham, na Abraham, zonder Abraham, - maar dan toch ten behoeve van Abraham en allen die zijn geloof navolgen: een God die optreedt oen behoeve van wie op Hem wachten. Maar dan denk ik toch op 't laatst weer terug aan de situatie waarin de Here dit gezegd heeft: eer Abraham was, ben ik. Hij zei het tegen een halsstarrig ongeloof. Je zult toch dat zinnetje tegen je krijgen! Je zult toch Gods werkzame zijn, waarvan heel de geschiedenis vol is, tegen je krijgen! Daarom is er alle reden voor, dat we de Here Christus, die dit zo gezegd heeft van zichzelf, eerbiedig te voet vallen, Er gloeit een vuur van heiligheid in deze zelfaanduiding van Hem.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief