Over het voorportaal van de Kerk (6)
1976-07-02
Het raadsel van de mens- Jaargang 20
- nummer 27
De meest gestelde vraag in het gesprek met de niet-christen is de vraag naar het waarom van het lijden. Hoe kan je nu het geloof in God, een God die liefde is, wals toch de christenen zeggen, rijmen met de ellende in de wereld? Als God dan zo liefdevol en almachtig is, waarom grijpt Hij dan niet in?
Ik kan mij voorstellen, dat iemand mij tegenwerpt: waarom worden deze vragen behandeld onder het opschrift: het raadsel van de mens? Moet de titel van dit artikel dan niet veeleer luiden: het raadsel: God? Het verdere verloop van dit artikel zal duidelijk maken dat ik toch, vasthoud aan de titel die nu boven dit artikel staat.
Ook in de voorhal van die middeleeuwse kathedraal werden deze vragen aangeraakt. Wij zien in het middenportaal van de Notre Dame in Parijs ter rechterzijde de uitverkorenen, maar ter linkerzijde de stroom van verdoemden staan: de een nog afzichtelijker dan de andere. Ook ontbreken er maar zelden afbeeldingen van de lijdende Christus aan de buitenkant van de kerk. Denk maar eens maar aan het kruis op de top van de kathedraal. Toch valt ons iets op: het lijden van de mens komt er nooit expliciet ter sprake. Het wordt altijd al direct in een bepaald kader geplaatst, Zeker: de 5 dwaze maagden (een ander geliefkoosd voorhalonderwerp) Iijden onder hun lot. Het is van hun gezichten af te lezen. Toch ging het de beeldhouwer van de beelden niet om een afbeelding van het lijden, maar om de afbeelding van hun onachtzaamheid, en schuld, die dit lijden teweegbracht.
Dolk de verdoemden in het voorportaal van de Notre Dame worden niet in hun lijden uitgebeeld, maar in hun zelf gekozen onmenselijkheid, ten gevolge waarvan zij, 'lijden. De middeleeuwer stelde blijkbaar "het lijden" en "de ellende" niet apart: als een probleem, maar zag dit Iijden en die ellende altijd gekwalificeerd.
Daarmee bedoel ik dit: hij zag het lijden altijd al het lijden van iemand om iets: hij zag het nader bepaald, als het lijden van de dwaze, van de domme, van de onmens, van de levensgenieter - of van de schuldeloze, zoals Jezus, maar zelfs dan nog niet aas een onbegrijpelijk lijden, maar als het lijden van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
Dat geeft ons direct een eerste draad in handen bij de beantwoording van de vragen van onze buurman, zoals ik die boven formuleerde.
Wij zullen altijd allereerst van het algemene en abstracte moeten terugkeren naar het bijzondere en concrete. Welk lijden wordt hier bedoeld? Het vraagt een heel andere houding van ons, als wij bedenken dat iemand net ·in de vorige week zijn vader verloren is, of een kind zag verdrinken, of dat iemand sociaal bewogen is met het lot van de bewoners van Eritrea of de. zwarten in Rhodesië. of dat iemand meepraat met anderen, die zich juist met argumenten als dezen vaak afmaken van het christelijk geloof.
Het tweede, wat opvalt in de middeleeuwse kathedraal is, dat het lijden, voor zover het word t afgebeeld, wordt afgebeeld als het probleem van de mens. Daarom behandel ik deze vragen ook onder de titel: het raadsel van de mens. Het zijn mensen, die lijden.
Dat lijden moet hèn aan het denken zetten, Het moet hen met het besef achterlaten: er zit iets fout met ons! Ik moet hier denken aan de titel van een van de boeken van C.S. Lewis: God in the Dark. Het boek is niet vertaald, maar als je het in het Nederlands zou vertalen, luidt deze titel: God in de beklaagdenbank.
In dit boek constateert Lewis een opvallende rollenverandering, Vanaf de vroegste middeleeuwen tot en met de tijd van de Reformatie heeft altijd de mèns zich in de beklaagdenbank geweten. Hij werd aangeklaagd en God was de Rechter. Daarom was de belangrijkste vraag niet: hoe rechtvaardig ik het bestaan van 'God tegenover de mens, maar: hoe wordt de mens gerechtvaardigd tegenover God. In de 20e eeuw zijn de rollen ogenschijnlijk omgekeerd: God zit in de beklaagdenbank en de mens is de aanklager. Velen nemen de houding aan tegenover mensen, die zich christen noemen: nu moeten jullie maar eens argumenten aandragen om God vrij te pleiten.
Nu behoeven wij ons voor argumenten niet te schamen: het is tenslotte niet God, maar de mens, die de atoombom uitvond, het is de mens. die zich niet houdt aan de maximumsnelheid, die zijn straten en grachten niet afschermt, het risico van een samenleven van verschillende rassen afwijst, een dictator volgt, of het wulk voorliegt en bedriegt,' etc., etc. Toch doen wij er goed aan om al deze argumenten eerst nog even voor ons te houden en eerst het klimaat te proeven waarin vandaag deze vragen 'gesteld worden, Wij moeten het sIechte voorbeeld van de vrienden van Job goed in het geheugen houden, die ten overstaan van Job's vragen God gingen verdedigen, maar van wie achteraf gezegd moest worden dat zij niet goed van de Here hadden gesproken.
De titel van dit artikel geeft volgens mij het beste aan hoe wij aan onze kritische houding juist tegenover dit 20e eeuwse levensgevoel het beste uiting kunnen geven, nl. door het lijden, in de specifieke vorm waarin wij het ontmoeten bij, onze gesprekspartner allereerst ie bespreken ais het raadsel vande mens. Het zijn mènsen, die lijden. Het zijn mensen, die daardoor voor vaak ondoordringbare geheimenissen staan, het zijn mensen die allereerst in dit lijden zichzelf tegenkomen. Wie zijn wij, dat dit ons mensen overkomt. Het brenge ons allereerst tot het ware zelfbesef. Ik beweeg mij hiermee in die lijn van een ander boek van C. S. Lewis. Het heet: "Gods megafoon". Zo noemt de schrijver het lijden.
"God luistert tot ons in onze vreugde: Hij spreekt in ons geweten; maar Hij roept luidde in ons lijden. Dat lijden is Zijn megafoon om een dove wereld wakker te roepen." (blz. 98).
Ook andere ,godsdiensten hebben het lijden allereerst als het probleem van de mens aangevoeld. Zoals met name het Boeddhisme, dat als grondstelling heeft: Leven is lijden: geboren worden is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, dood is lijden, verenigd zijn met wat ons niet lief is, gescheiden van'hetgeen ons lief is, is lijden, onvervulbaarheid van de wensen is lijden. Kortom mens-zijn is lijden. De boeddhist zwijgt .
over God en geeft in zijn reIigie aan hoe je van dit lijden venlost raakt. Dat kan alleen door het materiële zinnelijke leven vaarwel te zeggen. Daartoe dient het achtvoudige pad van ascese en meditatie tot tenslotte het bereiken van de unificatie (= éénwording met het .M). Het goede hiervan is dat het lijden allereerst het raadsel van de mens is èn blijft. Waarom moet hij lijden? Ook als wij voorlopige antwoorden kunnen geven (zie de argumenten hierboven) blijft het raadsel staan hoe het komt dat de mens moet lijden en (wat een niet minder groot probleem is) lijden veroorzaakt. Wie niet-christen is, moet eerst zelf maar eens over die vraag puzzelen, voordat hij het christelijk antwoord verwerpt. Naast het boeddhisme zijn er namelijk niet veel andere antwoorden gegeven en ieder van deze antwoorden (het lijden is een groeifoutje in het proces van de evolutie, het lijden hoort bij de vreugde als de nacht bij de dag, wij' zouden het goede niet kennen of kunnen waarderen als er geen kwaad was, het lijden is opvoeding etc.) ieder van deze antwoorden voldoen niet als wij oog in oog staan met de verschrikkingen van de 20e eeuw, van Auschwitz; Vietnam, van Goelagarchipel, en het Oegandese oerwoud.
Hiertegenover zijn alle bovengenoemde antwoorden absurd.
Het probleem van het Lijden moet daarom allereerst het raadsel van de mens blijven, of misschien moeten wij beter zeggen: de mens voor raadselen stellen.
Op dit punt en dat is het derde wat ik wilde zeggen, moeten wij als gereformeerden wel extra veel moeite doen. om onszelf te leren niet te wauw te spreken: Wij doen er zeker geen goed aan in gesprekken als deze te wijzen op Gods voorzienigheid. “Het is God, die het u aandoet". Vaak wordt bij ons in lijden de hoofddeugd: 'Onderwerping onder Gods wil en krijgt de buitenstaander het gevoel, dat christen-zijn betekent: alles gelijkelijk uit de hand van God aannemen. Hij denkt: dat zou ik nooit kunnen. En: wat voor een God is dat, die grillig nu eens goed en 'dan weer kwaad op gelijke wijze over ons uitstrooit?
Toch kan het gebeuren dat er in het gesprek met de niet-christen een moment komt, waarop wij juist bij deze vragen over het lijden de mogelijkheid krijgen om vanuit dit gemeenschappelijke probleemveld heen te wijzen naar een wijdere horizont, Misschien pas na het gewicht van de vragen gevoeld te hebben, na zwijgen.
Die wijdere horizon gaat open als wij het raadsel van de mens en zijn lijden mogen stellen in het licht van het kruis en de opstanding van Jezus Christus.
Daar aIléén zien wij wat God wil, nl. verzoening en vernieuwing van het leven. Het lijden is niet het probleem van God; wel heeft Hij het zich tot een probleem gemaakt.
Tot een pijn in Gods eigen hart. Aan het kruis. Maar het kruis is ook de spiegel waarin wij ons gelaat herkennen, als medeschuldig aan de zee van lijden die in zijn grootste kracht zich over Jezus heenstortte. Tenslotte: het is alleen het kruis èn de opstanding, die erop volgde, die echte hoop geven in een anders u:iWiclhtloze wereld. Dood en verdriet hebben niet het laatste woord. Het kruis als venster op God, als spiegel waarin wij ons gelaat herkennen, en als vuurtorenlicht in de branding, dàt alleen geeft èchte antwoorden op de diepe, moeilijke vragen rondom het lijden van de mens.
Ik wil eindigen met een literatuuropgave: de eerste paar boeken zijn boeken, waar wel vaak goede dingen in staan, maar die niet voldoende kritisch staan tegenover de "rolsverandering" en de autonome opstelling van de 20e eeuwse mens.
Literatuur
J. Moltmann: De gekruisigde God.
H. Wiersinga: Verzoening met het lijden.
D. Sölle: Het lijden.
Beter vindt ik:
J. H. Bavinck e.a.: Het raadsel van ons leven en: Het geloof en zijn moeilijkheden.
C. S. Lewis: Gods megafoon. A grief observed.
H. Thielecke: Het zwijgen van God.
H. Silvester: Arguing with God.