Over homofilie (2)

1976-07-09
  • Jaargang 20
  • nummer 28
Hier volgt, zoals beloofd, in twee gedeelten de preek over Rom. 1 : 24-32, die de homofilie tot onderwerp heeft. Het daarbij gelezen Schriftgedeelte was Gen. 19 : 1-29, de geschiedenis van Sodom en Gomorra. Zoals gezegd, zal de preek met de gehele liturgie ook nog afzonderlijk gepubliceerd worden. Zie daarvoor het vorige nummer van ons blad.


Gemeente van Christus, broeders en zusters.
De apostel Paulus doet hier een boekje open over de wereld, die de band met God doorsnijdt. Wat hij signaleert, wat aan zijn geestesoog voorbijtrekt, is niet de gehele wereld, maar de wereld onder een bepaald opzicht, gezien naar haar meest perverse kant, Is dat wel eerlijk, is dat wel objectief, zou iemand kunnen vragen. Had Paulus niet vergoelijkend moeten toevoegen, dat er aan de wereld gelukkig ook nog andere kanten zitten, die meer hoopgevend zijn? Valt het oordeel op deze manier wel evenwichtig uit?
Wij moeten verstaan, dat de dragende gedachte onder dit gedeelte d~e is van de eenheid van het menselijk geslacht, Dat menselijk geslacht als eenheid staat onder Gods toorn, omdat wij een mensheid in afval zijn, rebellerend en muitend tegen de Here God. Tegen deze mensheid vaart nu Gods toorn uit. En daarom laat zich het slechte in de wereld niet isoleren. Daarom is het kwaad geen incident, maar symptoom.
Paulus wijst de rotte plek aan van de appel die wij met z'n alten zijn, van de éne appel. Je kunt niet zeggen: er is nog zoveel goeds aam de appel. Daarvoor is het rotte een te reële bedreiging van het geheel. Het is onze appel die rot is. Daarom wil ik beginnen in deze preek een vloer van solidariteit te leggen, waarop we allen staan. Als we tegen dit beeld dat Paulus hier ophangt, protesteren en zeggen, dat niet alles zo slecht is, verstaan we die solidariteit niet. Beter is het dat bij dit Schriftgedeelte een collectief gevoel van schaamte over ons komt: dit is dus Onze wereld.
"Wat onderscheidt u?" vraagt Paulus op een andere plaats. Nog steeds gaat 't hier over de toorn Gods. Vs. 18: "Want toom van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden."
Toorn van God over de zonde van het ganse menselijke geslacht.
AIs de gevolgen van die toorn niet over alle mensen gelijkelijk verdeeld zijn, behoort toch ook het niet getroffen deel zich te verootmoedigen. In het volgende stukje van de brief aan de Romeinen (2: 1-11) staat zelfs, dat dat niet of minder getroffen deel voorop behoort te gaan in de verootmoediging, Als aan de ene kamt van het mensheidsgeheel de vlammen van de slechtheid naar buiten slaan, laten dan aan de andere kant de vlammen van de schaamte uitbreken. Wijzelf zijn het immers die getroffen worden,

Overigens, wij zijn geen zielige slachtoffers. Paulus heeft in het voorgaande ook gezegd, dat de mensen de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. God zou door ieder gekend kunnen worden, maar de mens verspert zich de toegang tot de Godskennis door zijn ongerechtigheid.
En daar zit een voortgaand proces in: groeiende ongerechtigheid en daardoor afnemende Godskennis. En er zijn er onder de mensen die dit proces gretig bevorderen.
Ik wijs dus nu op een wisselwerking tussen zonde en oordeel. Dat is natuurlijk altijd al opgevallen, dat tot drie keer toe hier gezegd wordt, dat God de mensen heeft overgegeven (vss 24, 26, 28). God geeft over aan de zonde. Maar dat is een goddelijk reageren op wat mensen doen, namelijk zondigen. Zodoende is dat overgeven niet tragisch, zodat we ons zielige slachtoffers zouden kunnen voelen. Nee, "En daar zij het verwerpelijk achtten, God te erkennen, heeft- God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken." (vs. 28). Zie daar de wisselwerking. En daardoor wordt de verhouding tussen God en zijn wereld steeds meer vertroebeld. Er is' niet zoiets als een zich langzaam oprichten van de mensheid tot hogere waarden. Integendeel, er is een teruggang. En de slechtheid der menselijke gedragingen (het kwaad dat erin zit, komt er steeds duidelijker uit!) is een signaal, dat de wereld steeds meer oordeelsrijp wordt. En ontkoming is er alleen in Christus.

We hebben in deze dienst een gedeelte van Genesis 19 gelezen: de zonde van en de straf over Sodom en Gomorra. Ook deze geschiedenis moeten wij trachten te verstaan als symptoom en niet ah incident. Hier blijkt nu een rotte pLek in de appel van de betrekkelijk nog jonge mensheid.
God snijdt hier die rotte plak eruit, om ZlO het slechte in z'n loop te stuiten en op deze rnanier ruimte te scheppen voor zijn heilsgeschiedenès in Kanaan. Als nu volgens Romeinen 1 de Romeinse cultuur die zelfde rotte plek vert:oont, gaat God het kwaad niet tegen met vuur en zwavel, maar met het evangelie van Jezus Christus. De boodschap van de verlossing, die niet slechts bestemd is voor de bij uitstek slechten, maar voor allen, die schrikken van en bang worden voor een wereld, zoals die zich ontwikkelt onder Gods toorn, onverschillig of ze nu zelf al door de perversiteit aangetast zijn, ja of nee.
Maar nog eens, de mensheid is geen zielig slachtoffer. Ais het God is, die overgeeft aan een verwerpelijk denken, blijft dat denken er niet minder verwerpelijk om. De verantwoordelijkheid wordt niet weggenomen. Integendeel, in dit gedeelte benadrukt Paulus wel sterk het expresse, opzettelijke karakter van de zonde. "Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper," (vs. 25). Hier gaat het over de lust tot het kwade, de bewuste en gewilde omkering.

Dat geldt wel zeer in het bijzonder van de zonde die hier nu sterk naar voren gehaald en voorop gesteld wordt, die van de seksuele perversie of omkering.
Waarom staat die zo voorop? Dat is omdat in de Bijbel de verhouding tussen mannelijk en vrouwelijk het model is voor alle tussenmenselijke relaties, Er zit in die verhouding een rwee-poligheid, een zich tot elkaar aangetrokken voelen en toch tegelijk elkaar een tegenwicht bieden. In die rijke verhouding mag zich weerspiegelen de goedheid van de verhouding van God met ons. Volgens dit woord uit het boek Genesis: "En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen" (Genesis 1 : 27). Denk erom, het gaat hier niet direct over het huwelijk, niet over het "man en vrouw"-zijn, maar over iets dat wijder is: het mannelijk en vrouwelijk zijn. Daarin mag zich weerspiegelen, in een wederzijdse kaatsing, dat wij mensen geschapen zijn naar Gods beeld. Als nu Paulus wil laten zien, wat voor gevolgen er voortvloeien uit het feit, dat die religieuze grondonthouding tussen God en mens verstoord is (immers: de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op 't beeld van een vergankelijk mens, enz. vs. 23) dan grijpt hij terug naar die oerverhouding mannelijk-vrouwelijk, om dááraan die gevolgen in al hun verschrikking te demonstreren. Religieuze perversie heeft ethische perversie tot gevolg, zo kun je samenvattend zeggen. Dat blijkt niet alléén in de verstoring van de mannelijk-vrouwelijk-relatie, Het vloeit door naar áiJ1e tussenmenselijke verhoudingen en gedragingen, zoals vanaf vs. 29 duidelijk te zien is.
Maar het mannelijlk-vrouwelijk is de ethische grondverhouding, naast de religieuze grondverhouding. Vandaar de grote aandacht die het hier krijgt.

Maar nog eens, de opzettelijkheid van die verstoring! Dat expresse heenbreken door de spelregels! Wat ook in Sodom zo opvalt. "En de mannen der sead, de mannen van Sodom, omsingelden het huis, van jong tot oud, de gehele bevolking, niemand uitgezonderd, en zij riepen Lot toe en zeiden tot hem: waar zijn die mannen die vannacht bij u gekomen zijn?
Breng hen bij ons' buiten, opdat wij gemeenschap met hen hebben." (Genesis 19 : 5) Dit is toch je reinste smeerlapperij, "schandelijke lusten, waardoor het lichaam onteerd wordt"? Dit i's door alles heen. Een oud geworden cultuur kan daardoor gekenmerkt worden.
Dat expresse, die gewelde, brute perversie komt in Romeinen look nog hierin uit, dat dit kwaad bij de vrouwen z'n uitgangspunt neemt. Dat valt op. De vrouw die toch van nature beschroomd is, gaat hier in het tegennatuurlijke voorop. Dat m6et een aanwijzing zijn, dat 't hier om iets zeer opzettelijks gaat. Een narten van God. Een vreugde beleven in het kwaad. Een vernielzucht tegenover het geschapene.
Dat kennen wij vandaag ook wel. Een seksualiteit, die oververzadigd is en het nu zoekt in het perverse, het perverse als avontuur. Of dat nu op basis van een homofiele aanleg gebeurt of niet, maakt niet eens zo veel uit. Men spreekt in de medische wereld van kern-homofilie, Dat geeft aan, dat er ook andere soorten zijn, bijvoorbeeld door de situatie bepaald, en dus ook, vui ik aan, een homofilie op basis van een pervers denken, van een seksuele avontuurzucht. Homoseksuele ontucht uit verveling.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief