Over het voorportaal van de Kerk (7)
1976-07-09
De zeven muzen Albert Camus vertelt in een van zijn boeken de legende van een middeleeuwse hejlige: Demetrius.- Jaargang 20
- nummer 28
De hejlige Demetrius had een afspraak gemaakt met God. Hij zou Hem mogen ontmoeten op een vastgesteld uur in de steppe. Maar toen hij zich die dag op weg begaf om zich naar de plaats van samenkomst te spoeden kwam hij een boer tegen die op de eenzame landweg met zijn wagen was vastgereden in de modder: de wagen was zwaar en de modder was diep en Demetrius had uren nodig om samen met de boer de wagen weer in het gareel te krijgen. Toen hij tenslotte na dit oponthoud zijn weg voortzette en zich haastte naar de afgesproken plaats van ontmoeting was hij te laat: God was er niet meer.
Met deze legende wilde Camus duidelijk maken: wij staan voor een dilemma: of God liefhebben boven ales. maar dan moeten wij de kar in de modder laten staan, of meehelpen de kar uit de modder te trekken, maar dan missen wij God. Of: de wereld... of God.
Op de een of andere wijze heeft Camus het gevoel gehad dat het christendom ons voor deze keus stelt.
Het is waar dat het Christendom in bepaalde tijden en plaatsen erg wereldmijdend geweest is. Denk maar aan de eerste zin van John Bunyan's Christenreis: "toen ik wandelde door de woestijn van deze wereld." De wereld van de mensen, hun kunst en wetenschap, hun politiek en economie, hun banken en bioscopen, wordt hier gezien als een woestijn waar de christen zo onbesmet mogelijk doorheen moet zien te komen als hij tenminste zijn reis naar de hemelpoort wil volbrengen.
Toch is deze wereldmijding niet kenmerkend voor het christendom als zodanig. De hoofdstroom van de christelijke kerk heeft het dilemma van Demetrius als vals, van de hand gewezen. Toen Demetrius de arme boer hielp, toen en daar was hij bezig met God. Niet alleen was hij bezig met Gods wil, zelfs mogen wij' hier het woord van Christus citeren: in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan (Matth. 25 : 40). Christus trad in de boer Demetrius tegemoet.
Nu gaat het mij er in dit artikel niet om om 'n christelijke visie op de cultuur te ontwikkelen. Dat zou op zich vandaag wel belangrijk zijn, want vaak beweegt de kerk heen en weer tussen een kritiekloze aanvaarding van de cultuur - meest in de linkervleugel, en een overkritische afwijzing en mijding van de cultuur meest in de rechtervleugel, De waarheid ligt noch links noch rechts, maar wie hier interesse heeft mag ik misschien verwijzen naar het boekje van F. A. Schaeffer "Milieuhygiëne en de dood van Clemens". waar hij in hfdst. 6 de visie ontwikkelt van de pilotplant: christenen moeten in hun betrokkenheid op de cultuur een nieuw soort - een monstertulp - in het leven roepen. Die vernieuwing van de cultuur: is altijd voorlopig, of om het bijbels te zeggen: ze heeft het karakter van een eersteling, een voorproefje van de grote oogst die pas bij de wederkomst van Christus verwacht wordt. Daarom zijn wij als christenen geen optimisten, zoals bijv. Harvey Cox, die meent dat mensen het Koninkrijk van God moeten realiseren, maar ook geen pessimisten zoals dr W. Aalders, die meent dat de gemeente als een weduwe is en zich niet mag inlaten met de stad van de mens als zij tenminste haar Heer trouw wi!l blijven (Theologie der verontrusting).
Christenen moeten zich inlaten met de cultuur: het is belangrijk te weten wat de resultaten zijn van de laatste reis van het Amerikaanse ruimteschip naar Mars, te weten welke film veel opgang maakt, welke geest de moderne kunst ademt, of welke politieke koers in Afrika de overhand krijgt. Hoe zouden wij als christenen ooit echt contact kunnen krijgen niet de 20e eeuwse mens?
Ik weet wel dat deze laatste vraag alleen maar één motief naar voren haalt uit de vele motieven waarom wij op onze cultuur betrokken moeten zijn. Maar het is juist dit motief wat mij voor ogen staat bij déze artikelen over de voorhal. Misschien is het op dit moment wel het belangrijkste motief waarom wij als christenen met twee benen midden in de k!uil tuur van onze tijd moeten staan: hoe kan het zout ooit zoutend werken als het niet ingaat in het deeg van de mensenwereld in al haar bewegingen, Dat betekent inderdaad dat de evangelieverkondiging naar buiten toe in onze tijd heel vaak zal moeten aanknopen bij de laatste stand van zaken in de wereld van kunst, wetenschap en amusement.
Om juist daar te laten zien hoezeer een dimensle verdwenen is, of waar de wissel verlegd werd van goede kunst naar kwade kunst. Dat moet ook de bouwers van de middeleeuwse kathedralen voor ogen gestaan hebben als zij de zeven muzen onder leiding van de filosofie (8 fraaie meisjesbeelden) in de voorhel plaatsten, of soms ook zoals in Chartres ,aan de voorgevel bevestigden.
Emile Male zegt: zij representeren al de kennis van de mens, die hij, kan vergaren los van de openbaring (The Gothic Image, blz. 76). Die kregen dus een plaats in de voorhal van het heiligdom: taalkunde, retorica en dialectiek (de menswetenschappen), astronomie, geografie en wiskunde (de natuurwetenschappen) en tenslotte de muziek. Dit alles stond onder leiding van de filosofie. Blijkbaar zijn de middeleeuwers er diep van doordrongen geweest dat er hier aanknopingspunten liggen: dat al deze bekwaamheden van de mens onaf zijn ja zelfs verziekt zijn, zolang zij niet dienend ondergeschikt zijn 'aan de kennis van Jezus Christus en zolang zij niet excentrisch afwijzen van zichzelf uit naar boven. De wijsbegeerte der wetsidee heeft hiervoor een nauwkeurig doordacht overzicht uitgewerkt, waarin vooral het begrip "ontsluiting" centraal staat. Lagere aspecten van de werkelijkheid gaan pas goed open als zij in verbondenheid worden gezien met de hogere aspecten, Zo staat het materieel dienend ter beschikking aan de mens, maar de mens wordt pas echt mens als hi] ,in: het geloofsaspect zijn leven toewijdt aan zijn Schepper. Toch liggen de dingen hier niet eenvoudig. Wie is in staat om de cultuur van vandaag in zijn laatste stand van zaken te overzien? Misschien kon dat nog wel in de middeleeuwen, maar nu is dat haast onmogelijk. Daarom zullen wij in de dienst aan het Evangelie hier altijd met velen moeten samenwerken.
Binnen het werk van l'Abri krijgen wij steun van 'n stedenbouwkundige, en een econoom, en verschillende kunstenaars, een psycholoog en een taalkundige, niet om moeilijk te doen, maar om hen a]}en uit te horen: waar liggen nu op uw gebied de knooppunten?
Waar ligt de verloren dimensie?
Hoe mogen wij daar voor het verkondigen van het Evangelie aanknopen?
Of is hier alleen nog maar dynamiet op zijn plaats in plaats van het zo liefelijke woord "aanknopen"?
Concluderend zijn wij in I'Abri wel zeer doordrongen van drie punten, die voor nagenoeg alle terreinen van de cultuur geilden en waar wij dan ook in de aanval gaan in de communicatie naar buiten toe, of het nu gaat over beatmuziek of over Marcuse, of over Laina, of over de laatste film: a. er is een gespletenheid aanwijsbaar die overal scheiding maakt tussen de zichtbare wereld die je kan waarnemen en meten en ondergaan, tot in het ritme van vaste kantoortijden toe, die zichtbare, meetbare wereld lijkt zo zinloos. Daarnaast, geheel los daarvan, hebben wij allemaal zo onze zingeving, onze moraal, onze godsdienst. Al naar gelange er fijn in voelt creëert ieder mens zich op volkomen onlogische gronden 'n aantal normen en doelen waarvoor hij leeft. Deze laatsten staan nauweliiks ter discussie. Je kan wel eens wat ervaringen uitwisselen, maar wie zegt dat hij de waarheid heeft of wil, zegt -te veel. Die is hier niet te vinden. De moderne mens is soms zelfs aan de gedachte ontzonken dat er hier überhaupt van "waarheid" sprake kan zijn. Wie valt in dit subjectivisme noemt F. A. Schaeffer een mens "below the Iine of despair" (beneden de Lijn van de wanhoop), Een gesprek met de buitenstaander moet uitgaande van zijn interessekring of vakgebied bij dit vacuüm uitkomen of aanknopen.
b) Historisch zien wij de cultuur van de 20e eeuw verworteld in de Verlichting waar onze cultuur in plaats van God-centraal menscentraal geworden is. Dit heeft geleid tot een nadruk op de emancipatie van de mens, die doorwerkt in het marxisme en socialisme. De mens bezwijkt er onder de last van zichzelf.
c) Deze cultuur heeft vandaag geleid tot een nieuwe twijfel juist in het hart van alle wetenschapsbeoefening, nIl. de vraag hoe wij weten of wijl echte kennis hebben, Schaeffer noemt die de vraag: how do we know we know? Hij heeft er een speciaal boek aan .gewijd, dat heet: He is there and He is not silent. Ik ben mij ervan bewust dat deze punten te kort en fragmentarisch zijn om een goed idee te krijgen waar wij vandaag in onze cultuur de zwakke plekken vinden, waar ook de buitenstaander duidelijk gemaakt moet kunnen worden, dat er iets aan de hand is. Dat hij het eigenlijke geheim mist, dat hij door moet lopen door de voorhal heen, om dn het binnenste van de kathedraal in kennis en opstanding de werkelijkheid ontsloten te zien.
Maar het ging mij ook in dit artikel niet om een cultuurbeschouwing: Het ging mij om één punt: willen wij het evangelie brengen aan mensen uit onze tijd dan moeten wij met veel vindingrijkheid en intuïtie, en met hulp van elkaar aansluiten bij wat er zich vandaag voordoet in de wereld van toneel en kunst. in politiek en muziek.
Zoals Paulus deed in Handelingen 17. Om de verloren dimensie aan te wijzen en de geesten te proeven. Want één ding moet duidelijk zijn: het zout van biet evangelie moet bijten. Juist daar waar onze cultuur de wonden draagt van de afwending van God. en biet centraal stellen van de mens. Wij zijn geroepen niet honig, maar zout der wereld te zijn.
Literatuur:
F. A. Schaeffer: De God, die leeft.
H. Rookmaaker: Kunst en amusement.
H van Riessen: Maatschappij der toekomst.
H. Berkhof: Christus, de zin der geschiedenis.
E. Schuurman: Toekomst en techniek.