Hizkia's begin
1976-07-16
Op naar het feest!- Jaargang 20
- nummer 29
Het moet anders, had Hizkia gezegd op de eerste dag van zijn regering. En hij had niet uitgesteld tot morgen, wat hij die eerste dag kon doen. Met een wijde zwaai gingen de tempeldeuren weer open, die zijn vader Achaz had dichtgespijkerd. In een week is Gods huis gereinigd, Priesters en Levieten heiligen zich. Dan gaan de ijlboden door het land: God roept u, broeders, tot het feest!
Als een goed koning probeert Hizkia het volk mee te krijgen: Godsdienst is geen privézaak.
Daarom: weest niet hardnekkig als uw vaderen, buigt de hals, dient God. Een nieuw verbond (2 Kron. 29 : 10) - uw hand erop (30 : 8). Maakt een nieuw begin met God. Want God maakt een nieuw begin met u. Zijn hand steekt Hij u toe - ge hebt maar toe te slaan: Hij zal zijn aangezicht met van u afwende, als gij u weer tot Hem wendt (30 : 9).
Een boodschap, die zelfs (nee: tatuurlijk!) ook voor Efraïm en Marrasse bestemd is (30 : 10). Een spottend woord hier - aarzeling daar. Toch gaat er een gezin op reis en nog een en weer een. Ze voegen zich bij elkaar. De band gaat trekken. Aan elkaar, aan Jeruzalem naar het perspectief van Ps. 68. Een volk tot dienst van God bereid.
Onvoorbereid
Tot dienst van God bereid? Voor zover ze komen, zou je zeggen: ja. Er komt weer inzicht, Maar zo gauw ze dit juiste inzicht ten uitvoer gaan brengen, rijzen er ongedachte moeilijkheden. Want ze willen het pascha wel vieren, maar ze kunnen het niet. Immers: het grootste gedeelte van het volk - velen uit Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebolon - had zich niet gereinigd (2 Kron. 30 ,'17-20)'1 Met name dus het tienstammenrijk (kalverdienst) en Galilea, de landstreek der heidenen. Dezen, maar zij niet alleen, zouden van de viering van het pascha moeten worden uitgesloten. De thora opent wel de mogelijkheid van uitstel als men ongewild onrein was (Num. 9 : 6 v.v ). Maar dat gold in feite de enkeling, en dan nog onder bijzondere omstandigheden, Het was uitzondering, geen regel.
Maar wat in Hizkia's tijd gebeurt, gaat tegen alle regels in: het merendeel had zich niet gereinigd toch aten zij het Pascha, in strijd met het voorschrift ... De weg terug naar God, de weg der bekering, schijnt bezaaid met voetangels en klemmen. Je zou er de catechismusvraag van Zondag 4 naast kunnen leggen: doet God de mens geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist, wat hij niet 'doen kan? Zelfs het pascha, zelfs dit onderdeel van de "ceremoniële wet" onthult hoe wanstaltig de positie van de mens tegenover zijn God is.
De twee tabernakels
Wat wilde de instelling en viering van het pascha eigenlijk zeggen? Dat God in Israël nu eindelijk eens een volk had gevonden zonder lek of gebrek? Vergeet het maar het merendeel had aan het voorschrift in Egypte voldaan: bloed aan de deurposten. Zodat de engel des verderfs hun huizen voorbijging, Maar ze vervoerden wel twéé tabernakels door de woestijn. Eén van Jahweh en één van Moloch (Hand. 7 : 43, 44)...
Om over het gouden kalf nog maar niet te spreken (Hand. 7 : 41). Nee, het Israël van toen verschilde in wezen niet veel van dat uit Achaz' en Hizkia's dagen.
Pascha - de engel des doods is u voorbijgegaan! - is van het begin af wel echt het feest van Gods genade en barmhartigheid, Onverdiende verlossing, onverdiend gespaard blijven, mogen leven. Het bloed van het onschuldige, gedode lam onderstreept dat dubbel.
Maar onverdiend wil niet zeggen: tot niets verplichtend, De mens krijgt de vrijheid en het leven terug om zich in dienst van God te stelten, Een volk tot dienst van God bereid, En daar staat nu dat volk. Voor het aangezicht van zijn God, in Jeruzalem. Maar om te beginnen een maand te laat (30 : 1-3). En dan ook nog: merendeels ongeheiligd.
Hebben ze –die zuurdesem uit hun huizen weggedaan? Zó nauw zijn "teken" en "betekende" (afgebeelde) zaak met elkaar verbonden (1 Cor. 5 : 7, 8)! Israël is er wel weer - maar hun zonde, hun ongehoorzaamheid hebben ze bij zich...
De ene "wet"
Hoe nu? Ze kunnen zelfs hun eigen paaslam niet slachten ... En een uitstel voor de twééde keer kent zelfs de thora niet. Hoe te' handelen ten aanzien van een onheilig volk tegenover een heilig God? Niet de letter der wet blijkt doorslaggevend, maar de geest. De levieten - die zich hadden geheiligd, 30 : 15! - nemende taak der huisvaders over. De stam van Levi mag "bemiddelen", tussenbeide komen, de helpende hand bieden. Daartoe zijn ze geroepen.
Zij mogen het verschrikkelijke dilemma oplossen: een volk dat het pa scha moet eten en niet kan eten, beide op straffe van uitroeiing (Num. 9). Ook Hizkia is zich van de afschuwelijke situatie bewust. Niet dat hij, als een Uzzia, nu gaat doen wat des priesters is. Hij doet wat des konings is. Wat dat is? Lees er Davids woorden maar op na: elke morgen zal ik verdelgen al1e goddelozen des lands, en uit de stad des HEREN uitroeien alle bedrijvers van ongerechtigheid (Ps. 101: 8).
Heeft Hizkia dáárvoor Israël naar Jeruzalem ontboden? Gaat hij de wet naar de letter uitvoeren, wals het een koning 'Past (Deut. 17 : 14-20)? Komt de koning ook al te verkeren in een conflict van plichten? Net als de priesters? Wonder boven wonder vinden koning en priester elkaar. Ook de koning handel t naar de geest, niet naar de letter van Gods wet. Terecht. Zou Jezus later niet zeggen: God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde (Jdh.3 : 17).
Een en dezelfde God
De God van het Oude Testament als niet anders dan die van het Nieuwe - dat misverstand moest eindelijk toch eens verdwijnen. Hizkia wist het wel, en zag de uitweg. Hij legde de beslissing in Gods eigen hand. "Toch aten zij het Pascha ... maar Hizkia bad voor hen: de HERE, die goed is, doe verzoening over ieder die zijn hart er op gericht heeft God, de HERE, de God zijner vaderen, te zoeken, al was het niet naar de reinheid welke bij het heilige past."
Daarin ligt de volledige erkenning van schuld opgesloten. De catechismus zou zeggen: kennis dcr ellende. Kennis, verkregen uit de wet Gods. Dat is een zaak van het hart. Ook dat weet Hizkia. Viering van het pascha bewerkt niet automatisch verzoening, Verzoening is er "voor ieder die zijn hart er op gericht heeft, God de HERE te zoeken." Zulke kennis van “de wet" sluit kennis van God in. In de oproep beloofde Hizkia: Hij zal het aangezicht niet van u afwenden, indien gij tot Hem wederkeert. Terecht. God zal wel degelijk Israëls schuld. Maar "de HERE verhoorde Hizkia en genas het volk"! De priester zou ook dié dag kunnen zeggen: de HERE doet zijn aangezicht over u lichten en is u genadig. Van het eerste tot het laatste Paasfeest!