Wat dichtbij lijkt is ver weg!
1976-08-06
Esau- Jaargang 20
- nummer 30
N aar de smaak en het oordeel van deze wereld is Esau een nuchter man. Want hij deed altijd wat voor de hand lag en hij koos wat vlak voor zijn neus stond. Voor de jacht zal hij lange tochten hebben gemaakt, maar voor het overige maakte hij geen omwegen, Het gerecht dat jaoob had gekookt stond daar voor het grijpen (Gen. 25 : 29 evv.). Het was veel "werkelijker" en veel dichterbij dan de toekomstige erfenis. En daarom nam Esau het ook. Daarom kóós hij die schotel. Esau kreeg zin in een Hethietische vrouw, En ook nog in een tweede (Gen. 26 : 34).
Dus nam hij die vrouwen. Niet die vreemde omweg van Izak (Gen. 24 : 3 evv.) en later van Jaoob (Gen. 27 : 46). Inderdaad, Esau koos altijd wat voor de hand lag!
We weten, dat dat zondig was. Maar wat was die ronde ook steeds weer dichtbij! Wat lag die zonde voor de hand! En als we het zo zeggen, dan gaat het al gauw op een verontschuldiging lijken. Dan krijge Esau en dan krijgt de afvallige in het algemeen iets zieligs over zich. Ligt de zonde niet àl te zeer voor de hand?
Maan- in Hebreeën 12 : 16 wordt Esau geen moment als een zielig mens geschilderd. Ook wordt daar niet gezegd, dat de zonde nu eenmaal zo voor de hand 'lag. Neen, hij wordt daar een hoereerder genoemd, een onverschillig mens. En daarmee wordt bedoeld, dat Esau de band met de HERE gebroken heeft en dat hij voor andere goden heeft gekozen, ook al gaf hij die goden misschien niet eens namen.
Daarmee wordt ook bedoeld dat het grote verlossingswerk, dat de HERE met Abraham en zijn geslacht begonnen was, hem helemaal niets zei en dat hij daar als het ware met zijn lompe voeten overheen stampte. A~s je daar over nadenkt, dan komt er iets vreemds voor de dag. De bijbel vindt blijkbaar drie zonde helemaal niet zo voor de hand Iiggen en helemaal niet zo dichtbij! Toen Esau Jacob's gerecht "zomaar" koos, toen maakte hij in feite een geweldige en een verschrikkelijke reis. Hij streepte het goede werk van de HERE helemaal door. Hij annuleerde Gods belofte. En dat wil toch eigenlijk zeggen, dat hij helemaal terugreisde naar waar de vaderen andere goden hadden gediend (Joz. 24 : 2) en dat hij in de tijd terugging naar de dragen vóór Abraham's roeping.
Zeker, de zonde lijkt wel voor de hand te liggen. Zij brengt om zo te zeggen haar eigen blindheid met zich mee. Ze ligt "vlak voor onze neus". Maar de werkelijkheid is, dat ze zo ver weg Ligt als Ur der Chaldeeën! En dat ze van een àndere tijd is, al lijkt ze even modern als wijzèlf. Ze is van vóór Albra!ham. Ze is van vóór de komst van het evangelie van Christus (Rorn. 6 : 20 ev.)! Ik zei het al ... de zonde brengt haar eigen blindheid mee. En die veroorzaakt de kortsluiting. Je doet het "zomaar". Je merkt niets van die lange reis en je voelt de afstand niet!
Romeinse christenen
Blindheid en kortsluiting. En daardoor de "charme" van het voor de hand liggende. Ja, dat zit altijd in de zonde opgesloten. Die infiltratie van onze geest komt er altijd in mee. Dat was zo in Esau's dagen. Dat was ook zo in de tijd van de brief aan de Romeinen. Toen waren er bovendien nog wargeesten, die dat voor de hand liggende van de zonde "geestelijk" gingen funderen!
"Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme?"... een vraag die zij met "Ja" beantwoordden (Rom, 6 : 1)! Daar gaat Paulus scherp tegenin. En daarbij gebruikt hij die diepe en wonderlijke woorden: " ...wij, die voor de zonde gestorven zijn...".
Wat bedoelt de apostel daarmee? We kunnen daar maar kort op ingaan. In dit gedeelte komt de doop voor als een "begrafenis met Christus" (3). Het gaat hier om de gemeenschap van Christus' dood, zoals het Doopsformulier zegt. De Here Jezus is voor ons tot zonde gemaakt. De last van onze zonde droeg Hij 'en onze zonde trok het oordeel van God over Hem heen! Maar in zijn sterven heeft Hij 'het volbracht. En dat betekent ook, dat hij in het voltooien van zijn offergang Zichzelf van onze zondelast mocht bevrijden. Stervend kwam Hij buiten het bereik van de greep van onze zonde! En nu betekent de Doop, zo zegt Paulus, dat wij ons in en met Christus ook zèlf bevrijd mogen weten. In Hem zijn wij aan het machtsbereik van de zonde ontvallen. In en met Christus, Niet in onszelf en niet door de kracht van onze eigen vroomheid. In Hèm alleen! En dat is dan ook de taal en de spraak van die onderdompeling in het water. Maar dan wordt de zonde, die wij toch nog doen, een benauwend en beklemmend raadsel! Dan is het voor de hand liggende van de zonde geheel doorbroken! En toch...blindheid en kortsluiting!
Telkens weer krijgt de zonde de charme van het voor de hand liggende! Maar da t is dan. ook een grote leugen. Wie zich overgeeft aan het kwaad, dat "vlak voor zijn neus" Egt te wachten en te lokken, die maakt in werkelijkheid een lange en een verschrikkelijke reis. Wat hij "zomaar" doet, dat komt neer op een vergeten en een negeren van de gemeenschap met Christus in zijn dood, Het komt neer op een opzijwerpen van het offer van de Here Jezus en van Gods hele werk in Hem. Het is een vreselijke reis, terug in de tijd. Naar de wereld van vóór het evangelie. Naar een wereld, waarin het kruis van Golgotha niet staat en geen spraak heeft. Het is die oude reis van Esau, maar dan nog verder en nog dieper. Omdat Gods genadewerk vervuld is, daarom gaan wij veel verder dan die oude zondaar. En onze reis is nog verschrikkelijker! Dat moesten die Romeinse christenen weer goed weten! Je maakt "zomaar" die vreselijke tocht. Door de verblinding en de kortsluiting lijkt het dichtbij. Je merkt dan niets van die lange reis. En de afstand voel je niet! Maar...wàt is het ver!
Wij
We zouden, geloof ik, mogen zeggen, dat de HERE in zijn Woord juist altijd bezig is de blindheid en de kortsluiting op te heffen. Daarmee neemt hij de zonde de charme van ,het voor de hand liggende af en daarmee ontneemt hij ons het aureooltje van onschulden onnozelheid.
Het moet voor ons en voor al Gods kinderen vaststaan, dat wij voor de zonde gestorven zijn! In en met Christus. Het moet voor ons vaststaan, dat de tocht naar het kwade, dat zomaar "vlak voor mijn neus" heel fraai ligt te glinsteren, in werkelijkheid zo lang en zoovreselijk is. Het is een lànge weg! Een weg helemaal naar een wereld, waarin het kruis niet staat en miet spreekt. De HERE leert ons tegen die reis op te zien als tegen een berg, Als tegen een berg die wij zonder zijn hulp en tégen Hem in zouden moeten bestijgen.
Een afschuwelijke omkering van Psalm 121! Hier behoren we dan ook géén moed te vatten. Van déze reis behoren we af te zien. Voordat we op weg gaan behoren we te bezwijken! Te bezwijken aan Gods liefde in Christus Jezus onze Here! Wat dichtbij lijkt is oneindig ver weg. Als we het maar onthouden!