VVelke zaken vragen een gemeenschappelijke gedragslijn van de kerken?

1976-08-13
  • Jaargang 20
  • nummer 31
Het is meermalen in de geschiedenis een vraagpunt geweest wat op een meerdere vergadering - classis of synode, regionale of landeIijke vergadering - behandeld mag en behoort te worden. We kunnen niet zeggen dat er thans onder ons een duidelijke eenstemmigheid over dit punt bestaat. Het gebeurt dat een kerkenraad een bepaald besluit neemt en daarvan aan de regionale vergadering mededeling doet zonder haat óórdeel te vragen. Deze handelwijze typeert m.i. een op dit punt heersende onzekerheid. Men gevoelt blij1kbaar. dat het minder juist is in het betrok/ken geval geïsoleerd van de zuster kerken te handelen en geeft daarom kennis van de zaak, maar men heeft toch reeds z'n besluie genomen! Men bewandelt dus een soort van. tussenweg; erkent de zusterkerken. maar stelt zich toch vrijblijvend op.
Er is daarom alle reden voor om dit vraagstuk eens wat nader te bekijken.
We werpen daartoe eerst een blik op de geschiedenis.
Toen het kerkverband voor de Nederlandse Gereformeerde Kerken in de 16de eeuw geconstitueerd werd, heeft men afspraken gemaakt waarin de bevoegdheid van de meerdere kerkelijke vergaderingen aan behoorlijke beperkingen onderworpen werd. Niet alleen werd besloten dat ook voor deze vergaderingen goud dat alleen kerkelijke zaken en geen politieke en andere behandeld mochten worden, maar ook dat op een meerdere vergadering niet gebracht mocht worden, wat op een mindere afgehandeld worden kon, (art. 30 K.O.). In de kerkorde zelf en in het ondertekeningsformulier werden verder bepaalde concrete zaken genoemd, die op een meerdere vergadering gebracht mochten worden. Het gold hier met name tuchtzaken en gevallen van beroep. We gaan daarop nu niet in. We willen wel even aandacht vragen voor het laatste gedeelte van art. 30: Behandeld mag ook worden "dat tot de Kerken des meerdere vergadering in 't gemeen behoort", d.w.z, zaken die alle kerken, die een bepaalde meerdere vergadering samenstellen, aangaan.
Het eerste doel van dut artikel is dus het agendum van de meerdere vergaderingen te beperken. Dat moeten we voorop stelen en altijd goed bedenken, Maar er zijn toch zaken, die er naar het gevoelen van de Gereformeerde Kerken in Nederland die deze kerkorde hebben samengesteld en onderhouden op het agendum van de meerdere vergaderingen mogen en ook behoren te komen om "verhandeld" te worden, d.i. er een besluit over te nemen (definitie, Acta Emibden 1571, m, 1).
Daar mag wel even de nadruk op gelegd worden. Naar Gereformeerde opvatting zijn kerkelijke vergaderingen geen conferenties of bureaus voor kennisgeving, al kunnen die er soms wel worden gedaan om het onderlinge meeleven te bevorderen, maar in de eerste plaats lidhamen waar besluiten worden genomen. En dat dus o.m. over zaken, die de haar samenstellende kerken allen aangaan. Maar welke zijn dat nu? Om deze vraag te beantwoorden gaan we nu niet verder de Kerkorde of de geschiedenis raadplegen.
Onze kerken zijn trouwens bezig met het ontwerpen van een akkoord van samenleven, dat er wellicht iets anders zal uitzien als de tot nu toe onder ons geldende kerkorde, Dat mag! Ja dat behoort zelfs te gebeuren als het nut van de kerken dat eist, zegt art. 87 van deze kerkorde.
We gaan mede daarom de vraag ook iets anders stelden en iets beperkter, nu. zo: in welke zaken hebben de kerken eenzelfde gedragslijn te volgen? Daaraan zit dan echter wel vast de andere: en komen derhalve in aanmerking voor behandeling op een meerdere vergadering? Als we de vraag zó stellen kunnen we heel wat zaken la ten rusten, die wel op een meerdere vergadering thuishoren, maar op een ander vlak liggen dan waarop de eerste vraag zich beweegt. En we kunnen zodoende de kerkorde laten rusten en allerlei kerkelijke bepalingen om ons direct tot de Bijlbel te richten, Want zij. laat zich over de eerste vraag wel duidelijk wit, tenminste wat het principe betreft.
In 1 Cor. 14 : 34 schrijft de apostel Paulus: zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen, d.i. in de gemeentelijke samenkomsten. Zij mogen daarin niet spreken.
De zusters, die dit lezen behoeven niet ongerust te worden. Door dit woord van Paulus te citeren wilden we niet ingrijpen op de discussies over de vrouw in het ambt of over de positie van de vrouw in de gemeente, Ik wil zelfs niet suggereren dat dit woord van Paulus onafhankelijk zou zijn van de cultuursituatie van die tijd en daarom zonder meer voor ons precies zo zou gelden. Lik laat dat volkomen in het midden. Een antwoord op die vraag zou heel wat studie en plaatsruimte vragen.
En het is een àndere zaak, die ons nu bezig houdt. In ieder geval stonden in Paulus' tijd te Corinthe de zaken : vrouwen moesten in de gemeentesamenkomsten zwijgen, net als ze dat elders deden. In dat opzicht moest de gemeente te Corinthe zich aan de gewoonte houden die in veile andere gemeenten heerste: zoals in alle gemeenten". Dr Grosheide schrijft hierover: "Men volgde te Korinthe een eigen gewoonte. Waarom? Was Korinthe iets anders dan andere klerken?
Moest deze kerk de toon aangeven?

Dat onderstelde, 00 parafraseert Grosheide Paullue' gedachtengang verder, dat het Woord Gods te Korinthe geopenbaard was en uit Korinthe de wereld ingegaan. Ieder weet, dat dat niet zo is. Te Korinthe ligt niet de oorsprong van het christendom, dat is bekend. Maar evenmin is het Woord Gods alleen te Korinthe gekomen." 1) Vgl. vers 36: Of is het Woord Gods hij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?
Paulus beroept zich voor dit zwijggebod voor de vrouw op de ondergeschiktheid die de wet van haar eist, vers 34. Het is dus blijkbaar zo dat in ellk geval in de toenmalige situatie het spreken van de vrouw streedt met haar ondergeschikte plaats, zoals die in de wet wordt aangegeven. Maar Paulus beroept zich niet op de wet alleen, ook op de gewoonte in andere kerken en z,egt da t de Corinthiërs niet uit de pas moeten Lopen: ze nemen immers geen uitzonderingspositie onder de overige kerken in? Daarom hebben ze te rekenen met wat daarin algemeen als regel geldt. Het Woord van God heeft toch ook die andere kerken bereikt, en niet slechts hèn. Wat die andere kerken daarom als juist hebben aanvaardt, moet ook als zodanig voor hen gelden. Paulus zegt niet dat de wet de vrouw verbiedt in de gemeentesamenkomsten te spreken. De wet eist haar ondergeschiktheid. En daarmee acht hij het spreken niet in overeenstemming. Dat tast die ondergeschiktheid aan en is daarom onvrouwelijk, schandelijk of lelijk. Zo hebben blijkbaar de overige kerken het ook gezien en nu moeten de Corinthiërs daarmee rekening houden.
Op soortgelijke wije spreekt Paulus in het geval van die hoofdtooi der vrouwen. Ze moeten niet bloothoofds bidden, want dan maken ze zich. gelijk aan de mannen en dat is tegen Gods scheppingsorde, 1 Cor. 11 : 5, 7-10. Ook in dit opzicht moeten de Corinthiërs het voorbeeld van de andere kerken volgen, vers 16, 1) Het betreft hier eveneens een geva1 van zede, waarbij echter wel de plaats van de vrouw naar de Schrift in geding is. Daarom is de zaak niet van belang ontbloot en moeit de ene kerk zich naar het voorbeeld der andere richten en niet hoogmoedig slechts met eigen inzichten rekenen.
Wde nu de conclusie zou wiûûen trekken dat de kerken in alûe dingen precies dezelfde gedagslijn moeten volgen, 'haalt meer uilt deze Schr-iftgegevens dan er in liggen. Wanneer Calvijn 1 Cor. 14: 36 bespreekt houdt hij rustig vast aan "de verscheidenheid der ceremoniën" 2) en hij klaagt over "sommige barbaarsche menschen, die het Evangelie nooit gesmeekt hebben" en "met de tirannieke eischen hunner wetten, de godzalige gemeenten beroeren."
Maar hij wijst tegelijk de "hoovaardigheid" van de Corinthërs af en zegt: alle gemeenten moeten wederkeerig elkander de hand geven, om gemeenschap onder elkander te onderhouden, en zich bij elkander te voegen, zoover het de eendracht eischt."
In hoeverre de eendracht ons eisen stelt lijkt me in het door Paulus genoemde duidelijk aangewezen, Het betreft in elk geval die zaken waarbij de Heilige Schrift zij het indirect betrokken is. Indirect, want waar zij een duidelijke uitspraak doet, is de zaak zonder meer beslist, Dat doet zij echter niet in àlles, Toch kan zij er dan wel indirect 'bij betrokken zijn, zoals in de door Paulus genoemde gevallen.
En dan wordt een gemeenschappelijke gedragslijn, die bij ons door onderding overleg tot op de meeste vergadering der' kerken toe tot stand kan Immen, door de apostel geëist. Dit lijkt me een gerechtvaardigde conclusie uit wat hij in 1 Cor. 14 en 11 schrijft.
Natuurlijk kunnen, barbaarse "mensen" - om met Calvijn te spreken - deze conclusie misbruiken om aan de kerken allerlei tirannieke wetten en gebruiken voor te schrijven. Maar daar zijn nu eenmaal geen bepalingen tegen te maken. Schriftuurlijke ootmoed en wijsheid kan met deze conclusie m.i. echter uit de voeten om de eendracht der kerken te bevorderen en de gemeenschap onder elkaar des te beter te onderhouden,

We blijven wel heel dicht in de buurt van de besproken Schriftgedeelten, wanneer we onder de hier in aanmerking komende zaken die van de vrouw in het ambt noemen, omdat naar veler gevoelen de positie van de vrouw zoals de Schrift daarover spreekt in het geding is. Eeuwen lang hebben de kerken de vrouw niet in het ambt, behalve soms in dat van diacones, toe gelaten. In verschillende kerkgemeenschappen is met deze gewoonte gebroken en natuurlijk laat dat ook onze kerken niet onberoerd.
Het recht om in het ambt te kiezen, is haar in verschillende gemeenten reeds toegekend : zusters stemmen in vele gemeenten mee, hoewel daar jaren lang tot op Generale Synodes - m.i. ten onrechte! - tegen gestreden is.
Stemmen zou een zaak van regeren zijn, zo was het hoofdargument en regeren komt een vrouw (in de kerk) niet toe! Men zag daarbij over het hoofd dart; de kerk geen volksdemocratie is, waarin de leden hun, soevereiniteit ter uitoefening toevertrouwen aan enkele regeerders, maar een Christocratie, waarin de Here Christus gaven verleent en dat ons "stemmen'" in feite niets anders is dan het opmerken en aanwijzen van hen, die de nodige gaven bezitten. En dàt kan een vrouw evengoed als een man, want zij heeft evengoed de verlichting van de Geest ontvangen!
Het was echter fraaier geweest als dat ook gezamenlijk was uitgesproken en erkend.
De zaak van de vrouw in het ambt grijpt echter dieper in en ligt veel ingewikkelder, niet alleen maar ook vanwege concrete uitspraken van die Bijlbel als 1 Cor. 14 : 34, 1 Tim. 2 : 12. Daar is wel het een en ander over te zeggen.
Men kan er in elk geval niet zonder meer aan voorbij gaan, maar zal elkaar in heel dit vraagstuik van hulp en voorlichting moeten dienen. Omdat hier de Schrift hij betrokken is, ruilen we de goede eendracht moeten zien te vinden en dat als gezamenlijke kerken. Was er een directe uitspraak van de Schrift, de zaak lag uiterst eenvoudig, Maar zulk een is er niet. Het Nieuwe Testament kent wel het profeteren van vrouwen, 1 Cor. 11 : 5, Hand. 21 : 9, maar gebeurde dat in openbare samenkomsten van de gemeente?
Bekende uitleggers als Grosheide en Schlatter ontkennen dat. Dr N.J. Hommer ontkent in zijn "De vrouw in de kerk" dat 1 Tim. 2 : 11 'en 12 een verbod voor vrouwelijke predikanten zou bevatten: ik: sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft, zegt Paulus daar onder meer. Hommes zegt dat het karakter van het N.T.isch"leren" onderlinge terechtwijzing veronderstelt en dat het in dit “leerverbod gaat om de gehuwde vrouw en dat het "leren" hier belicht wordt door baas spelen over eigen man. Daarom ligt z.i. in deze tekst geen verbod voor vrouwelijke predikanten.
Ik doe hier geen uitspraak in een of andere richting, maar wil er alleen op wijzen dat de zaken hier blijkbaar niet heel simpel liggen. Met een beroep op uitzonderIijke gevallen aas Deborah, de richteres en andere komen we er ook niet zonder meer op een verantwoorde wijze uit. Waar onze kerken niet op een eiland liggen en met deze zaak geconfronteerd worden is het te verstaan dat de kerk van Groningen haar aan de orde heeft gesteld in de regio van het Noorden, blijkens een in "Opbouw" overgenomen verslag. Of ze het op de juiste wijze gedaan heeftin het verslag wordt daarover even gehandeld - laat ik in het midden, evenals andere punten uit het verslag, Wel wil ik graag de opmerking maken dat deze zaak niet slechts aan één kerk ter beslissing staat maar ook de andere kerken aangaat, zoals de kerkenraad te Groningen terecht heeft beseft, Er spreekt een gezonde gemeenschapszin uit dat hij deze kwestie aan de regionale vergadering heeft voorgelegd. Maar - en dat is m'n eigenlijke opmerking - zij gaat niet alleen de kerken in de regio van het Noorden aan, maar alle kerken in ons goede vaderland.
Wanneer wij Paulus goed weergegeven hebben zullen de kerken van het Noorden zich daarom ook hebben te verstaan met de rest van de kerken in het land, indien zij nl. nieuw licht op deze kwestie ontvangen hebben. Dan krijgen we er zodoende allemaal mee te maken en kunnen wij, elkander dienen onder beding van 1 Cor. 11 : 16. Er is wellicht voldoende reden om na te gaan of er meer zaken zijn die in onze situatie eenzelfde gedragslijn wenselijk maken. Ons ontbreekt hiervoor echter nu de ruimte. We bevelen deze vraag daarom ter onderlinge discussie aan en hopen met het bovenstaande ook daarvoor een positieve bijdrage te hebben geleverd.


Noten
1) Zie Commentaar op 1 Cor. ,bij Bottenburg.
2) In zijn Commentaar ed: Donner.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief