Meedenken met het ongeloof

2012-07-07
  • Jaargang 56
  • nummer 14
Boos worden op het geloof hoeft niet voort te komen uit haat tegen de God om wie het in het geloof gaat. Het kan ook zelfbescherming zijn. En dan helpt het wel eens om een ogenblik mee te denken met de ongelovige. ‘...om er zoveel mogelijk te winnen’ (1 Korintiërs 9:19).

Henri Nouwen vertelt in één van zijn boeken een verhaal over een tweeling, een meisje en een jongen, die in de baarmoeder met elkaar in gesprek zijn. ‘Ik geloof dat er leven is na de geboorte’, zegt het meisje. Haar broertje wil daar niet aan. ‘Nee, dit is alles wat er is. We hebben het hier toch goed, we hebben ons natje en droogje…’ Maar het meisje blijft erbij: ‘Er moet toch meer zijn dan deze donkere plek. Ergens moet licht zijn en ruimte, om te bewegen…’ Maar haar tweelingbroertje laat zich niet overtuigen.
Na een poosje zegt ze schuchter: ‘Er is nog iets, maar dat zul je ook wel niet willen geloven: ik denk dat wij een moeder hebben.’ Daarop wordt haar broertje razend. ‘Wat? Hoe kom je erbij? Ik heb nog nooit een moeder gezien! Jij trouwens ook niet. Waarom moet je zo nodig meer hebben dan dit? We hebben het hier toch goed?’ Een tijdlang is het stil in de baarmoeder. Dan zegt het meisje ten slotte: ‘Voel je niet af en toe die samentrekkingen? Soms doet het pijn.’ Ja, die heeft hij ook gevoeld. ‘Maar wat is daar zo bijzonder aan?’ ‘Nou,’ zegt ze, ‘ik denk dat die ertoe dienen om ons voor te bereiden op de overgang naar een nieuwe plaats, waar het veel mooier is dan hier, waar we
moeder van aangezicht tot aangezicht zullen zien. Lijkt je dat geen prachtig vooruitzicht?’

Nobele trek
Een schitterende gelijkenis! Maar waarom werd dat ventje nou zo razend bij de gedachte dat er voor die twee in de baarmoeder in de toekomst een moeder zou zijn? Zou hij een hekel aan moeders hebben? Dat kan niet, want die kende hij nog niet. Nee, hij wilde niet geloven aan het bestaan van een moeder omdat hij door een negatieve uitkomst van dit vermoeden niet teleurgesteld wilde worden. Stel je voor: je in gedachte hechten aan een liefhebbende en zorgzame moeder en daarmee vervolgens bedrogen uitkomen!
Boos worden op het geloof hoeft niet voort te komen uit haat tegen de God om wie het in het geloof gaat. Het kan ook een soort zelfbescherming zijn, een zich wapenen tegen de teleurstelling als zou blijken dat het geloof op fictie berust.
Mooie dingen worden beloofd, je zou je er haast aan overgeven, maar dan blijkt het niet te kloppen. Het blijken luchtkastelen te zijn. Zou je dan niet boos worden op de mensen die deze fantasieën de wereld in helpen?
Eigenlijk is dit een nobele trek in het ongeloof; ik kan er wel waardering voor opbrengen. Het getuigt van een nuchtere werkelijkheidszin.
Ik zie er ook een uitnodiging in om een ogenblik met het ongeloof mee te denken. Stel nu eens dat het ongeloof gelijk heeft en dat op het einde blijkt dat alles wat we geloofd hebben op inbeelding berust en dat met ons sterven alles over en uit is. Daar lijden we dan als gelovigen geen schade van. Zelfs de teleurstelling zou ons bespaard blijven, want de vooronderstelling van die teleurstelling is dat je bestaat.
Alleen bestaande mensen kunnen de pijn van die grote vergissing ondergaan. En ook het geluk dat we bij het leven aan het geloof beleefd hebben, wordt ons niet afgenomen.
Maar nu het omgekeerde. Stel nu eens dat het ongeloof ongelijk heeft en dat er op het eind wel degelijk een God blijkt te zijn en een hemel en een hel. De gevolgen van die vergissing zijn niet te overzien. Bij al het gemis dat iemand dan voelt en bij alle pijn die iemand dan lijdt, komt dan ook nog het zelfverwijt over het ongeloof.

Uit angst geloven?
Dus de gelovige verliest niets bij zijn ongelijk en de ongelovige verliest alles bij zijn ongelijk. Zou dat niet een argument kunnen zijn om te gaan geloven? Toegegeven, het zou een karig beginnetje zijn. Het zou eigenlijk op angst berusten: stel je toch eens voor dat… Niets waard, zegt u. Maar ik vind angst geen schandelijke zielsgesteldheid. Alles wat leeft, heeft angst het leven te verliezen. Dat zie je al in de dierenwereld.
Zou het bij de mens anders zijn?
Op Golgota zei de ene moordenaar tegen de andere dat hij maar beter God kon vrezen. En de gevangenbewaarder in Filippi vroeg, toen hij bij de aardbeving dacht dat de wereld verging: wat moet ik doen om behouden te worden?
Geloof kan uit angst ontstaan, al is het zeer waar dat geloof niet van angst kan bestaan. Wie gelooft, krijgt God en de mensen lief en die liefde maakt aan alle vrees een einde, schrijft Johannes. Dus die ‘beginangst’ verdwijnt. Er zit in het gaan geloven niets oneerbaars of schandelijks. Je kunt het zelfs als welbegrepen eigenbelang zien.

Kansberekening
Nu ja, zegt de ongelovige, maar ik héb geen ongelijk er bestaat echt niks. Goed, maar dat is ook een onbewijsbaar geloof. Is er dus, vraag ik me af, bij de keus tussen geloof en ongeloof geen plaats voor een eerlijke kansberekening? De keus voor het geloof is op deze manier niet iets om hoog van op te geven, dat is waar, maar het is een begin waarvan we mogen ervaren dat God er een gelukkig vervolg aan verbindt.
Natuurlijk, voor dit soort redeneringen heb je een haast cynische instelling nodig, maar waarom zou je je daar niet eens voor een keertje aan overgeven? Het dient een positief doel: de ongelovige te winnen voor het geloof.
‘Om zoveel mogelijk ongelovigen te winnen’, zegt Paulus in 1 Korintiërs 9:19. Maar even later voegt hij bescheiden toe: ‘… om in elk geval enigen te redden’ (1 Korintiërs 9:22).

Drs. Henk de Jong is emeritus predikant van de NGK van Zeist.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief