Toch slippertjes?

1976-08-20
  • Jaargang 20
  • nummer 32
Na mijn artikel "Geen slippertjes!" in ons nummer van 7 mei jl. kreeg ik diverse reacties. Het ging - u weet dat nog wel - over die willekeurige verhogingen in onze psalmwijzen, die we beter met ons rode potlood konden doorstrepen. Die verhogingen, zo betoogde ik, zijn door onze vaderen aangebracht, waarbij gezegde vaderen
a) de uit Calvijn's handen ontvangen psalmwijzen veranderden;
b) een stuk eigenwillige vroomheid in de psalmzang aanbrachten;
c) een stuk calvinistische muziekcultuur, waarschijnlijk de enige muzikale vrucht van de Reformatie ernstig mismaakten. Het was mijn bedoeling in een tweede artikel nader in te gaan op de verhogingen, welke in de interkerkelijke berijming (Nieuwe Liedboek) door de betreffende oommissie tóch zijn toegelaten.

Een goede vriend zei me: "schei daar over uit. Geen kerkganger, die er mee gesticht is". Ik was dat niet met hem eens, want ik :ken geen kerkganger, die er niet wekelijks mee te maken heeft. Niettemin. We leven en denken dikwijls dank zij het medeleven en mededenken van onze goede vrienden. Dies zag ik van een tweede artikel af. Met een zucht, dat wel. Want moeten we elkaar nog altijd duidelijk maken: dat het lofoffer van de nieuwtestamentische gemeente geen zaakje voor de liefhebbers is - maar een zaak van ons hele kerkvolk?


Nadien kwamen bij mij nog twee brieven uit Vlaardingen binnen over deze stof; plus een artikel in Organist en Eredienst. Waaruit me duidelijk werd, dat de eensluidende psalmzang toch meer onder ons leeft dan u en ik soms zouden denken. En waaruit ik het koene besluit nam, mijn tweede artikel te lanceren. Met uw goedvinden.

Eerst een brief van br. Jac Polak, bekend uit de "Stichting ter verkrijging van een Schriftgetrouwe Psalmberijming". Deze acht mijn eerstgenoemd artikel lezenswaard, maar bejammert onmiddellijk mijn nalatigheid: dat ik niet in de eerste plaats de organisten aanraad die verhogingen weg te laten.

Nu, daar is wel op te antwoorden. Gedurende 21 jaar van mijn leven heb ik, als eindredacteur van Organist en Eredienst en als voorzitter van de Gereformeerde Organistenvereniging onze organisten aangeraden: stijlzuiver te spelen, muzikale voorgangers, voorzangers en speellieden in hun kerken te zijn. Dát blad leek me namelijk de aangewezen plaats voor instructieve artikelen ten behoeve van organisten - niet Opbouw. In ons blad trachtte ik, op andere manier, met andere argumenten en voor een geheel ander lezerspubliek schrijvende, onze zingende gemeenten te dienen.

Dhr Polak vertrouwt, dat onze lezers mijn advies inzake het rode potlood willen opvolgen. Ik volg hem aarzelend in dat vertrouwen. Dan gaat hij over op de berijming van de psalmen, in welk spoor ik hem thans niet volg. En wel
a) omdat in mijn artikel slechts de melodieën, niet de berijmingen aan de orde kwamen;
b) omdat ik met de door br Polak voorgestane berijming helemaal niet zo ingenomen ben als hij.
Misschien kom ik daar nog wel eens op terug; vooral nu C. Rijnsdorp onlangs een aantal opmerkingen in Organist en Eredienst plaatste, Met een Woedend hart - de stichting mag me geloven.

De tweede brief was niet aardig genoeg dan dat ik de naam van de schrijver wil publiceren, De "brief" is geschreven op een velletje papier, slordig uit een schrift gescheurd en vangt aan met "Beste Heer Milo". De schrijver heeft zijn "stukje" gelezen en als iemand een schrijver op de tenen wil staan, moet hij diens artikelen "stukjes" noemen. Hij eindigt met een vrijmoedig vers, zoals sommige sprekers hun roespraak besluiten. En wel:

Lezer van dit stuk,
laat niet door Milo met u sollen
en zing aan 't eind der zin
gerust uw kruisen en uw mollen.


Het blokschrift en taalgebruik wijzen uit, dat deze schrijver nog tot de jongste generatie behoort. Zo Lang Van Dale het woord ,,2Jin" mannelijk noemt, kan alleen een jeugd die ten aanzien van. de (litteraire seksualiteit zo groen als gros is spreken over "der zin". Dit vooraf.

Maar serieus vraagt hij: 1) Hoe vergelijkt u de tweede regel van psalm 1 met de tweede regel van lied 358 uit het Nieuwe Liedboek? Als u die nagaat merkt u, dat beide regels op de Se toontrap, de kwint, eindigen.
Maar psalm 1 moet daar geen verhoging hebben, zo betoogde ik, omdat de toonsoort geen verhogingen kent. Dat ligr anders bij Lied 358, (de wijs van Blijf bij ons Heer). Dat lied is uit het midden van de vorige eeuw. De componist W. H. Monk, hoewel waarschijnlijk nazaat van een gregoriaanse monnik, kende geen ionische reeks - maar 'leefde bij de chromatische verhogingen van zijn tijd; die verhogingen waarmee onze vaderen de psalmwijzen zo deerlijk hebben verminkt,

2. Bij Bach trof hij een verhoging aan in de wijs van psalm 68 (36). En wel in de Mattheus Passie (0 Mensah, bewein dein' Sünde gross) en in de kleine orgelkoralen. Bach verstond onder de grote ronde van de mens meer dan de aantasting der calvinistische psalmwijzen; dat is duidelijk. Maar eerstens is deze "calvinistische" melodie van psalm 36 oorspronkelijk uit Straatsburg afkomstig; alzo meer aan de Lutherse dan aan de Calvinistische kerkmuziek verwant. Tweederis was Baoh wel een autoriteit op het punt van de barokke orgelmuziek - maar niet, en helemaal niet, op het punt van de middeleeuwse kerktoonreeksen. Zijn andere oomposities wijzen duidelijk uit: dat hij de koraalwijzen bewerkte naar de omstandigheden, smaak en mogelijkheden van zijn tijd.
Hij restaureerde niet, maar versierde. Hij conserveerde niet, maar schiep. Hoeveel respect ik ook voor J.S. Bach wens op te brengen laat Bach nooit een autoriteit ten aanzien van de gerreefse melodieën heten.

3. Hendrick Speuij schreef psalm 116 met een verhoging (d-ois-d) aan het einde van de tweede regel. Jawel. Maar eerstelijk leefde Speuij een halve eeuw na het ontstaan van onze psalmwijzen. Dat is beslissend want 2) juist de datum van onze psalmwijzen, gereed in 1562, betekent het einde van de kerkelijke soevereiniteit over kunsten en wetenschappen, Hendrick Speuij kon, als hij zijn tijd verstond, niet meer kerktonaal denken; daar moesten drie eeuwen over heen gaan. Ten derde een dooddoener.
De sluiting in psalm 116 is altijd al een heet hangijzer geweest. Ook voor Sweelinok, ook voor zijn nazaten, ook voor de Gommissie van het Liedboek. Niettemin: in 1562 werd de verhoging bepaaldelijk niet geschreven. Ook Datheen (1566) schreef duidelijk: sol-fa-sol, en niet do-si-do.

Dan pleit deze onbekende schrijver voor verhogingen aan het eind van een melodie of volzin. Bij de Commissie voornoemd trapt hij hiermee een open deur in: in het Nieuwe Liedboek is zij namelijk juist op dat punt door de knieën gegaan. Dat had ik in een tweede artikel willen aanwijzen. De Commissie is hier, naar mijn bescheiden mening, fout geweest. Maar mag ook een commissie een fout maken? Ik kom daar zo op terug.

AIs argument voor een zuivere kerkzang acht de schrijver het citaat uit psalm 22 : 4 niet "fris" genoeg. Dat is jammer. Zou Gods Woord op de talloze plaatsen waar het ons tot een zuivere zang oproept wel fris genoeg zijn? Zonder enige verlegenheid amenderen we daarom zijn spotliedje als volgt:

Lezer van dit stuk
laat niet door knoeiers met u sollen
en zing aan het eind van elke zin
nimmer de kruisen - slechts de mollen.


Dat was dat. Er was trouwens nog een aanleiding om op de slippertjes terug te komen. De eindredacteur van Organist en Eredienst, J. A Meijster te Voorburg, publiceerde een interview met de Zwitserse componist Henri Gagnebin. Deze oude heer (90) heeft psalmcomposities geschreven van internationaal niveau: in de States koopt ie ze net zo vlot als in Zwolle of Amsterdam. Tussen haakjes: merkwaardig, dat de Zwitsers zoveel geld en tijd en aandacht besteden aan de oude psalmwijzen; ook de kostbare studie van Pierre Pidoux was een jubileumwerk in 1962, betaald door de Zwitserse regering - maar dat in Nederland niet misplaatst ware geweest. En dat terwijl psalmzingend Nederland zegt: "geen kerkganger, die je er mee sticht"; of: "wees niet al te rechtvaardig, wees niet al te puriteins".

In dat interview vroeg Meijster: "wat vindt u van het nieuwe liedboek in Nederland?" En Gagnebin antwoordde: "met de notatie van de psalmmelodieën ben ik het geheel eens, op een pun t na. Ik meen namelijk, dat men de zogenaamde "note sensible" (de verhoogde zevende trap) er uit had moeten laten. Die heb ik er in 1937, na grondige studie, ook uitgelaten; hij is niet oorspronkelijk en tast het karakter van de melodie aan". Meijster zei: "Ja, maar bij ons zegt men: hij stond niet genoteerd, maar ieder wist dat je hem wel moest zingen". En Gagnebin antwoordde: "Ja, ik ken dat verhaal. Maar ik heb indertijd nieuwe psalmuitgaven gevonden uit de tijd van zeg maar Mozart, Toen schreef iedereen de "note sensible" - en ook in die psalmen kwam hij nog steeds niet voor.

Genoeg hierover. Met nadruk wil ik nog eens stellen, dat het hier gaat over het materiaal van álle nieuwtestamentische zangers en speellieden.
Het zijn niet meer de specialisten, de Levieten uit het oude testament, die "geleerd waren in het gezang des Heeren". Wij allen, die 's zondags een mond kunnen open doen, worden geroepen een lofoffer te brengen. Niet te studeren op dat lofoffer - maar het te bréngen, In lieflijkheid, in welluidendheid, in eendracht, in samenzang, in eensgezindheid, in harmonie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief