De 1%-operatie (2)

1976-08-20
  • Jaargang 20
  • nummer 32
De groei van de overheidsuitgaven is voor de komende jaren iets aan banden gelegd, zij zal maximaal 1% per jaar kunnen zijn. De lasten, die daaruit voortvloeien, dragen we samen, want de belastingdruk zal zwaarder worden en als gevolg daarvan zal het vrij beschikbare inkomen met 1% per jaar afnemen.
Dat was het eerste deel van het verhaal, dat afgesloten werd met de opmerking, dat we van die teruggang weinig in onze portemonnee merken. Hoe komt dat?
In de eerste aanlieg zijn we de vorige keer gemakshalve uitgegaan van een nationaal inkomen (NI), dat in komende jaren gelijk zal blijven. Maar dat is niet zo,althans volgens economen. Het NI zal toenemen, als gevolg van een hogere productie. Ondanks een hoge werkloosheid zal er méér gefabriceerd worden, méér verkocht, dus groter inkomen. Die groei van het NI is getaxeerd op 3,75010 per jaar. Elke f 100 NI voor 1976 zal- als de rekensommen uitkomen - voor 1977 f 103,75 worden. In die groei deelt de overheid mee en ook wijzelf ontvangen er iets van. U zult zich de verdeling 55/45 wel herinneren. Door de lastenverzwaring van de overheid wordt die 56/44. Beziet U nu eens het volgende staatje, waarin de cijfers gegroepeerd zijn:


NI overheidsbestedingen particuliere bestedingen
1976 per f 100 55% f 55 45% f 45
1977 103,75 56% 58,09 44% 45,69
groei en verdeling daarvan 3,75 3,09 0,69


Nu kan ieder de conclusies trekken:
- samen worden we per f 100 NI jaar voor jaar f 3,75 rijker,
- daarvan neemt de overheid f 3,09, dat is ruim 4/5 deel
- en dus blijft er voor particuliere besteding f 0,69, dat is bijna 1/5 over.
We moeten afwachten of alle berekeningen zullen uitkomen, Maar in het uitgestippelde beleid is daarvan uitgegaan. En mochten er tegenslagen komen, dan ontstaan prompt rekoren. Immers de overheid kan niet zo maar, van de ene op de andere dag haar activiteiten wijzigen. Ze moet een beleid op langere termijn voeren. Vandaar de uitermate belangrijke discussies rondom de 1%-norm. En omdat er voor ieder nog steeds gerekend wordt met een (kleine) welvaartsverbetering, daarom laten velen deze besprekingen langs zich heen gaan, naar ik meen. Of is het ook, omdat de zaken zo moeilijk voorgesteld worden?
In feite zijn ze ook moeilijker dan hierboven geschetst, Want ik heb niet gesproken over de inflatie, de ontwikkeling dat we steeds méér geld nodig hebben om hetzelfde te doen als in het verleden, Over de' prijsstijgingen, die oorzaak zijn van hogere inkomens en die op hun beurt weer leiden tot de kostenstijging. Als om dié redenen het NI toeneemt, wordt niemand er beter van. We moeten enkel rekensommen maken, waarin grotere cijfers staan. En niemand kan dat ook met succes tegengaan. Want regeringen kunnen in hun programma's het bestrijden van die inflatie opnemen, daarmee is die ontwikkeling geen halt toegeroepen. Ze is bovendien internationaal van aard.
De moeiten, die daaruit voortkomen, zijn groot, Vandaar dat het kabinet zo lang onderhandelt met werkgevers en werknemers om de loonontwikkeling gematigd te houden. Want als die hoog wordt, dan' is het hek van de dam. Als U dit leest, zal het overleg wel afgerond zijn. De gevolgen daarvan komen mogelijk later wel eens afzonderlijk aan de orde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief