Gelijke belastingplicht zou onrechtvaardig zijn?

1976-08-27
  • Jaargang 20
  • nummer 33
Bij de redactie kwam een brief binnen van br J. B. Vos uit Amsterdam. Zij vroeg mij, die brief zo mogelijk op te nemen, met of zonder commentaar.
Aan welk verzoek ik voldoe. Ongaarne, omdat ik bepaald geen econoom ben; voorts omdat ik niet mijn ideeën spuide, maar die van prof. dr F. Hartog; ongaarne ook omdat ik de economische discussie in het algemeen zie als een kunst om de cijfers te rangschikkenen; ongaarne tenslotte, omdat de schrijver het uit Engeland (en de Verenigde Staten) overgenomen idee van gelijke belastingplicht als springplank gebruikt om dingen te zeggen, die meer politiek dan economisch moeten heten. Niettemin. "Met stijgende verbazing", schrijft br Vos, Met stijgende verbazing heb ik uw artikel "Gelijke Belastingplicht" in Opbouw van 28 mei gelezen. U stelt daarin, in navolging van prof. Hartog, dat een procentueel gelijke belastingplicht 'voor ieder ",billijker" zou zijn dan het huidige progressieve stelsel. U noemt dan een percentage van 161/2 te berekenen over het inkomen, dat verdiend wordt boven de belastingvrije som van plm. f 10.000. Wanneer wij allen 16 1/2 % belasting over ons surplusinkomen zouden betalen, dan zouden de overheidsinkomsten uit l.B. dezelfde zijn als bij het thans vigerende stelsel.

Ik wil op die moment de "billijkheidsvraag" even laten Eggen en mijn betoog richten op dat getal van 161/2% voor ieder. U haalt het schijventarief aan, waarin de eerste schijf 20% bedraagt, de tweede 26% enz. Dat betekent, dat bij het nu van kracht zijnde stelsel iedere belastingplichtige tenminste 20% aan IB betaalt (boven de belastingvrije som), terwijl velen in een hogere schijf "zitten", tot zelfs 71% toe. Hoe is het dan mogelijk, dat, bij gelijkblijvend nationaal inkomen, dezelfde overheidsinkomsten uit IB kunnen worden gerealiseerd, wanneer iedere belastingplichtige slechts 1612% betaalt? Een rekenvoorbeeld: het nationaal inkomen is 100. Bij het huidige stelsel bedraagt de IB tenminste 20 (even afgezien van de belastingvrije som, die de uitkomsten in wezen niet aantast). Bij een gelijke belastingplicht van 161/2% bedraagt de IB 161/2, niet meer en niet minder. Conclusie: deze 161/2 is niet vergelijkbaar met de percentages van het schijventarief. In termen van het schijventarief zou een gelijke belastingplicht een veel hoger percentage betekenen, vermoedelijk in de buurt van 30.'

Hoe nu? Is prof. Hartog fout? Niet waarschijnlijk, want Hartog is een liberaal, maar bekwaam econoom. Of is uw weergave van Hartog's betoog niet correct? Ik kan het niet nagaan, want u noemt de datum van het bewuste exemplaar van NRC/Hbl niet.
Echter, gaan we uit van een gezamenlijk inkomen van 224 miljard bij 5 1/2 miljoen belastingplichtigen, dan komen we uit op een gemiddeld inkomen per belastingplichtige van plm. f 40.000. Die f 40.000 komt echter overeen (althans bij benadering) met het door de "gemiddelde" werknemer verdiende bruto-inkomen plus allerlei door de werkgever al vooraf ingehouden sociale en andere lasten. Ligt hier de fout? Wanneer dat zo is, dan betekent dit, dat bijvoorbeeld voor een minimumloner (bruto-inkomsten plus sociale lasten plm. f 27.000) de IB 16 ½ / 100 X (27.000 - 10.000) = f 2800 bedraagt. Een minimumloner betaalt nu, afhankelijk van aftrekposten, tussen nihil en plm. f 1000. Dus een achteruitgang in zijn inkomenspositie van minimaal f 1800 per jaar. U voelt wel, dat dit onaanvaardbaar is. Ik neem aan dat u meer verdient dan een minimumloner, anders zou u, de gevolgen overziende, een dergelijk voorstel niet overnemen.


U zult, beste lezer, al gemerkt hebben dat u hier met een geschoolde econoom te maken hebt. Geschoold - nieralleen in de zin van opgeleid, maar ook van: in een zekere school gevormd. Dit zal u in het vervolg nog duidelijker worden. Want achter de verschillende opstelling van cijfers schuilt een verschil in opstelling van gedachten.

Het bewuste artikel van prof. dr F. Hartog kwam in het NRC/HM-Nr. van 4 mei jl, Ik nam het niet geheel over, maar gaf de hoofdgedachten door ter overweging. Maar daardoor omstond en enkele misverstanden bij onze geachte scribent.
Wanneer het gezamenlijk inkomen gedeeld wordt door het aantal belastingplichtigen, dan is de uitkomst inderdaad het gemiddelde inkomen; niet (zoals br Vos ten onrechte veronderstelt) het gemiddelde inkomen plus de ingehouden sociale en andere lasten. Want prof. Harrog schreef over inkomstenbelasting in ruime zin - niet over andere lasten, De tweede vergissing is, dat een gelijke belastingplicht ons in de buurt van 30 zou brengen; de berekening van prof. Hartog, schoon, liberaal, is glashelder.

De voornaamste misrekening is dat (wat prof, Hartog noemt): "de huidige, ingewikkelde wet met zijn sterke progressie en dus ook vele vrijstellingen, hoge uitvoerings-, innings- en controlekosten met zich mee" brengt. Deze zin kon dhr Vos niet weten; maar de inhoud was hem natuurlijk bekend.

De vele vrijstellingen brengen de hoogste inkomens thans in een veel lagere rubriek dan 71%. Om die reden zouden de hoge inkomens dan ook heel weinig met een gelijke belastingplicht gediend zijn. Beide, hoge en lage inkomens zouden erbij gebaat zijn; maar de laagste het meeste.

Die hoge uitvoerings-, innings- en controlekosten werden veroorzaakt door een leger van deskundigen, computers, kantoren en archieven.
Wanneer die goeddeels zouden kunnen verdwijnen, zou de algemene belastingdruk sterk. verminderen. Of dit in verband met de heersende werkloosheid politiek aanvaardbaar mag heten is een andere zaak. Toch ziet prof. Hartog wel zo veel brood in het Engelse ontwerp, dat hij de partij die zijn idee overneemt een "enorme stemmenwinst" toedenkt.

De onjuiste veronderstelling van br. Vos brengt hem op deze weg: dat de minimumloner f 1800 per jaar meer zou moeten gaan betalen. Dat is onjuist. Degene die, om zijn voorbeeld over te nemen, f 27.000 bruto loon (bedoeld is werkelijk brutoloon) ontvangt, betaalt hiervan .na een belastingvrije som van f 10.000 niet maximaal f 1.000 maar minimaal f 4390. Die zou met het systeem-Hartog dalen tot f 2800.- Dat is een verlaging van f 1590 en dat is niet mis, lijkt me.

Voor de hoogste inkomens hebben Leidse belastingdeskundigen uitgewezen, dat het effectieve tarief vanwege de talrijke vrijstellingen globaal gesproken vrij laag is; als alle vrijstellingen wegvallen zal de winst voor het ene hoge inkomen gering zijn - voor het andere negatief. Blijft over dat hoge en lage inkomens met het systeem-Hartog tevreden kunnen zijn; dat alleen de belastingambtenaren ontevreden kunnen zijn.

Nog een opmerking. Br Vos zegt terzake van een vermeende belastingverzwaring voor minimumloners: u voelt wel, dat dit onaanvaardbaar is. Dat zinnetje blijft mij me haken. Er wordt een veto uitgesproken, dat met op recht of onrecht is gebaseerd - maar op politieke onwil. Inderdaad, wanneer in een democratische maatschappij de meerderheid nee zegt, wordt het zo maar geen ja. Maar het ging prof. Hartog om de billijkheiden de algemene profijtelijkheid. En de zin, dat schrijver dezes de idee van prof. Hartog niet zou overnemen wanneer hij minimumloner ware, kan teruggekaatst worden. Het woord is weer aan J. B. Vos.

Vervolgens een paar opmerkingen over enerzijds de mogelijkheid en anderzijds de billijkheid van een gelijke belastingplicht.

Wat betreft de mogelijkheid. Gelijke belastingplicht leidt tot een niet onaanzienlijke inkomensdenivellering. En dit heeft bepaalde, macro-economische consequenties.

Zoals u weet neemt de marginale spaargeneigdheid toe met het inkomen zodat de rijkeren een hogere spaarquote hanteren dan de armeren. In dit licht bezien leidt inkomens-
denivellering tot grotere besparingen en, bij gelijkblijvend nationaal inkomen, tot lagere consumptie-uitgaven. Een afnemende consumptie betekent, dat de productie niet meer volledig kan worden afgezet. De productie loopt dus terug, wat weer werkloosheid tot gevolg heeft. Dus: stagnatie tengevolge van onderconsumptie en sinds Keynes weten we, dat dit uiteindelijk de oorzaak is geweest van de grote crisis van de jaren '30. Een hoog ontwikkelde en ingewikkelde economie als de onze is een gevoelig "ding" en zo rauw manipuleren met een van de instrumenten van economische politiek zal desastreuze gevolgen hebben.

Hier komen we op het vakterrein van de economen, waarop wij ons niet mogen begeven. Br Vos zou deze opmerking het best aan prof. Hartog kwijt kunnen. Die ongetwijfeld zal antwoorden: waarom noemt u dat rauw opereren? Misschien ook wel: vindt u dat alle inkomens dan maar uitgegeven moeten worden? Of ook: acht u sparen niet een uiterst belangrijk economische verschijnsel, zowel het sparen vooraf als het sparen achteraf? Of ook: gelooft u nu werkelijk, dat deze vereenvoudiging in het belastingstelsel zulke desastreuze gevolgen zal hebben? .Bedenkt u wel, dat in de Verenigde Staten vrijwel alle belasting aan de bron wordt ingehouden?

Genoeg voor vandaag. Over de billijkheid van een procentueel gelijke belastingplicht luisteren we een volgend maal naar de heer Vos.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief