Gelijke belastingplicht zou onrechtvaardig zijn? (3)

1976-09-10
  • Jaargang 20
  • nummer 35
Het wordt tijd om het gesprek over de (procentueel) gelijke belastingplicht af te ronden. Er wordt al te veel beroep gedaan op u, die dit leest en verwerkt. Niettemin: de redactie achtte het gesprek over dit voor ieder zo belangrijke onderwerp nuttig; vooral omdat achter de belastingplicht de inkomensongelijkheid, de verdeling van de stoffelijke goederen, ons rentmeesterschap aan de orde komen. Hier volgt eerst weer een stuk schrijven van br J. B. Vos:

Ik kan het met uw conclusie dan ook niet eens zijn. U stelt: "Blijft dus over: het objectieve gegeven, dat het mogelijk zou zijn ons nationale huishouden op dezelfde grote voet voort te zetten.” Ik hoop aangetoond te hebben, dat dit gegeven zo objectief niet is... (toch wel, zegt prof. Hartog)... "Maar met aanzienlijk meer billijkheid". Ik kan niet inzien, dat het billijk zou zijn, wanneer het ene talent wordt afgenomen van degene, wiens .enige "misdaad" het is, dat hij onderaan op de maatschappelijke ladder staat, en gegeven aan degene met de tien talenten. Of heeft de minimumloner per definitie zijn talent ongebruikt gelaten?

Dit laatste vraag geeft een aanknopingspunt voor een interruptie. De gelijkenis van de talenten spreekt niet over ons onderwerp (gelijke belastingpIicht, hetgeen door onze geachte opponent wordt uitgelegd als inkomensdenivellering) maar spreekt over ons rentmeesterschap. De slaven ontvangen één, vijf of tien talenten ter leen, ter bewaring, in beheer. Wij ontvangen ons loon om het uit te geven naar behoefte. De talenten mochten niet voor eigen behoeften wonden gebruikt. Het afnemen van een ongebruikt talent van een luie en vreesachtige slaaf moet met worden gebruikt voor de theorie: de armen moeten maar armer en. de rijken moeten rijker wonden. Dat is een vermenging van zaken, die langs de kant van het fatsoen gaat. Bij de eerste christengemeenten ging het om geven (van de rijken aan de armen). Bij de moderne politieke meerderheidswensen gaat het niet om geven maar om nemen. Daarom gaat de vergelijking met de eerste christengemeente niet op.

Br Vos gaat verder:

"Met minder verleiding tot overtreden". Ik betwijfel het. Zou de man met een laag inkomen, wiens vrouw langdurig ziek is en wiens kinderen studeren, niet tot overtreding worden gedwongen, wanneer hij voor zijn hoge kosten geen soelaas vindt en de aftrekmogelijkheden wegens buitengewone lasten en daarenboven alsnog een hogere belasting moet betalen?

Een opmerking. Elke man met laag in/komen heeft gelukkig geen zieke vrouw. Wil de man met een laag inkomen zijn kinderen laten studeren (de vanzelfsprekendheid!) Een halve eeuw geleden werd, met heel wat meer raison, het tegenovergestelde uitgangspunt aanvaard) dan zal nien: and hem tot overtreding van de wet "dwingen"; integendeel moet hij zich eerstelijk aan de wet houden - en dan verder zien. Laten we nu toch niet de wetteloosheid tot norm verheffen, zelfs niet voor schrijnende gevallen, alstublieft. En die hogere belasting zit in de idee van prof. Hartog juist niet ingebakken; zie het voorgaande.

"Met meer aanmoediging tot het geven van extra prestaties. En met meer gezonde kansen voor ieder". Ik denk niet dat de, tegen zijn zin, tot nietsdoen gedwongen werkeloze dat met u eens zal zijn.

Dat zal hij zeker niet. Maar ais een werkeloze dit leest en zijn verstand een heet je gebruikt, zal hij begrepen hebben dat het voorgaande op de regel sloeg; niet op de betreurenswaardige uitzondering.

Vergeeft u mij wanneer ik uw artikel onbezonnen noem. Tevens zou ik wensen, dat de kolommen van Opbouw gebruikt worden voor artikelen, die meer in overeenstemming zijn met de constatering, dat niemand twee heren dienen kan. Want ik ben ervan overtuigd, dat een "gelijke belastingplicht voor ieder", d.w.z. een bewuste daad, waarbij de rijken rijker en de armen armer worden, niet is in de geest van de leefregels, zoals die uit de Bijbel, en met name uit de Evangeliën, tot ons komen.

Met dat slot ben ik net zo min gelukkig als met het helle betoog. Misschien was mijn artikel onbezonnen, Maar de insinuatie, dat het lijdt aan 'het euvel van "twee heren dienen", te wenen God de Heere en de Mammon, de god van de Ievenszekerheden, is wel keihard, Het zou niet moeilijk zijn, deze insinuatie terug te kaatsen met de vraag: wie van ons beiden streeft nu naar levenszekerheden? Wie van ons eert, naast de geboden van God, de soevereine mens? Wie neemt bevoegdheden, die niet uit Gods hand komen?

Belangrijker dan zulk schijfschieten is de vraag: beseffen we ons rentmeesterschap voldoende? En die vraag heeft vermoedelijk ook br Vos wel bezield, want die vraag heeft bestaansrecht, meer dan ooit.

Wanneer wij elk ons rentmeesterschap ons bewust worden, dan is er geen sprake van de armen armer en de rijleen rijker te maken. (Die zaak zou trouwens, en dat is aangetoond, "met de idee van prof. Hartog ook volstrekt niet aan de orde komen; met zijn gelijke belastingplicht zouden in elk geval de armen profiteren!)
Maar rentmeesterschap - wel, ik zou willen zeggen, dat is nu juist de vervulling van het achtste gebod. Het "gij zult niet stellen" is in de Catechismus zo bijzonder fijn uitgelegd: "dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handde, als ik wilde, dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, 'opdat ik de nooddruftige helpen moge."

Het "gij zult niet" lijkt dus neer te komen op "gij zult wel" ... de positieve daad doen. De Heere vraagt van ons, dat we in 'de besteding van onze gelden aan de anderen denken. Maar de Heere geeft de anderen niet de bevoegdheid, ons de besteding van onze inkomens uit" handen te nemen. Dat kleine verschil ontgaat aan onze salonsocialisten, Er is nóg een kleinigheid, Een halve eeuwen korter geleden werd, zeiden we, de vanzelfsprekendheid aanvaarde dat wie zijn kinderen niet kon laten studeren hen aan het werk zette. Maar dat vandaag vrijwel ieder zijn kinderen kan lallen studeren, hoger onderwijs kan laten volgen, is mogelijk gemaakt: dank zij de forse belastingbijdragen van degenen, die zelf niet hebben kunnen studeren. En indien deze laatste mensen, vanwege hetgeen hun onthouden is, rui eens zo gefrustreerd waren geraakt dat zij zich tot de socialistische leuzen voelden aangetrokken ... Maar nee; juist degenen die waarlijk armoede en sociaal onrecht en beginselstrijd hebben gekend, moeten vandaag tot hun verwondering zich insinuaties laten welgevallen van de zijde van hen, die in alle dingen profiteerden,
Het is vandaag gebruikelijk, dat de jeugd in "jeans" gekleed gaat: in grof blauw katoen; liefst vooraf gebleekt, imitatie van de werkersoverall.

Zo kleden verwende en weldoorvoede jongeren zich in de arbeidersuniform.
waarin hun grootvaders en vaders hebben gezwoegd om hun kinderen een betere toekomst te geven. Die "betere toekomst" is niet gerealiseerd. De gesmade arbeiderskleding is geprefereerd boven het burgermanspak En de tevredenheid, waarmee grootvaders en vaders voor betere sociale verhoudingen hebben gewerkt, maakte plaats voor algehele ontevredenheid. Dit beeld illustreert iets van wat er vandaag gaande is.

Prins Bernhard moet in een Engelse kadettenschool eens iets hebben gezegd als het volgende, "Jullie bent het best gespierde, best opgevoede, best doorvoede ras van de aardbodem, Jullie hebt een vrijheid als weinigen, een luxe als nergens ter wereld, een levenskans die onvergelijkbaar is. En jullie hebt een minachting voor je voorgeslacht (dat dit alles ten koste van grote inspanning mogelijk heeft gemaakt) als nergens 'ter wereld gevonden wordt". Dit of woorden van soortgelijke strekking.
En tenslotte dit, Het tweede gebod is niet pas door de socialistische regeringen verstaan. De eerste sociale wetten, van het begin dezer eeuw, zijn door antirevolutionairen gecreëerd. Trouwens wanneer de mens vandaag een "liefhebber van zichzelve is" gewonden, zou dan de socialistische overheid de aangewezen persoon zijn om de tweede tafel der Wet Gods uit te voeren? Is de overheidszorg ten behoeve van de minimumloner nu ingegeven door gehoorzaamheid aan Gods wetten of door tellen van stemvee?

Zie, deze dingen komen naar boven wanneer een academische gedachte van een billijker en redelijker belastingstelsel, in overweging gegeven, zulke stormachtige reacties uitlokt.

Sluwheid, ellebogen en relaties zijn geen factoren in Gods koninkrijk.
Het ideaal van stoffelijke gelijkheid kan nooit door nemen, alleen door geven, vrijwillig geven, worden bereikt. En daartoe moeten geen wetten, maar moeten harten worden veranderd. Maar een ideaal is geen norm in Gods koninkrijk. Zo lang de Heere geeft aan wie Hij wil, en onthoudt aan wie Hij wil, blijft het ideaal ideaal, onwezenlijk ideaal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief